Jean-Michel Charlier

Portret van Jean-Michel Charlier in 1984
Portret van Jean-Michel Charlier in 1984

Jean-Michel Charlier werd geboren in Luik als zoon van een bankier en een huisvrouw. Als kind ontdekte hij strips via onder meer Zig et Puce van Alain Saint-Ogan, Kuifje van Hergé en Pitche van Aleksas Stonkus. Hij was ook gepassioneerd door het werk van Georges Simenon en Les Pardaillan van Michel Zévaco. Tijdens zijn jeugd tekende hij strips in schriften en bedacht hij avonturenverhalen. Hij studeerde aan jezuïetenscholen en was actief bij de scouts. Op zestienjarige leeftijd luisterde hij op de radio naar Ray Ventura en zijn orkest, en hij raakte gefascineerd door de film Tourbillon de Paris. Later probeerde hij zich aan te sluiten bij de groep van Ray Ventura en trok hij naar Parijs, maar hij had onvoldoende geld. Charlier werd een Belgisch stripscenarist en televisieregisseur. Samen met Jean Giraud maakte hij Blueberry, met Albert Uderzo Tanguy en Laverdure, en met Victor Hubinon Buck Danny en Barbe-Rouge. Hij was medeoprichter van het stripblad Pilote en was daar van 1963 tot 1972 mede-hoofdredacteur. In de late jaren zestig bewerkte hij Tanguy en Laverdure tot de televisiereeks De ridders van de hemel. Vanaf de jaren 1970 werkte hij voor de Franse televisiezenders FR3 en TF1, waar hij onderzoeksdocumentaires regisseerde op basis van getuigenissen en onthullende documenten.

Stripscenario’s en televisie

Jean-Michel Charlier werd geboren in Luik en was een Belgische stripscenarist en televisieregisseur. Hij creëerde samen met tekenaar Jean Giraud de avonturenreeks «Blauwbes» en werkte met Albert Uderzo aan «Tanguy en Laverdure». Met Victor Hubinon bedacht hij zowel «Buck Danny» als «Barbe-Rouge». Daarnaast was hij medeoprichter van het stripblad «Pilote» en bekleedde hij er van 1963 tot 1972 de functie van medea-hoofdredacteur. Eind jaren zestig bewerkte hij «Tanguy en Laverdure» tot de televisieserie «Les Chevaliers du ciel». Vanaf de jaren zeventig werkte hij voor de Franse tv-zenders FR3 en TF1, waar hij onderzoeksdocumentaires regisseerde op basis van getuigenissen en schokkende documenten. Hij overleed in Saint-Cloud.

Jeugd, oorlogsjaren en de weg naar de strip

Jean-Michel Charlier werd in Luik geboren als zoon van een bankier en een huisvrouw. Als kind ontdekte hij strips via "Zig et Puce" van Alain Saint-Ogan in "Le Dimanche illustré", "Kuifje" van Hergé in "Le Petit Vingtième" en "Pitche" van Aleksas Stonkus in "La Libre Belgique". Hij las ook graag de literaire werken van Georges Simenon en "De Pardaillans" van Michel Zévaco. Al op jonge leeftijd tekende hij strips in schriftjes en bedacht hij avonturenverhalen. Hij volgde onderwijs aan jezuïetenscholen en deed mee aan de scouts.

