Yvan Delporte

Portret van Yvan Delporte in 2004
Portret van Yvan Delporte in 2004

Yvan Delporte werd geboren in Sint-Gillis (Brussel) en overleed in Brussel (Brussels Hoofdstedelijk Gewest). Hij was een Franstalige Belgische stripscenarist die in 1945 bij Dupuis begon als manusje-van-alles. In 1955 werd hij onofficieel hoofd van de redactie van Robbedoes, waar hij van 1955 tot 1968 hoofdredacteur was. Onder zijn leiding werkte het weekblad met animaties en speciale nummers, en hij bracht een ploeg auteurs samen met onder meer André Franquin, Peyo, Morris, Maurice Tillieux en Jean Roba. In 1968 werd hij ontslagen, officieel door een misverstand met Peyo en onofficieel wegens een chaotisch beheer op administratief, boekhoudkundig en commercieel vlak. Delporte schreef scenario’s voor verschillende auteurs, waaronder het bekende Le Schtroumpfissime, en werkte later aan reeksen voor René Follet en Dino Attanasio. Hij creëerde ook Isabelle met Raymond Macherot voor Will, en animeerde die reeks met André Franquin tot 1994. Daarnaast richtte hij in 1977 Le Trombone illustré op, werkte in de jaren 1980 mee aan de animatieserie De Smurfen bij Hanna-Barbera Productions, schreef scenario’s voor Frédéric Jannin, Jean Roba en Carine De Brab, en creëerde in die periode ook een vakbond.

Van Dupuis tot hoofdredacteur van Robbedoes

Yvan Delporte trad in 1945 in dienst bij Dupuis als klusjesman. In 1955 werd hij er onofficieel het hoofd van de redactie van het geïllustreerde weekblad Robbedoes, en van datzelfde jaar tot 1968 was hij officieel hoofdredacteur. In die periode gaf hij het blad mee vorm met animaties en speciale nummers. Hij bracht daarbij een ploeg van auteurs samen met onder meer André Franquin, Peyo, Morris, Maurice Tillieux en Jean Roba.

Zijn ontslag in 1968 werd officieel verklaard door een misverstand met Peyo, maar onofficieel ook door een chaotisch beheer op administratief, boekhoudkundig en commercieel vlak. Na zijn vertrek uit Robbedoes bleef Delporte actief als scenarioschrijver. Hij schreef onder meer scenario’s voor verschillende auteurs, waaronder het bekende De Smurfenkoppel? Nee, de beroemde Le Schtroumpfissime. Later werkte hij ook serieus aan reeksen voor auteurs als René Follet en Dino Attanasio.

Naast zijn werk voor Robbedoes bleef hij nieuwe initiatieven ontwikkelen. Zo creëerde hij samen met Raymond Macherot de reeks Isabelle voor Will, en bleef hij die reeks samen met André Franquin animeren tot 1994. In 1977 richtte hij binnen Robbedoes het onafhankelijke bijblad Le Trombone illustré op, waarin hij de populairste auteurs van die tijd samenbracht, maar dat werd een jaar later stopgezet na verschillende censuuracties van de uitgever.

Jeugd, oorlog en begin bij Dupuis

Yvan Delporte werd geboren in Sint-Gillis, een gemeente van het Brusselse gewest. Zijn vader werkte in de internationale handel, terwijl zijn moeder wat naaiwerk deed. Toen Yvan zes of zeven jaar oud was, overleed zijn vader. Daarna probeerde zijn moeder het gezin te onderhouden, samen met Yvan en zijn oudere broer Philippe.

Als kind las Delporte veel en uiteenlopend: detectiveromans, Joodse verhalen, en legendes uit de Noorse en Griekse mythologie. Zijn lievelingstekst werd "Cyrano de Bergerac" van Edmond Rostand. Hij las ook Amerikaanse stripvertalingen en reeksen zoals "Kuifje" en "Nic-Nac". Tijdens de Bezetting verhuisde het gezin van Brussel naar Charleroi. Daar sloot zijn broer zich aan bij het Belgische binnenlandse Verzet, maar in 1943 verdween hij tijdens een operatie tegen de bezetter.

