Chaïm Perelman

Portret van filosoof Chaïm Perelman uit de jaren 1960
Portret van filosoof Chaïm Perelman uit de jaren 1960

Chaïm Perelman, geboren als Charles Perelman in Varsovia op 20 mei 1912 en overleden in Brussel op 22 januari 1984, was een Belgisch filosoof van het recht van Poolse afkomst. Hij was ook logicus en retoricus. Zijn familie emigreerde in 1925 van Polen naar Antwerpen. Perelman studeerde aan de Vrije Universiteit Brussel, waar hij het grootste deel van zijn leven als professor verbonden bleef. In 1934 behaalde hij daar zijn doctoraat in de rechten. In 1938 volgde een tweede doctoraat met een proefschrift over Gottlob Frege, en in hetzelfde jaar werd hij benoemd tot docent aan de Faculteit Wijsbegeerte en Letteren van Brussel. Hij werd de jongste professor in de geschiedenis van de Vrije Universiteit Brussel en ging in 1978 met pensioen. Perelman begon zijn onderzoek binnen het logisch positivisme. Tijdens de Tweede Wereldoorlog nam hij deel aan het Belgische verzet. In 1944 voltooide hij de empirische studie De la justice, waarin hij concludeerde dat de grondslagen van rechtvaardigheid arbitrair zijn. Vanuit die vaststelling onderzocht hij hoe conclusies over waardeoordelen konden worden uitgebreid naar redeneren en besluitvorming. Hij creëerde de nieuwe retoriek, een van de belangrijkste theorieën over argumentatie.

Leven en werk van Chaïm Perelman

Chaïm Perelman, geboren als Charles Perelman, kwam ter wereld in Varsovia op 20 mei 1912 en overleed in Bruselas op 22 januari 1984. Hij was een Belgische filosoof van het recht van Poolse oorsprong, en werd ook bekend als rhetorician en logicus. Perelman ontwikkelde de nieuwe rhetoriek, een benadering die uitgroeide tot een van de belangrijkste theorieën over argumentatie.

Studie en academische loopbaan

Chaïm Perelman werd in Polen geboren en verhuisde in 1925 met zijn familie naar Antwerpen. Hij studeerde aan de Vrije Universiteit Brussel en bleef daar het grootste deel van zijn leven als professor verbonden. In 1934 behaalde hij er een doctoraat in de rechten. Vier jaar later volgde een tweede doctoraat, met een thesis over Gottlob Frege. In 1938 werd hij ook goedgekeurd als docent aan de Faculteit der Wijsbegeerte en Letteren van Brussel. Perelman werd de jongste professor in de geschiedenis van de Vrije Universiteit Brussel en ging er in 1978 met pensioen.

Van logische positivisme naar de nieuwe retoriek

Chaïm Perelman begon zijn onderzoek binnen het logisch positivisme, maar nam tijdens de Tweede Wereldoorlog ook deel aan het Belgische verzet. In 1944 voltooide hij een empirische studie over gerechtigheid, De la justice, waarin hij besloot dat de grondslagen van gerechtigheid arbitrair zijn. Vanuit die vaststelling overwoog hij om zijn conclusies over waardeoordelen uit te breiden naar redeneren en besluitvorming. Uiteindelijk verwierp hij het logisch positivisme ten gunste van regressieve filosofieën die een analyse van waardeoordelen boden.

In 1948 begon hij samen te werken met Lucie Olbrechts-Tyteca aan een project over retoriek en logica. Dat leidde in 1958 tot de publicatie van Traité de l'argumentation: la nouvelle rhétorique. In dit werk ontwikkelde hij een theorie van argumentatie die rekening hield met waardeoordelen en publieke interpretaties. Zijn werk behandelde problemen in de filosofie, het recht, de politiek, de ethiek en de journalistiek. Ook werkte hij vóór de publicatie van Nouvelle rhétorique al samen met Henry W. Johnstone.

Perelman werd later in de Verenigde Staten erkend als een denker over argumentatie. In 1962 nodigden Henry W. Johnstone en Robert Oliver hem uit als distinguished visiting professor aan de Pennsylvania State University. Daarna bleef hij nog twee decennia werken en publiceren over onderwerpen die verband hielden met Nouvelle rhétorique. Als directeur van het National Center for Research in Logic aan de Vrije Universiteit Brussel droeg hij ook bij aan studies over rechtsfilosofie.