Op zestienjarige leeftijd luisterde hij op de radio naar Ray Ventura en zijn orkest, en de film "Tourbillon de Paris" bekeek hij meermaals uit fascinatie. Hij probeerde zich bij de band van Ray Ventura aan te sluiten en liep zelfs weg naar Parijs, maar zonder voldoende geld mislukte dat plan. Tijdens de oorlog richtte hij het vocale gezelschap Le Foss' Nott' Club op en zong hij op clandestiene dansfeesten. Na de Duitse inval in België werkte hij als ambulancechauffeur in het oude militaire hospitaal in Luik. Hij wilde marineofficier worden, maar de oorlog maakte daar een einde aan.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog volgde hij een universitaire opleiding onder Duitse bezetting. Hij weigerde de verplichte Duitse registratie en werd tijdens een razzia opgepakt. De Duitse autoriteiten veroordeelden hem tot een jaar dwangarbeid in Duitsland, maar een Duitse arts verklaarde hem tuberculeus, waardoor hij die arbeid ontliep. In plaats daarvan werd hij een jaar opgesloten in een Belgische fabriek die hoogtemeters produceerde. Daar werd hij gerekruteerd door een trotskistische cel, maar uit die groep werd hij gezet na kritische opmerkingen over de Russische revolutie. Tegen het einde van de oorlog sloot hij zich kort aan bij een slecht georganiseerde verzetsgroep en ontsnapte hij nipt aan ontdekking door de Duitsers.

Tijdens zijn rechtenstudies werd hij door World Press als illustrator aangeworven. Via een zus en "La Gazette de Liège" maakte hij kennis met Georges Troisfontaines, die in hem een veelbelovende tekenaar zag die Al Peclers kon vervangen. Voor "Spirou" illustreerde hij de luchtvaart- en modelbouwpagina's van Troisfontaines. Hij behaalde zijn doctoraat in de rechten en liep daarna stage in een advocatenkantoor, maar hij gaf de voorkeur aan zijn activiteiten bij World Press. Intussen publiceerde hij ook eigen stripverhalen in "Spirou". Onder het pseudoniem Flettner tekende hij de luchtvaartcursussen "La Page illustrée du C.S.A.". Bij World Press raakte hij bevriend met de jonge tekenaar Victor Hubinon; samen maakten ze hun eerste verhaal, "L'Agonie du Bismarck", waarvoor Charlier het scenario en de mechanische tekeningen verzorgde. Dat verhaal verscheen in "Spirou" van 10 juli 1946 tot 2 oktober 1946.

Ontstaan van Buck Danny

De reeks Buck Danny verscheen in 1947 in Robbedoes. Volgens Charlier kwam het idee voor Buck Danny voort uit het lezen van een verslag over de Vliegende Tijgers. Over de vroege uitwerking van de reeks bestaan echter verschillende lezingen. Georges Troisfontaines schreef de eerste dertien pagina’s na een onenigheid met Biographie, en gaf het schrijven daarna aan Biographie door wegens problemen met het publicatieritme. Victor Hubinon verklaarde dan weer dat hij de eerste elf pagina’s had geschreven, voordat Georges Troisfontaines het scenario sterk inkortte. Hubinon vroeg Biographie vervolgens om het Buck Danny-scenario te herwerken. Georges Troisfontaines verkreeg pas in 1997 via een gerechtelijke beslissing juridische erkenning als mede-bedenker van Buck Danny. Ook de vertelling evolueert in de reeks: ze schakelt over van de eerste persoon enkelvoud naar de derde persoon.

Eerste stripsuccessen en werk voor World Press

Tussen 1947 en 1948 werkte Jean-Michel Charlier onder het pseudoniem Charvick mee aan het tijdschrift Bimbo. In die periode illustreerde hij ook een didactische rubriek over marine en luchtvaart, getiteld Le Cours du chef-pilote. Samen met Victor Hubinon creëerde hij de reeks Joë la Tornade, over een Franse onderzoeker in de eilanden van de Stille Oceaan. Albert Weinberg werkte later het tweede deel van deze reeks af.

In 1948 maakte Charlier voor het weekblad Le Moustique het verhaal Tarawa, atoll sanglant. Dat werk bewerkte een oorlogsverhaal van een Amerikaanse correspondent en steunde op uitgebreid onderzoek van Charlier zelf. Hij schreef het scenario en nam ook deel aan de wekelijkse bijeenkomsten waarin medewerkers van World Press nieuwe ideeën en ontwikkelingen bespraken.