In Charleroi maakte Delporte deel uit van een vriendengroep, met onder anderen Maurice Rosy. Hij viel er op door zijn bijzondere gedrag, bijvoorbeeld door op de middenbrug van de stad te gaan liggen. Ook liet hij een baard staan en zei hij dat hij er dagelijks aan vergat om zeep of scheerzeep te kopen.

In 1945 kwam Delporte via zijn oom, die bevriend was met de zonen van Jean Dupuis, bij Uitgeverij Dupuis terecht. Hij begon er als assistent-fotograveur en kreeg allerlei taken, waaronder het retoucheren van Amerikaanse strips die in "Robbedoes" verschenen. Om katholieke lezers niet te choqueren, verlengde hij bij vrouwelijke personages rokken en bedekte hij diepe decolletés. Hij tekende ook titels van sommige reeksen opnieuw, zoals "Jo Lumière". Door een ziekte veroorzaakt door giftige producten van de fotogravure werd hij later overgeplaatst naar de redactie van "Robbedoes", "De Happel" en "Goede Week". Daar werkte hij mee aan de lay-out en aan vertalingen, omdat hij Engels sprak.

In 1948 kreeg hij in "De Moustik" een rubriek met de titel "Le Pithécanthrope". Nadien werd hij redacteur bij "Robbedoes" en begon hij scenario's te schrijven voor auteurs van het blad. Zijn eerste scenario stelde hij in 1949 voor aan Eddy Paape, voor het verhaal "Op jacht naar Max Clair" uit de reeks "Jan Valhardi". Hij schreef ook het einde van verhalen voor Paape wanneer die vastzat. Delporte werkte thuis om zich af te zonderen van het lawaai op de redactie en kwam daardoor vaak te laat. De familie Dupuis ontsloeg hem om te vermijden dat zijn laattijdigheid zou overslaan op andere personeelsleden. De volgende dag keerde hij echter terug naar het blad om zich opnieuw aan te bieden, nadat hij had vernomen dat er de dag voordien een personeelslid ontslagen was. Vervolgens werd hij weer aangenomen. Later nam hij zijn vriend Maurice Rosy in dienst bij Dupuis.

Een artistieke ontmoetingsplaats in Charleroi

In 1951 richtte een groep vrienden met onder wie Yvan Delporte in de zolder van een bioscoop in Charleroi een half-privéclub op. De groep gaf de club een naam met de bedoeling er een ontmoetingsplaats voor kunstenaars van te maken, naar het voorbeeld van Saint-Germain-des-Prés. Er werden een bar, een podium, een piano en tafels geplaatst, en er werden jazzconcerten georganiseerd waarbij de toeschouwers drank konden bestellen. Yvan Delporte speelde er piano en werd artistiek adviseur van de club.

De club trok ook bezoekers aan uit de culturele wereld. Bekende figuren zoals Danièle Delorme en Ray Ventura kwamen er langs nadat zij films hadden voorgesteld in de bioscoop eronder. Ook zangeres Barbara trad er een tijdlang op en verbleef bij Yvan Delporte thuis. Mogelijk schreef Delporte voor haar liederen, en hij zou ook de tekst hebben geschreven van het lied 'Dis, quand reviendras-tu?'. Na haar vertrek hielden Yvan Delporte en Barbara contact.

Naast deze clubactiviteiten opende de groep nog een andere, volledig besloten club boven een garage. Daarnaast bracht zij een klein tijdschrift uit, La Sarbacane, waarvoor Yvan Delporte teksten schreef en de opmaak verzorgde. In dat tijdschrift verschenen surrealistische teksten. De groep vormde ook een beweging met een onconventionele en eigenzinnige leer.

Militaire dienst in Luik

Yvan Delporte begon zijn militaire dienst in 1953 in het militair hospitaal van Luik. Door die dienst hoefde hij geen geweer te dragen. Hij was uitgesproken antimilitaristisch, onder meer omdat een broer in de oorlog was omgekomen. Tijdens zijn diensttijd hield hij zich vooral bezig met karweitjes en grappen, waaronder het zich uitgeven voor moslim om een speciale identiteitskaart te krijgen. Zijn militaire dienst eindigde in 1955. Daarna verhuisde de redactie van Spirou van Marcinelle naar de Galerie du Centre in Brussel.

