Émile Claus

Portret van Emile Claus uit 1917
Portret van Emile Claus uit 1917

Émile Claus werd geboren in Vive-Saint-Éloi, een klein dorp in Vlaanderen aan de Leie. Hij was het twaalfde van dertien kinderen van Alexandre Claus en Célestina Verbauwhede. Zijn vader beheerde het logement en de kruidenierszaak In het Gildhuis in Vive-Saint-Éloi en waardeerde Émile Claus’ artistieke talent aanvankelijk niet. Daardoor stuurde hij hem naar Rijsel voor een bakkersopleiding. Dankzij de tussenkomst van componist Peter Benoit kon Émile Claus in 1869 beginnen aan een opleiding schilderkunst aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Daar studeerde hij onder Jacob Jacobs, Nicaise De Keyser en Joseph Geefs. Hij wijdde zich vervolgens volledig aan de schilderkunst. Na zijn opleiding verbleef hij tijdelijk in Antwerpen en werkte hij vanaf juni 1874 in het atelier van Nicaise De Keyser. Hij gaf tekenlessen aan kinderen uit vooraanstaande Antwerpse families en verwierf er een reputatie als portretschilder. In 1874 debuteerde hij op het Gentse Salon met het portret En travail, en in 1875 toonde hij op het Brusselse Salon twee genrestukken, La Veille de la fête de leur mère en Avril.

Leven en artistieke betekenis

Emile Claus werd geboren in Vive-Sint-Elooi en overleed in Astene. Hij was een Belgische schilder en geldt als de briljantste figuur van het luminisme. Met die positie nam hij een bijzondere plaats in binnen de Belgische schilderkunst.

Opleiding en vroege loopbaan

Emile Claus werd geboren in Vive-Sint-Elooi, een klein dorp in Vlaanderen aan de oevers van de Leie. Hij was het twaalfde van dertien kinderen van Alexandre Claus en Célestina Verbauwhede. Zijn vader beheerde het herberg- en kruideniershuis In het Gildhuis in Vive-Sint-Elooi en had weinig waardering voor Emiles artistieke aanleg. Daarom stuurde hij zijn zoon naar Rijsel om er een opleiding tot bakker te volgen. Dankzij een aanbeveling van componist Peter Benoit kon Emile Claus in 1869 toch beginnen aan een schilderopleiding aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Daar legde hij zich volledig toe op de schilderkunst en volgde hij les bij Jacob Jacobs, Nicaise De Keyser en Joseph Geefs. Een van zijn vroege werken uit 1873 is een postuum portret van zijn overleden vader.

Na zijn opleiding verbleef Claus tijdelijk in Antwerpen. Vanaf juni 1874 werkte hij in het atelier van Nicaise De Keyser en gaf hij tekenlessen aan kinderen uit voorname Antwerpse families. In die periode verwierf hij in Antwerpen een reputatie als portretschilder. Hij debuteerde op het Gentse Salon van 1874 met het portret En travail. Op het Brusselse Salon van 1875 stelde hij twee genrescènes tentoon: La Veille de la fête de leur mère en Avril. In 1879 reisde hij naar Noord-Afrika, waar hij met elementaire kleuren begon te werken en het prisma uiteennam via toonwaarden. Onder invloed van zijn vriend Theo Verstraete werd zijn schilderstijl later lichter en stralender. Naast portretten maakte hij ook realistische werken zoals De oude tuinier (1885) en De lijnschiftsters (1887). In 1882 vestigde hij zich in Astene, waar hij zijn villa Zonneschijn aan de Leie noemde. Datzelfde jaar organiseerden hij en Karel Nys van 13 tot 25 maart een gezamenlijke tentoonstelling in zaal Verlat in Antwerpen.

Huwelijk met Charlotte Dufaux

In 1886 huwde Émile Claus met Charlotte Dufaux, een nicht van de notaris Édouard Dufaux uit Waregem. Claus had haar al in 1881 geportretteerd, toen zij negentien jaar was. Het huwelijk vond plaats in Deinze, terwijl het huwelijksfeest werd gehouden in het huis van Léon Dufaux in Waregem. Ter gelegenheid van dit huwelijk schilderde Claus ook het Portret van mevrouw Claus in bruidskledij, dat bewaard wordt in het Museum van Deinze en Leiestreek.