Ook met Victor Hubinon werkte hij verder samen aan een biografie van Surcouf, die tussen 1949 en 1952 in Spirou verscheen. Voor die biografie deden zij onderzoek in Saint-Malo bij de nakomelingen van Surcouf. Dupuis gaf het werk uit in drie albums. In diezelfde periode bepaalde Georges Troisfontaines binnen World Press vaste rollen, zoals die van tekenaars, schrijvers, inkters en adverteerders, en Jean-Michel Charlier werd benoemd tot artistiek en redactioneel directeur. Jije raadde hem daarbij aan om te stoppen met tekenen en zich op het schrijven van scenario’s te richten.

Samenwerkingen en reeksen in de jaren 1950

In de jaren 1950 kwam Wereldpers in contact met Internationaal Pers, geleid door Yvan Chéron. Beide uitgeverijen werkten met dezelfde auteurs, maar voor verschillende opdrachtgevers. Binnen de Brusselse kantoren die zij deelden, engageerde Internationaal Pers Albert Uderzo. Charlier stelde vervolgens een samenwerking met Uderzo voor aan de jeugdpagina’s van het bijvoegsel van La Wallonië. Samen besloten zij de reeks Belloy, die Uderzo twee jaar eerder had gecreëerd, verder te zetten. Charlier schreef de scenario’s voor vier Belloy-verhalen die tot 1958 verschenen.

Charlier plaatste ook twee nieuwe reeksen in het jeugdbijvoegsel van La Libre Belgique. Tiger Joe, getekend door Victor Hubinon, ging over een Afrikaanse jachtgids en werd later voortgezet in Pistolin en Piloot. Fanfan en Polo, getekend door Dino Attanasio, draaide rond twee kinderen die met papieren vliegtuigjes rampen veroorzaakten. Na twee verhalen van Charlier nam René Goscinny de scenario’s van Fanfan en Polo over. In 1953 schreef Goscinny bovendien humoristische avonturen van Alain en Christine, getekend door Martial.

Dupuis vroeg Wereldpers om een nieuwe educatieve geïllustreerde rubriek te leveren, uit vrees voor Franse censuur. Charlier herinnerde zich een verhaal uit 1947 voor Hubinon over een Amerikaanse oom die episoden uit de oorlog in de Stille Oceaan vertelde. Daaruit ontstond de vier pagina’s tellende didactische reeks De Mooie Verhalen van Oom Paulus. Het eerste verhaal, Zuidwaarts koers, getekend door Eddy Paape, verscheen in augustus 1951 in het bijvoegsel. De reeks begon tweewekelijks en werd later wekelijks wegens het succes. Charlier schreef minstens negenentwintig verhalen van Oom Paulus tussen 1951 en 1954; daarna volgde Octave Joly hem op tot in de jaren 1980.

In dezelfde periode schreef Charlier de reeks Jean Valhardi voor Wereldpers. Hij leverde het scenario van Le Château maudit en maakte van Arsène een nieuwe nevenfiguur in de reeks. In 1957 schreef hij nog twee andere verhalen voor Eddy Paape en één voor Jijé. Vanaf 1952 verzorgde hij ook de rubriek De Hoek van de Kleine Nieuwsgierigen en de spelletjes voor De Hoek van de Slimmeriken. Na de overname van de inhoud door Wereldpers schreef hij scenario’s voor Bonnes Soirées, met lange sentimentele verhalen geïllustreerd door Jijé of Gérald Forton. In 1953 creëerde hij samen met Gérald Forton de reeks Kim Devil, die zich afspeelde in het Amazonewoud en vier verhalen telde tot 1956. Daarnaast tekende hij samen met Xavier Snoeck romans voor Le Moustique. Na de weigering van Georges Troisfontaines publiceerde hij met Mitacq Patrouille der Beverpatrouille in Kuifje, waarvoor hij scenario’s schreef op basis van eigen scoutsherinneringen en waaraan hij educatieve passages toevoegde om de censoren tevreden te stellen.