Risque-Tout en de leiding over Spirou

Dupuis werkte samen met World Press, dat in hetzelfde gebouw was gevestigd als het nieuwe kantoor van Spirou. Samen lanceerden zij een nieuw stripblad, Risque-Tout. Omdat Georges Troisfontaines en Yvan Delporte niet goed met elkaar overweg konden, werd Maurice Rosy hoofdredacteur van dat blad. Rosy vond echter dat Delporte die functie meer verdiende en vroeg hem om advies en verbeteringen. De uitgave van Risque-Tout was van korte duur. Nadat het blad was stopgezet, nam Yvan Delporte de volledige leiding over Spirou op zich.

Volgens de biografie wilde Charles Dupuis het tijdschrift een humoristischere toon geven en beschouwde hij Yvan Delporte als de ideale persoon voor die opdracht. Delporte ontdekte zelfs toevallig dat hij de titel van hoofdredacteur van het blad droeg. Charles Dupuis bleef echter de werkelijke eigenaar en baas van Spirou: hij besliste over scenario’s en publicaties. Delporte filterde de teksten en gaf zijn mening aan Dupuis over wat werd doorgestuurd. Daarnaast deelde hij met Charles Jadoul de verantwoordelijkheid om de redactionele stukken voor het weekblad te verzamelen. Na het avontuur van Risque-Tout werd Maurice Rosy artistiek directeur bij Dupuis.

De ploeg rond *Spirou* en de geboorte van Gaston

Onder de leiding van Ivan Delporte groeide *Spirou* uit tot een hechte ploeg waarin de auteurs niet alleen bijdragen leverden aan het tijdschrift, maar elkaar ook actief hielpen. Delporte wilde een team samenbrengen dat alle *Spirou*-auteurs verenigde. Daarvoor werden er vaak auteursvergaderingen gehouden om nieuwe ideeën te zoeken en reeksen te verbeteren. Die bijeenkomsten vonden meestal plaats bij de huizen van Peyo of van Karel Dupuis, vaak met de gezinnen erbij. Zo kreeg *Spirou* het karakter van een grote familie.

In die sfeer van samenwerking en uitwisseling ontstond ook Gaston. André Franquin kwam bij Ivan Delporte op kantoor met het idee om een werkloze held te creëren. Samen werkten ze dat idee verder uit in een café vlak bij de redactie. Franquin tekende de toekomstige figuur, terwijl Delporte de eerste gags bedacht. De naam Gaston werd gekozen als eerbetoon aan Delportes vriend Gaston Mostraet, die als een echte klungel werd beschouwd. Franquin geldt als de bedenker van Gaston, maar Delportes enthousiasme overtuigde hem ervan om voor de tijdschriftpagina’s gags uit te werken. Het basisidee was eenvoudig: elke week moest Gaston een nieuwe blunder begaan.

Gaston verscheen vanaf 1957 in *Spirou*. De eerste scenario’s en teksten waren van Delporte. Ook het idee om de tekeningen met kleine blauwe voetafdrukjes te omringen kwam van hem. Delporte gaf bovendien ideeën aan Franquin voor de eerste gags van de reeks. Later nam Franquin de reeks alleen over. De schriftuur van de reeks had weinig met de werkelijkheid te maken, al verscheen Delporte één keer zelf in een prent. Sommige situaties waren wel geïnspireerd op echte gebeurtenissen, zoals een koe op de kantoren van Dupuis. Franquin en Delporte overtuigden Karel Dupuis om een koe te kopen die Franquin als model kon gebruiken. De gags over Gaston speelden zich in werkelijkheid af in de Galerie van het Centrum; de koe kwam nadien op een boerderij terecht en werd als geschenk aan een lezer gegeven. De reeks gags leidde zelfs tot de fictieve ontslagname van Gaston Lagaffe. Delporte riep de lezers op om onder het pseudoniem Fantasio naar Karel Dupuis te schrijven met de vraag om hem weer in dienst te nemen.