Kritiek op positivisme en relativisme

In 1943 wees Perelman het nut van logisch positivisme buiten de zuivere wetenschap af. Vijf jaar later werkte hij deze ideeën verder uit in Philosophies premieres et philosophie regressive. Daarin stelde hij dat de grenzen van de filosofie en de metafysica groter zijn dan eerder werd aangenomen. Volgens hem berusten benaderingen van filosofie en metafysica op vanzelfsprekende axioma’s die elkaar onderling ondersteunen; zodra een fout wordt vermoed, kan dat het hele filosofische systeem onderuit halen.

Perelman vond daarom dat filosofie en metafysica voor het praktische en sociale leven tekortschieten, omdat ze universele en absolute waarheden eisen. Ook het existentiale relativisme van Jean-Paul Sartre achtte hij onhoudbaar. In dat relativisme zag hij dat metafysische absoluten worden vervangen door een absoluut scepticisme. Tijdens zijn onderzoek met Olbrechts-Tyteca ontwikkelde hij een filosofie die zowel de radicale fouten van het positivisme als die van het relativisme probeerde te vermijden.

Van logische demonstratie naar retoriek

Na het vinden van een uittreksel van Brunetto Latini in Jean Paulhans Les fleurs de Tarbes begon Perelman oude Grieks-Latijnse benaderingen van argumentatie te onderzoeken. Hij stelde vast dat er nooit een specifieke logica voor waardeoordelen was uitgewerkt. In Aristoteles vond hij wel een aanknopingspunt: in de Analytica werkte deze de principes van logische demonstratie uit, op basis van aanvaarde premissen en noodzakelijke conclusies van het syllogisme, terwijl hij in de Topics zuivere logische demonstratie tegenover dialectische of retorische redenering plaatste. Volgens Perelman berust dialectiek op premissen die in een bepaalde situatie aanvaardbaar zijn, waardoor zowel de discipline als de resultaten contingent zijn.

Perelman zag in die onderscheidingen de innerlijke tegenstelling van vroege filosofieën. Hij stelde dat praktische filosofie zich richt op het overtuigen van specifieke publieken, en niet op absolute waarheidseisen. Daarom moest een leefbare filosofie volgens hem gebouwd zijn op waarschijnlijkheden en bestand zijn tegen waardeoordelen en contingenties die afhangen van specifieke publieken. Hij noemde die benadering philosophie regresiva. Daarin werd sociale waarheid opgenomen in de zuivere filosofie, zodat zij kon veranderen wanneer die waarheden zelf wijzigden.

Zijn filosofie was gebaseerd op retoriek en argumentatie, en bracht ook innovaties in de niet-formele argumentatie. Samen met Olbrechts-Tyteca benadrukte hij dat instemming met meningen uiteenlopende intensiteit kan hebben bij individuen en groepen, en dat overtuigingen zelden zo duidelijk en onderscheiden zijn als bij Descartes. Met philosophie regresiva probeerden zij de variatie in bijzondere situaties en waarden te verklaren. Perelman paste die benadering later toe in de ontwikkeling van de nieuwe retoriek en in latere werken over rechtsleer.

De ontwikkeling van La Nueva retorica

Vanaf 1948 begon La Nueva retorica met onderzoek naar de logica van niet-formele discussie. Daarbij werden academische, professionele, religieuze en populaire bronnen samengebracht om de theorie te ontwikkelen en toe te passen. In dat traject werd ook de opuscule van Brunetto Latini gevonden, en de Grieks-Latijnse retorische traditie opnieuw ontdekt. Zo kregen zowel het project als de filosofische basis van La Nueva retorica een definitieve vorm.

La Nueva retorica ging ervan uit dat een redelijke analyse van niet-formele discussie kan voortkomen uit principes van de retorische theorie, uit overwegingen met betrekking tot het publiek en uit specifieke waardeoordelen. Die overwegingen beïnvloeden zijdelings de concrete structuur van discussies, onder meer de gronden van overeenstemming en de beschikbaarheid van bepaalde pleidooien. Op basis van het onderzoek werd ook een beschrijving gemaakt van verschillende technieken, afgeleid uit een diverse groep discussies. Het boek van La Nueva retorica is daarbij verdeeld in drie delen, met in elk deel de belangrijkste concepten.