Van *Risque-Tout* tot *Pistolin*

Tussen 1955 en 1956 nam Jean-Michel Charlier deel aan het avontuur van het tijdschrift *Risque-Tout*. Samen met Eddy Paape en onder meer in samenwerking met Jean-Michel Charlier werkte hij mee aan de reeks *André Lefort* voor dat blad. De reeks bleef echter onvoltooid door het verdwijnen van *Risque-Tout*. De korte levensduur en de mislukking van het tijdschrift veroorzaakten ook beroering binnen World Press, waar Charlier aanwezig was bij de spanningen die daaruit voortvloeiden. Samen met andere medewerkers stelde hij vragen bij de arbeidsvoorwaarden bij World Press.

Begin 1956 sloot Charlier zich aan bij meerdere auteurs om een charter te ondertekenen met het oog op de oprichting van een schrijversvakbond. Hij raakte daarna betrokken bij het conflict dat ontstond toen Georges Troisfontaines drie ondertekenaars van het charter ontsloeg. Charlier steunde de herplaatsing van twee ontslagen medewerkers, Eddy Paape en Gérald Forton. Toen René Goscinny niet opnieuw werd aangenomen, verliet hij uit solidariteit met Goscinny en Albert Uderzo World Press. Door de represailles van de uitgevers zat hij vervolgens twee jaar zonder werk in de uitgeverij en moest hij kleine baantjes aannemen, zoals deur-aan-deurverkoperswerk, om rond te komen.

Later sloot Charlier zich samen met Jean Hébrard, René Goscinny en Albert Uderzo aan bij de oprichting van een door Hébrard geleide onderneming. Hij maakte deel uit van de twee bureaus ÉdiFrance, voor reclame, en ÉdiPresse, voor het leveren van krantenteksten. Ook werkte hij mee aan de aankoop van het reclameblad *Pistolin*. Voor dat tijdschrift werd hij samen met René Goscinny hoofdredacteur. In *Pistolin* publiceerde hij verschillende reeksen, waaronder *Tiger Joe*, *Belloy*, *Rosine, klein modelmeisje* en *De grote namen uit de geschiedenis van Frankrijk*. Daarnaast schreef hij voor elk nummer de rubriek *De heroïsche kinderen*, evenals spelpagina’s, korte romans en didactische dossiers. Ook creëerde hij het reclameblad *Jeannot*. Uiteindelijk verscheen het laatste nummer van *Pistolin*.

Advertenties en mislukte tijdschriftprojecten

Jean-Michel Charlier werkte samen met Albert Uderzo aan reclameprojecten voor grote bedrijven. Daarnaast maakte hij kleine boekjes met reclame-strips die ondernemingen aan hun klanten konden aanbieden. Hij bedacht ook een jeugdbijlage die in dagbladen kon worden ingevoegd. Voor die bijlage creëerde hij verschillende strips, onder meer over militaire luchtvaart, avonturen met de degen en liefdesverhalen. Hij probeerde ook een westernstrip uit die vooruitliep op Blueberry, maar die uiteindelijk niet in de jeugdbijlage werd opgenomen. Het project Le Supplément Illustré ging echter niet van start om financiële redenen. Alleen de reeks Clairette, getekend door Albert Uderzo, werd later gebruikt in het weekblad Paris Flirt. In 1957 stelde Biographie een tijdschrift voor met de titel Radio-Télé, met ernstige artikels en parodieën over de media, maar ook dat bleef steken in de proeffase.

Van scenario’s tot tijdschriften

Jean-Michel Charlier bleef scenario’s schrijven terwijl hij intussen ook aan tijdschriften werkte. Hij nam contact op met André Fernez, hoofdredacteur van *Kuifje*, en kreeg er de opdracht om geïllustreerde romans te schrijven. In *Kuifje* publiceerde hij vervolgens verschillende romans, eerst onder het pseudoniem Michel Philippe en later onder zijn eigen naam. Daarnaast schreef hij anoniem voor *Robbedoes*, waar de schrijver toen door de tekenaar werd aangeworven en betaald.