Ook in de redactionele werking van *Spirou* speelde Delporte een centrale rol. Het *Spirou* van zijn periode wilde de lezers betrekken bij de activiteiten van de redactie. Karel Dupuis en Delporte verzamelden de auteurs wekelijks in een café in de buurt van de redactie. Daar waren onder meer André Franquin, Jijé, Peyo, Eddy Paape en Morris vaak aanwezig. De groep moest ideeën aanbrengen voor evenementen en speciale nummers. Delporte leidde die vergaderingen en verzamelde de voorstellen. Morris hielp hem vaak bij de voorbereiding van speciale uitgaven. Niet alle ideeën werden behouden: sommige voorstellen werden afgewezen, zoals een ganzenspel op de kruisweg of geheime boodschappen die met sperma onthuld zouden worden. Karel Dupuis had uiteindelijk het laatste woord over de publicatie in het katholieke kinderblad.

Delporte werkte ook vaak laat in de nacht alleen op de redactie aan teksten voor *Spirou*. Soms bedacht hij ideeën terwijl hij thuis op zijn sofa lag, zonder op kantoor te zijn. In 1959 kwam hij op het idee om volledige kleine albums van achtenveertig pagina’s in *Spirou* op te nemen. Op zijn vraag hergebruikte Peyo de Smurfen uit *Johan en Pirrewiet* voor die kleine albums. Delporte schreef de eerste mini-verhaal, *De Zwarte Smurfen*, dat in *Spirou* verscheen. Hij produceerde ongeveer tien mini-verhalen, getekend door populaire *Spirou*-auteurs. Begin 1960 veranderde hij het formaat in kleine albums van zesendertig pagina’s voor wekelijkse verhalen. Via die mini-verhalen stelde hij ook een nieuwe generatie auteurs voor, onder wie Paul Deliège, Noël Bissot, Louis Salvérius en Charles Degotte.

De leeuw Pinky

Yvan Delporte kreeg via Charles Dupuis van José Ramón Larraz een leeuwenwelp met de naam Pinky. Hij hield de leeuw bijna een jaar lang thuis in zijn appartement, samen met zijn gezin. Voor fotosessies bracht hij Pinky aan de leiband mee naar de redactie. Toen de leeuw volwassen werd, gaf Delporte hem door aan het Cirque Jean Richard.

Scenario’s en samenwerkingen in de jaren 1950 en 1960

In de late jaren 1950 schreef Yvan Delporte verschillende scenario’s voor de tekenaars van de redactie. Hij leverde onder meer drie of vier verhalen van Alain Cardan voor Gérald Forton, een sciencefictionreeks die zich in de ruimte afspeelt. In deze verhalen verzet Charles Dupuis zich tegen buitenaardse wezens. In 1958 schreef Delporte ook teksten voor René Hausman en de reeks Saki.

Vanaf 1961 bleef hij actief met nieuwe reeksen en losse bijdragen. Hij schreef de eerste aflevering van Starter voor Jidéhem en het scenario van La Voiture à quatre dimensions voor Bonux Boy, eveneens voor Jidéhem. Daarnaast maakte hij verschillende teksten voor Le Coin des dégourdis, de spelrubriek van Eddy Paape, en schreef hij twee verhalen van La Ribambelle voor Jean Roba.

Delporte hielp Peyo ook met ideeën tijdens brainstormsessies wanneer er problemen in een verhaal op te lossen waren. In dezelfde periode schreef hij vooral redactionele teksten, zoals En direct de la rédaction en L’Avis de chien de Bill. Hij vulde ook lege pagina’s van het weekblad op met verhalen en scenario’s die de tekenaars moesten omzetten in strips.

Na geruchten over de publicatievoorwaarden in Robbedoes stopte Delporte met het schrijven van scenario’s. Daarna schreef hij uitsluitend nog voor grote auteurs zoals André Franquin, Jean Roba en Peyo. In 1964 werkte hij samen met Peyo aan De allerhoogste Smurf en bedacht hij verschillende grappen over politieke beloften en leugens in dat verhaal.