Centraal staat de stelling dat argumentatie erop gericht is de instemming van het aangesproken publiek te verkrijgen en dus het publiek volledig betreft. Daarom werkt de argumentatietheorie met twee kernbegrippen: het universele publiek en het bijzondere publiek. Elke discussie richt zich op een specifieke persoon of groep, terwijl de spreker kiest welke informatie en welke benaderingen de grootste instemming opleveren volgens een ideaal publiek. Dat ideale publiek kan God omvatten, alle redelijke en competente mensen, de delende mens of een elite. Het universele publiek is daarbij nooit vast of absoluut, maar hangt af van de inhoud van de spreker, de doelen van de discussie en de betrokken bijzondere publieken. Wat als feiten en als redelijk karakter geldt, helpt mee bepalen wie tot het universele publiek behoort en hoe de spreker zich opstelt. Volgens La Nueva retorica wordt de instemming van het publiek ook bepaald door het gebruik van waarden.

Epidictische retoriek en waarden

La Nueva retórica bespreekt Perelmans behandeling van waarden en zijn visie op epidictische retoriek als kern van zijn benadering. Het werk analyseert Aristoteles' indeling van de retoriek in juridische, deliberatieve en epidictische genres. Juridische discussies vereisen volgens deze indeling een oordeel dat verder gaat dan het beoordelen van een handeling, terwijl deliberatieve discussies gericht zijn op het nastreven van toekomstige actie. Epidictische retoriek heeft betrekking op waarden rond lof, blaam, verdienste of schuld en zoekt geen specifieke beslissing. Volgens La Nueva retórica beschouwde Aristoteles dit genre als van beperkte betekenis in burgerlijke aangelegenheden en stelde hij dat het niet verwees naar feiten of beleidskeuzes. Perelman vindt echter dat epidictische retoriek meer aandacht verdient dan traditioneel werd toegekend. Hij ziet de waarden in dit genre als centraal voor alle argumentatie. La Nueva retórica citeert Perelman met de stelling dat epidictische redevoering de instemming met geprezen waarden vergroot om zo de actie te beïnvloeden.

Waarden en instemming in de nieuwe retoriek

In de La Nueva retórica staat centraal dat waarden de overtuiging in elke vorm van retorische discussie sturen. Sprekers proberen volgens Perelman en Olbrechts-Tyteca een vorm van gemeenschap tot stand te brengen rond waarden die het publiek al erkent. Daarom moet argumentatie altijd beginnen met een punt van overeenstemming. Bij kwesties die echt omstreden zijn, is er eerst voldoende consensus nodig, of moeten er verwante uitgangspunten beschikbaar zijn.

De bases van die overeenstemming worden onderverdeeld in feiten, waarheden, vermoedens, waarden, hiarchieën en loci van voorkeur of vermijden. Feiten en waarheden worden normaal al vóór het debat vastgelegd. Vanuit de veronderstelling van een coherente werkelijkheid met feiten en waarheden ontstaat geen conflict dat nog voor besluitvorming moet worden opgelost. Vermoedens als feiten en waarheden hoeven dan ook niet verdedigd te worden. Als een discussie echter botst op tegengestelde vermoedens, kan de spreker een eerder standpunt omkeren door een tegenargument overtuigend te bewijzen.

Ook waarden kunnen als vertrekpunt dienen, maar zij mogen niet als universeel worden behandeld. Het vaststellen en versterken van gemeenschappelijke waarden is nodig, omdat waarden handelen bemiddelen en bepalen welk gedrag aanvaardbaar is. Gewoonlijk sluiten waarden aan bij hiarchieën die zelf als vertrekpunt voor discussie kunnen dienen. Zulke hiarchieën kunnen abstract of concreet zijn, homogeen zoals een gradatie, of heterogeen zoals eerlijkheid en waarheid. Waarden en hiarchieën kunnen bovendien worden onderbouwd met loci van voorkeur, afgeleid uit het derde boek van Aristoteles' Topics. Die loci helpen om te bepalen welke van twee mogelijkheden gekozen wordt, bijvoorbeeld of een intrinsieke kwaliteit zoals gezondheid voorrang heeft op een toevallige kwaliteit zoals schoonheid.