Voor *Robbedoes* bedacht Charlier ook nieuwe reeksen. Zo creëerde hij *Thierry de Chevalier*, een reeks die zich afspeelt in de middeleeuwen en getekend werd door Carlos Laffond. Rond 1953 maakte hij bovendien de reportage-reeks *Marc Dacier* voor Eddy Paape, een reeks die werd bedacht omdat Paape een nieuwe serie nodig had. *Marc Dacier* was geïnspireerd op de wereldreis van Alain de Prelle met een Belgische brief van duizend frank en op het boek *Les Cinq Sous de Lavarède*. De reeks bracht in bijna tien jaar dertien verhalen voort.

In 1958 ging Charlier met zijn agentschap samen met Radio Luxemburg samenwerken om een jeugdblad op te zetten dat leek op *Paris Match*. Zijn ploeg maakte verschillende proefversies om adverteerders te overtuigen. Daaruit groeide *Pilote*, waarvan het eerste nummer verscheen. De redactie bestond uit Albert Uderzo, René Goscinny en Charlier als artistiek directeur. In het blad verzorgde Charlier ook anonieme rubrieken en educatieve teksten, terwijl veel reportageschrijfsters en -schrijvers van Radio Luxemburg deel uitmaakten van zijn team.

In het eerste nummer van *Pilote* creëerde Charlier meteen twee nieuwe stripreeksen. De eerste was *Michel Tanguy*, getekend door Albert Uderzo. Hij baseerde het personage op een Franse piloot, Marc Laurent, uit een proefontwerp voor het *Supplément Illustré*, en gaf hem de naam Michel Tanguy samen met de onhandige kameraad Ernest Laverdure. De tweede reeks was *Roodbaard*, getekend door Victor Hubinon. Charlier liet zich voor die reeks inspireren door de Engelse piraat Zwartbaard en door avonturenverhalen uit zijn jeugd. Hij schreef intussen ook piratenverhalen voor *Oom Paul*, *De Grote Namen uit de Geschiedenis van Frankrijk* en de *Surcouf*-reeks.

Hoewel Victor Hubinon al zwaar belast was met *Buck Danny*, wist Charlier hem toch te overtuigen om aan *Roodbaard* te beginnen. Later creëerde hij in *Pilote* ook *Jacques Le Gall*, getekend door Mitacq, over een jonge kampeerder die fantastische avonturen beleeft. Tussen 1959 en 1967 verschenen in *Pilote* zes verhalen uit die reeks.

Tegelijk werkte Charlier ook voor uitgeverij Dupuis. Dat leidde tot spanningen met Charles Dupuis, die wilde dat tekenaars zelf hun scenario’s schreven. Ook met hoofdredacteur Yvan Delporte van *Robbedoes* kon Charlier niet goed opschieten. Verder schreef hij fotostrips voor het vrouwenblad *Goede Avondjes*, die hij situeerde rond zijn verloofde Nadine Latier. In 1960 creëerde hij voor *Robbedoes* ook *Simba Lee*, getekend door Herbert, over een grootwildjager in twee avonturen. Daarnaast schreef hij tussen 1959 en 1962 drie anonieme verhalen van *Dan Cooper* om zijn vriend Albert Weinberg te helpen.

Overname en heroriëntering van Pilote

Een jaar na de oprichting kreeg het weekblad Pilote te maken met financiële moeilijkheden. Verschillende uitgevers van kinderpers probeerden het blad over te nemen, terwijl Jean-Michel Charlier persoonlijk de onderhandelingen met Dupuis voerde. Uiteindelijk verwierf Dargaud Pilote nadat andere uitgevers hadden meegeboden, waarna het bedrijf zijn kapitaal verhoogde. Jean-Michel Charlier, Albert Uderzo en René Goscinny verkochten hun aandelen, maar bleven wel vaste medewerkers van het blad.