Werk bij *Kuifje* en conflicten bij Dupuis

Als hoofd van de redactie van *Kuifje* zorgde Yvan Delporte ervoor dat Franstalige jonge lezers via het weekblad kennismaakten met strips uit andere hoeken van de wereld. Hij nam de rubriek *Negende kunst* van Morris op, die gewijd was aan oude en actuele stripuitgaven uit de hele wereld, en hij lanceerde samen met Maurits Rosy de reeks *Gag de Poche*. Via die collectie werden onder meer *Pogo* van Walt Kelly en *Peanuts* van Charles Monroe Schulz voor het eerst in het Frans gepubliceerd. Delporte vertaalde beide reeksen zelf. Hij bewerkte en publiceerde ook Nederlandse reeksen zoals *De rechter Ti*.

Zijn werktempo lag bijzonder hoog: hij werkte wekelijks tot op het laatste moment aan de redactionele teksten en illustraties van *Kuifje*. Dat zorgde bij Dupuis voor hogere drukwerkkosten door overuren. Tegelijk ondervond hij moeilijkheden met het beheer van het team, onder meer door vertragingen en problemen met facturatie van stripplaten van hoofdtekenaars. Binnen de administratie werd daarom een systeem ingevoerd waarbij auteurs ‘reçus’ moesten indienen om betaald te worden voor hun platen.

De spanningen namen toe toen de verkoop van *Kuifje* daalde door de opkomst van het tijdschrift *Pilote*, wat wrevel veroorzaakte binnen de familie Dupuis. Delporte trad op als vakbondsafgevaardigde en pleitte voor hogere vergoedingen voor auteurs. Hij raadde auteurs zelfs aan om tijdens onderhandelingen maximale contracten van Dupuis te vragen. De familie Dupuis vond het onaanvaardbaar dat een bestuurder zoals Delporte tegelijk vakbondsafgevaardigde was.

Ook met de Belgische landmacht, een belangrijke adverteerder in *Kuifje*, kwam hij in conflict. Nadat een grote advertentiecampagne voor rekrutering een jaar lang maandelijks in het blad had gestaan en het budget mee hielp in evenwicht te houden, maakte Delporte als antimilitarist een parodie op de advertentielay-out, waarin hij het niet-bestaande Belgische onderwaterleger prees. Zowel het reclamebureau als de Belgische landmacht weigerden daarna verdere advertenties in *Kuifje*. Paul Dupuis gaf Delporte de schuld van het financiële verlies dat daaruit voortkwam.

In 1968 reageerde Delporte in de lezersbriefenkolom nog humoristisch op een brief die vroeg wanneer Peyo een nieuw album van de Smurfen zou publiceren. Die reactie beledigde Peyo, die daarover bij het management klacht indiende. Paul Dupuis maakte van de afwezigheid van Karel Dupuis gebruik om Delporte als hoofdredacteur te ontslaan. Delporte werd door het ontslag zwaar getroffen, maar kreeg door de Belgische arbeidswetgeving een aanzienlijke vergoeding in een minnelijke regeling. Na hem volgden verschillende interim-hoofdredacteurs, tot Thierry Martens in 1969 werd aangesteld.

Werk buiten het tijdschrift 《Robbedoes》

Naast zijn werk voor de reeks 《Robbedoes》 schreef Biografie ook scenario’s voor auteurs buiten die uitgeverij. Toen Greg, hoofdredacteur van het tijdschrift 《Kuifje》, hem contacteerde om het blad een luchtiger toon te geven, werkte Biografie daar enkele maanden als hoofdredacteur van de Franse versie. Zijn taak bestond erin de inhoud en de lay-out voor te bereiden vóór de verschijning van het eerste nummer.

Voor de Belgische bijlage van 《Kuifje》 schreef hij in 1972 de reeks 《Het geheim van de geheime chicon》, getekend door Verli en elke week van titel veranderend. Voor 《Le Journal de Mickey》 werkte hij aan de humoristische reeks 《Onkr》, getekend door Tenas, met een versteende holbewoner als held die in de moderne tijd weer tot leven komt. Hij bedacht ook de personages van 《De Zingari》 voor René Follet. Daarnaast verzorgde hij voor 《Mickey》 een didactische column over de Jongverkenners, samen met tekenaars als Lucien De Gieter en Eddy Ryssack. Aan die rubriek werkte hij ook samen met Yvan Delporte, en ze leidde uiteindelijk tot het boek 《Handleiding voor Jongverkenners》.