Villa Zonneschijn en artistieke doorbraak

Na zijn huwelijk vestigde Emile Claus zich definitief in een jachthuis aan de Leie in Astene. Hij gaf het huis de naam Villa Zonneschijn, naar het boek Prinses Zonneschijn van Pol De Mont. Villa Zonneschijn groeide uit tot een ontmoetingsplaats voor dichters, schrijvers en beeldhouwers, onder wie Cyriel Buysse, Camille Lemonnier, Henri Le Sidaner en Constantin Meunier. In dezelfde periode nam Claus deel aan talrijke tentoonstellingen in Parijs, Duitsland, Liverpool en New Orleans. Hij huurde drie jaar lang ook een atelier in Parijs en werkte daar in de winter, na zomerse verblijven in Astene.

In die jaren sloot hij vriendschap met de schilder Henri-Eugène Le Sidaner en ontwikkelde hij waardering voor het naturalisme van Frits Thaulow en Gaston La Touche. Tegelijk brak hij met zijn vroegere conventionele schilderstijl. In 1890 toonde hij La Récolte des betteraves op het Salon van Brussel. Dat werk werd later ook in Parijs en München geëxposeerd, waar het samen met werken van Giovanni Segantini en Whistler een gouden medaille kreeg. Claus vestigde zich daarmee als landschapschilder en verwierf erkenning als een van de belangrijkste kunstenaars van het land. La Récolte des betteraves bleef tot zijn dood in zijn atelier; zijn weduwe schonk het schilderij in 1942 aan de stad Deinze.

Contacten met kunstenaars en schrijvers

In 1891 was Emile Claus medeoprichter van de kring Les XIII in Antwerpen. Twee jaar later, in 1894, ontmoette hij schrijver Cyriel Buysse; dat groeide uit tot een vriendschap van dertig jaar. Claus en Buysse kwamen geregeld samen op Molenberg in Deurle en reisden ook samen. Daarnaast bracht Claus Buysse in contact met de dichter en kunstcriticus Camille Lemonnier. In 1925 publiceerde Buysse later zijn herinneringen aan Claus in het werk Emile Claus, mijn broer in Vlaanderen.

Internationale tentoonstellingen en oorlogsjaren

In 1904 sloot Emile Claus zich aan bij de Société nouvelle de peintres et de sculpteurs, die dat jaar in de Parijse galerie Georges Petit haar eerste gezamenlijke tentoonstelling hield. In hetzelfde jaar richtte hij samen met onder anderen James Ensor en Georges Lemmen het Cercle Vie et Lumière op. In 1905 werd hij lid van de Antwerpse kring L'Art Contemporain, en datzelfde jaar stelde hij in de Kunstkring van Brussel tweeënvijftig schilderijen tentoon. Claus bezocht ook de kunstenaarskolonie van Étaples. Verder verbleef hij tweemaal in Venetië, onder meer in 1906 met Henri Le Sidaner. In 1907 reisde hij naar de Verenigde Staten, waar hij lid was van de jury van de tentoonstelling van het Carnegie-instituut in Pittsburgh. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verbleef hij vanaf zijn vijfenzestigste onafgebroken in Londen, waar hij een reeks gezichten op de Theems schilderde onder de titel Réflexions sur la Tamise.

Laatste jaren en overlijden

Emile Claus keerde aan het einde van de oorlog in 1918 terug naar Astene. Daar bleef hij actief als schilder: op de dag vóór zijn dood werkte hij nog aan het doek "Gouden Oogst". Hij overleed in Astene op 14 september 1924. Eerst werd hij begraven op het gemeentelijk kerkhof, maar later liet Charlotte Dufaux hem opgraven en opnieuw begraven in de tuin voor zijn villa in Astene.

Van realisme naar luminisme

De portretten van Emile Claus werden gewaardeerd door de Antwerpse burgerij, maar waren weinig vernieuwend. Ze sloten aan bij de stijl van Jan Verhas, Édouard Agneessens, Alfred Cluysenaar, Gustave de Jonghe en Jan Van Beers. Daarna maakte Claus een overgang van het heldere realisme in de lijn van Bastien-Lepage naar een impressionistische techniek. Hij gebruikte levendige kleuren om de beweeglijke indruk van zonlicht in de natuur weer te geven, terwijl de vormen duidelijk herkenbaar bleven. Met ‘La Récolte des betteraves en Flandre’, voltooid in 1890, kwam een keerpunt in zijn carrière; dit werk markeert de overgang van realisme naar luminisme rond 1900. In de jaren daarna schilderde hij onder meer ‘Les Patineurs’ (1891), dat zich bevindt in het Museum voor Schone Kunsten van Gent, ‘Le Parc d’Ooidonk’ (omstreeks 1892), bewaard in het Museum van Deinze en de Leiestreek, ‘L’Été’ (1893), in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen, ‘Les Communiantes’ (1893), in de Belfius Kunstcollectie, en ‘Les Glaneurs’ (1894), eveneens in het Museum voor Schone Kunsten van Gent.

Scroll naar boven