Na de overname wijzigde Pilote zijn formule en legde het meer nadruk op yéyés dan op strips. Die koerswijziging leverde echter geen groot publiek op, en het blad bleef moeite hebben om een lezerspubliek te vinden. Er volgde een opeenvolging van hoofdredacteurs, zonder dat dit de situatie echt verbeterde. Dargaud stelde daarop Jean-Michel Charlier en René Goscinny voor een ultimatum: het blad leiden of ermee stoppen. Zij werden vervolgens samen hoofdredacteuren van Pilote en richtten het tijdschrift onmiddellijk opnieuw op strips.

Van « Guy Lebleu » tot « Blueberry »

Jean-Michel Charlier creëerde in de geschiedenis van « Biographie » de reeks « Guy Lebleu ». Deze strip, getekend door Raymond Poïvet, volgde een reporter van « Allô D.M.A » op Radio-Luxemburg. In latere verhalen verschoof « Guy Lebleu » naar meer traditionele politie-avonturen. In dezelfde periode stelde Dargaud Jean-Michel Charlier en René Goscinny aan als hoofdredacteurs van het tijdschrift « Record », dat werd gelanceerd in samenwerking met La Bonne Presse. Voor dat blad schreef Charlier ook geïllustreerde spelletjes van Will en de verhalen van « Ned Tiger », getekend door Eddy Paape. Daarnaast werkte hij in de jaren 1950 aan westerse verhalen die aan « Fort Navajo » deden denken.

Begin 1963 berichtte Jean-Michel Charlier vanaf Edwards Air Force Base in de Verenigde Staten. Zijn ontmoeting met de Pueblo-stam inspireerde hem tot het idee voor een westernstrip. Daarna nam hij contact op met Jijé, die Jean Giraud als assistent aanbeval voor de nieuwe reeks. Jean Giraud had Charlier een jaar eerder al gevraagd om een verhaal over het Wilde Westen te schrijven. Zo begon « Fort Navajo », het eerste avontuur van « Blueberry », in het volume van 1963 van « Pilote ». In tegenstelling tot andere militaire reeksen van Charlier gaat het om een soldaat die het leger niet graag ziet, terwijl de reeks ook de inheemse Amerikanen steunt in het verhaal.

Werk bij Dargaud en in tijdschriften

In de jaren zestig probeerde Dargaud Jean-Michel Charlier exclusief aan zich te binden. In 1967 werd hij samen met Albert Uderzo medehoofdredacteur van het weekblad L'Illustré du dimanche, dat door Dargaud werd uitgegeven en als bijlage bij vele Franse dagbladen verscheen. Het blad bestond uit herdrukken uit Pilote, Spirou, Robbedoes en het Leven van Micky, aangevuld met enkele onuitgegeven werken, en telde in totaal vierentwintig nummers.

Ondertussen bleef Charlier scenario’s schrijven voor Robbedoes, onder meer voor De Patrouille van de Bevers, Buck Danny en De Avonturen van Marco Polo. Nadat Uderzo zich op Asterix had toegelegd, werd de tekenreeks Tanguy en Laverdure in 1966 grafisch overgenomen door Jijé, die in de oorspronkelijke teksten van Charlier de strippassages inkortte. In de reeks Asterix parodieerde Michel Greg vanaf 1964 Charlier ook in Achille Talon, waar hij hem afbeeldde met een grote boterham.