Biografie werkte ook mee aan andere reeksen na zijn vertrek bij Dupuis. Hij schreef een kort scenario voor een speciale paasuitgave van 《Robbedoes》 met een personage genaamd Catherine. Raymond Macherot sloot zich aan bij Biografie en Will om de verhalen een magisch en fantastisch element te geven. De heldin kreeg later de naam Isabelle. Toen Will de reeks stopzette omdat Dupuis weinig belangstelling toonde voor het personage, stelde André Franquin voor om het scenario samen met Biografie te hervatten en de reeks 《Isabelle》 opnieuw op te starten. Biografie en Franquin bedachten samen de verhaallijnen, Franquin verdeelde het verhaal, Biografie schreef de dialogen en Will tekende. Later nam Biografie het scenario volledig alleen over. De reeks behaalde geen groot publiek succes, maar kreeg wel een cultstatus bij stripliefhebbers.

In het begin van de jaren zeventig creëerde Biografie op de Belgische radio het personage Honoré Delbouille. Met humoristische teksten en liedjes in 《Du Sel sur la Queue》 karikaturiseerde hij er de Walen mee, en het personage verscheen elke zaterdagmiddag op de eerste Belgische televisiezender. Hij provoceerde ook door het idee van sterven voor het vaderland te bespotten in een lied met een titel. Verder schreef Biografie liedjes voor een jazz-rockplaat afgeleid van 《Gaston》 en de muzikale soundtrack voor een tekenfilm over 《Boule en Bill》. In 1975 werkte hij mee aan de animatiefilm 《De Fluit met zes smurfen》, waarvoor hij Peyo hielp met het storyboard en de dialogen schreef. De liedjes voor die film zette Michel Legrand op muziek.

Le Trombone illustré en de nasleep ervan

Aan het einde van de jaren zeventig hadden Yvan Delporte en André Franquin bedenkingen bij de toon van het weekblad Robbedoes. Zij stapten naar Charles Dupuis met het voorstel om in Robbedoes een ander, volwassener tijdschrift op te nemen. Dupuis ging akkoord, en zo ontstond Le Trombone illustré. Delporte werd hoofdredacteur, terwijl hij samen met een lay-outtekenaar de enige vaste krachten op de redactie was. Hij haalde auteurs binnen zoals Frédéric Jannin, Didgé, Jean Roba, F’murr, René Hausman, Gotlib en Alexis, maar verzette zich tegen de opname van vaste Robbedoes-auteurs zoals Raoul Cauvin. Door de auteurs ook te betrekken bij ideeën voor animatie probeerde hij opnieuw een teamgevoel te creëren.

Volgens Delporte verscheen het eerste nummer samen met Robbedoes, met acht pagina’s in een afwijkend formaat. Hij vermeldde ook dat André Franquin en hijzelf een animatie met Gaston Lagaffe hadden gemaakt om een nieuwe toevoeging aan Robbedoes aan te kondigen. Delporte schreef het grootste deel van de scenario’s van de stripverhalen voor het piratenweekblad en wilde via de tussen geplaatste kranten rivaliteit tussen twee redactieploegen opwekken. Dat idee werd echter slecht onthaald door de hoofdredacteur van Robbedoes en de gebruikelijke auteurs, terwijl ook klachten bij Charles Dupuis binnenkwamen van medewerkers van Robbedoes.

Le Trombone illustré vond geen weerklank bij de lezers en tijdens de periode waarin het supplement verscheen, daalde de verkoop van Robbedoes. Volgens Delporte eindigde het blad na dertig weken, zoals hij zelf had gewenst. De afloop kwam er bovendien na herhaalde censuur door de directie van Dupuis, vooral wanneer religiekritiek in het spel was. Het eerste gecensureerde stuk was een artikel van Delporte onder het pseudoniem Nana tegen het geloofsreclame, gevolgd door Devenez riche en créant votre religion. Ook een artikel van Jacques Stoquart over Amnesty International werd gecensureerd, al werd het uiteindelijk toch gepubliceerd. Verder werd La Galette des Rois, met een opsomming van de inkomsten van Europese vorstenhuizen, tegengehouden, net als een pagina uit de reeks Germain et nous waarin religies met sekten werden vergeleken. Delporte ergerde zich eraan dat Charles Dupuis de religiekritiek van Franquin niet had aangepakt, maar wel tussenkwam bij een jonge auteur. Ook Fernand l’orphelin, een reeks die Delporte schreef en die getekend werd door Claire Bretécher, werd gecensureerd; Dupuis eiste dat bepaalde woorden werden geschrapt, waarna Delporte ze met een marker zwart maakte.