Retoriek en instemming

La Nueva retórica behandelt het begrip aanwezigheid van ideeën die door een bepaald publiek worden aanvaard. Een spreker kan daarbij kiezen om bepaalde elementen extra te benadrukken of juist minder op de voorgrond te plaatsen. Wat dichtbij is in ruimte en tijd werkt rechtstreeks in op de gevoeligheid, maar ook verderaf gelegen zaken kunnen sterker aanwezig worden gemaakt door retorische figuren zoals hypotiposis of anafora.

Binnen deze benadering kunnen alle punten van overeenstemming worden opgedeeld in primaire of secundaire punten, afhankelijk van het doel van de discussie en de samenstelling van het publiek. Informele discussie draait dan ook om de instemming van het publiek, en niet louter om het aantonen van zaken zoals in de formele logica. Die formele logica heeft volgens La Nueva retórica niet als taak om te overtuigen, maar om de waarheid te vinden.

De spreker moet ervoor zorgen dat het publiek zich met elk volgend element van de discussie blijft identificeren. Daarvoor wordt een procedure beschreven om die instemming op te bouwen. Een eerste benadering omvat quasilogische associaties, beroep op de werkelijkheid en onderzoeken om waarheid vast te stellen. Een tweede benadering reageert op onverenigbare opvattingen door begrippen van elkaar los te maken.

Quasilogische argumenten worden aan Chaum Perelman toegeschreven als vormen die lijken op de formele structuren van logica en wiskunde. Definitie is een veelgebruikte quasilogische aanpak om bepaalde overtuigende kenmerken van een voorwerp te benadrukken. Ook argumenten op basis van verdeling, wederkerigheid, vergelijking, offer en waarschijnlijkheid horen daarbij. Daarnaast vermeldt La Nueva retórica technieken die de werkelijkheid ontbinden en het ware boven het waarachtige plaatsen.

Verder wordt het belang onderstreept van analogieargumenten en argumenten op basis van de structuur van de werkelijkheid. Geschillen hierover kunnen worden opgesplitst in discussies over patroon of model en in analogiediscussies. Metafoor wordt daarbij voorgesteld als een verkorte vorm van analogie die vaak in argumentatie voorkomt. Instemming kan ook worden verkregen door begrippen zoals het reele en het schijnbare van elkaar los te maken, zoals in het voorbeeld van ware democratie tegenover formele, nominale of quasi-democratie.

Ontvangst en invloed van La Nouvelle rhetorique

La Nouvelle rhetorique kreeg na 1970 veel aandacht als een vernieuwend werk binnen het filosofische veld. Het hoofdwerk, de Treatise, werd volledig of gedeeltelijk vertaald in negen talen en geldt als een van de invloedrijkste moderne formuleringen van retorische theorie. Ondanks kritiek werd die positieve ontvangst vaak gezien als een tegengewicht voor de bezwaren.

Toch was er ook kritiek. Henry W. Johnstone, John W. Ray en Lisa Ede bekritiseerden het concept van het universele publiek. Van Eemeren, Grootendorst en Kruiger namen vooral aanstoot aan het scheiden van publieksbeschouwingen en discussie-technieken. In dat opzicht bleef La Nouvelle rhetorique een discussiepunt, ook al bevestigde de ruime belangstelling de betekenis van het werk.

De theorie had bovendien een bredere invloed dan alleen de retorica. Zij droeg de voorbije dertig jaar op fundamentele wijze bij aan de argumentatietheorie en beïnvloedde studies in de rechtsfilosofie, de sociale psychologie en de politieke geografie. Onderzoekers uit de filosofie, de linguistiek en de literatuurwetenschap toonden er interesse voor, net als Michel Meyer, Christian Plantin en Ruth Amossy.

In inhoudelijk opzicht vernieuwde La Nouvelle rhetorique de aristotelische retorica en gaf ze haar filosofische legitimiteit opnieuw vorm. Tegelijk verwierp zij Plato's veroordeling van de retorische kunst als iets dat met sophistrie en manipulatie van de waarheid verbonden zou zijn. Het werk richtte zich op niet-formele retorica in alledaagse sociale interacties.

Scroll naar boven