Geschillen over auteursrechten en redactionele koers

World Press trad op als tussenpersoon tussen de Uitgaven Dupuis en Biografie, en trok van meet af aan de auteursroyalties af van Biografie. De tekenaar van « De Ruiterpatrouille » zette daarop een juridische procedure in gang tegen World Press. Het contract tussen Biographie en World Press werd in een niet nader genoemd jaar beëindigd. Voor werken die vóór het gerechtelijk vonnis waren verschenen, bleef de verdeling van de royalties tot 2000 ongewijzigd. Na de uitspraak stopte World Press met de productie van stripverhalen, waardoor de auteurs van hun verbintenissen werden bevrijd.

In een niet nader genoemde maand en jaar kwamen enkele auteurs ook in verzet tegen de twee hoofdredacteurs van het tijdschrift. René Goscinny zette de leiders Nikita Mandryka en Jean Giraud buiten na een aanklacht voor een volkstribunaal. Biografie greep in om Nikita Mandryka en Jean Giraud opnieuw in Pilote te laten opnemen. Daarna verslechterde de sfeer binnen de redactie verder. René Goscinny legde bovendien een redactionele lijn op die op een volwassen publiek was gericht.

Van redactionele functies tot nieuwe reeksen

Jean-Michel Charlier ondersteunde met zijn biografie een redactionele lijn die op adolescenten was gericht. In de loop van de jaren verdwenen zijn reeksen geleidelijk uit Pilote: Barbe Rouge in 1969, Michel Tanguy in 1971 en Blueberry in 1973. Op een niet nader gespecificeerde datum nam hij ontslag als medecobonshoofdredacteur. Nadien benoemde Dargaud hem tot literair directeur, met verantwoordelijkheid voor de albumuitgaven.

In 1970 lanceerde Charlier voor het tijdschrift Spirou de nieuwe reeks Brice Bolt. Daarvoor werkte hij samen met de Spaanse tekenaar Aldoma Puig. Zijn eerste idee was om Marc Dacier nieuw leven in te blazen, maar door Puigs andere tekenstijl koos hij uiteindelijk voor een nieuwe held. Brice Bolt bleef echter beperkt tot twee afleveringen.

In 1974 verliet Charlier de uitgeverij Dargaud na meningsverschillen over het redactionele beleid. Vervolgens begon hij een conflict van vijf jaar met Dargaud over het beheer van de auteursrechten. In 1976 creëerde hij voor Pilote Jim Cutlass, de laatste western van het duo Charlier/Giroux. De voortzetting van Jim Cutlass liet hij in 1979 publiceren in het maandblad Métal Hurlant.

Datzelfde jaar 1976 werd Charlier door Ifford aangeboden en aanvaardde hij de functie van hoofdredacteur van de Franse editie van Tintin. Hij stelde er een redactioneel team samen en publiceerde er onder meer de reeksen Tanguy en Laverdure en Guy Lebleu. In 1977 weigerde hij het contract voor Tintin te verlengen, omdat de sterke beperkingen hem dwarszaten. De Franse versie had immers de contractuele verplichting om dezelfde inhoud te leveren als de Belgische editie.

In februari 1979 werd Charlier door de Duitse persgroep Axel Springer aangeworven voor het Europese stripweekblad Super As. Daar verschenen wekelijks onder meer Blueberry, Barbe-Rouge en Tanguy en Laverdure. Ook creëerde hij er de nieuwe reeks Les Gringos, gebaseerd op documentatie over de Mexicaanse revolutie, met tekeningen van de Spaanse kunstenaar Víctor de la Fuente. Ook deze reeks telde slechts twee afleveringen.

Televisie en onderzoeksreeksen

In 1966 werd aan Jean-Michel Charlier de bewerking van «Les Aventures de Tanguy et Laverdure» tot een televisieserie door de ORTF aangeboden. Daarna schreef hij scenario’s voor de reeks «Les Chevaliers du ciel», geregisseerd door François Villiers en uitgezonden op de eerste zender van de ORTF. Die serie liep drie seizoenen en kende zowel in Frankrijk als in het buitenland een groot commercieel succes. In 1974 schreef Charlier ook twee afleveringen voor de Frans-Duitse reeks «Les Aventures du capitaine Lückner», waarvan een deel door François Villiers werd geregisseerd en die op de derde zender van de ORTF werd uitgezonden.

Op de derde zender van de ORTF werd Charlier vervolgens door Jean-Louis Guillaud gerekruteerd om de onderzoeksreeks «Les Dossiers noirs» te maken, gewijd aan zaken uit de twintigste eeuw. Die reeks liep van 1973 tot 1978. Intussen reisde Charlier naar de Verenigde Staten en Italië om onderzoeken te filmen, terwijl hij tegelijk verder comicsscenario’s bleef schrijven. In 1974 speelde hij ook mee in de film «Stavisky» van Alain Resnais, in de rol van een zwijgende commissaris.

In 1978 ontmoette hij Léon Degrelle, voormalig Belgisch SS-lid en vluchteling in Spanje. Daaruit ontstond de documentaire «Léon Degrelle, autoportrait d’un fasciste», die door FR3 zonder uitleg werd uitgesteld en pas in 1992 werd uitgezonden. Nadat Jean-Louis Guillaud was benoemd tot algemeen directeur van TF1, volgde Charlier hem en maakte hij in 1981 de onderzoeksreeks «Les Grandes Enquêtes de TF1» over de maffia, gevolgd door «Histoire secrète du pétrole» in 1985. Vanaf 1987 bereidde hij de documentaire reeks «Services secrets» voor; die werd in 1989 uitgezonden, kort na zijn overlijden. Charlier stond zelf in voor de regie en montage van de onderzoeken.

Huwelijk en nalatenschap

In 1953 huwde Jean-Michel Charlier met het model Christine Lagarrigue. Een jaar later kregen zij een zoon, Philippe Charlier. Het gezin vestigde zich definitief in Sint-Cloud, in de Parijse voorsteden. Veel van Charliers reportages werden nadien bewerkt tot boeken die werden uitgegeven door Robert Laffont.

Na Charliers overlijden in Parijs, op een niet nader vermelde leeftijd, aan een nierinfectie, werd hij begraven op het kerkhof van Sint-Cloud in Hauts-de-Seine. Zijn laatste verhaal met een privaat maritiem politieofficier verscheen postuum in het tijdschrift Okapi. Nadat zijn erfgenamen een rechtszaak tegen Novedi hadden verloren, sloten zij een overeenkomst met de Zwitserse uitgever Alpen Publishers. Philippe Charlier beheerde vervolgens zorgvuldig het werk van zijn vader en de voortzetting van de reeksen.

Verhaalstijl en terugkerende motieven

De stijl van Jean-Michel Charlier wordt soms omschreven als „Alexandre Dumas van de strip”. Hij geldt als een uitstekende verteller die de lezer van begin tot eind weet te boeien en de spanning vasthoudt. In zijn verhalen is de lezer vaak evenzeer geïnteresseerd in de goede als in de slechte personages. De intriges zijn geregeld psychologisch van aard, met personages die aan zichzelf twijfelen of met chantage worden geconfronteerd. De held heeft doorgaans een scoutsachtige persoonlijkheid, overeenkomstig de jeugdverhaalcriteria van die tijd, terwijl de nevenpersonages vaak psychologisch interessanter zijn. In zijn uiteenlopende stripreeksen komen bovendien vaak gelijkaardige scènes terug. Zo wordt in een avontuur van Buck Danny, NC-22654, een burgervliegtuig per vergissing neergeschoten door piraten die een goudtransport viseren. In het album Piraten van de lucht uit Tanguy en Laverdure gebeurt iets gelijkaardigs: daar wordt een burgervliegtuig per vergissing neergeschoten door een huurling die een Afrikaanse politieke leider viseert. In beide verhalen zetten de held en zijn vrienden een val op voor de luchtpiraten, maar slecht weer verstoort hun plan.

Scroll naar boven