Na het einde van Le Trombone illustré werd zelfs overwogen om het project onafhankelijk van Robbedoes verder te zetten, maar een tijdschrift van acht pagina’s bleek al moeilijk te realiseren, en een zelfstandig blad zou nog veel meer pagina’s vereisen. De verkoop van Robbedoes was intussen in zes maanden met 5% gedaald, en binnen Dupuis ontstonden spanningen tussen de auteurs van Le Trombone illustré en anderen. De vervanging van Robbedoes-hoofdredacteur Thierry Martens door Alain De Kuyssche werd hierdoor mede in gang gezet. Jaren later kreeg Le Trombone illustré een cultstatus, onder meer na de uitgave van een verzamelde, onverkochte oplage in Frankrijk, en verschillende auteurs van een latere generatie verklaarden dat de subversieve toon blijvende invloed op hen had gehad. Franquin en René Hausman kwamen nadien ook in contact met volwassen tijdschriften zoals Fluide glacial. In 1978 ontving Delporte de Grote Prijs Sint-Michiel voor de creatie en de redactionele animatie van het supplement.

Oprichting van L’UPCHIC

Samen met André Franquin richtte Yvan Delporte de Professionele Unie van Scheppers van Beeldverhalen en Stripverhalen, L’UPCHIC, op om de belangen van Belgische striptekenaars te verdedigen. Het bestuur benoemde Delporte tot secretaris, terwijl Franquin voorzitter werd. De kantoren van de vereniging werden ingericht op de benedenverdieping van Franquins gebouw. Delporte en Franquin begonnen ook een klein tijdschrift voor professionals, waarin zij zich konden uitspreken over het stripvak. L’UPCHIC betaalde daarnaast de advocatenkosten om auteurs te verdedigen in geschillen met hun uitgevers. De vereniging hield uiteindelijk op te bestaan nadat spanningen tussen auteurs waren ontstaan door provocerende artikels in het blad. Steeds meer kunstenaars verlieten L’UPCHIC, waardoor het aantal abonnementen daalde en de vereniging werd opgedoekt.

Rol bij de tekenfilmversie van De Smurfen

In 1981 sloot de Amerikaanse zender NBC een contract om De Smurfen te bewerken tot een animatiereeks. Yvan Delporte werd door Peyo aangesteld om alle scenario’s van de Amerikaanse studio te bekijken. Hij controleerde of het universum van de stripreeks in de tekenfilmserie werd gerespecteerd en vervulde een diplomatieke rol tussen Peyo en de Amerikaanse auteurs, onder meer wegens pogingen om De Smurfen te veramerikaniseren. Daarnaast stond hij in voor de muzikale citaten in de soundtrack van de reeks, waarin hij onder meer muziek van Beethoven en Tsjaikovski opnam. Door het succes van De Smurfen trok hij ook de aandacht van andere Amerikaanse studio’s die belangstelling kregen voor Franco-Belgische strips. In die periode veranderde hij ook zijn uiterlijk: hij ruilde zijn duffelcoat in voor opvallende merkkleding en liet een baard groeien.

Projecten voor animatieadaptingen

In 1983 kocht ABC Studios de rechten op de Marsupilami voor een animatieserie. André Franquin stelde daarop een klein team samen, met onder meer Yvan Delporte, om het werk tussen Europese en Amerikaanse studio’s te superviseren en te coördineren. Het eerste ontwerp van het animatieproject werd door de Amerikanen afgewezen wegens de hoge kosten, vooral door de animatie van de staart. Delporte stelde vervolgens een tweede versie van het project voor aan de programmadirecteur van de zender. Toch werd het project definitief geannuleerd, nadat de Amerikanen de karikaturale Shavuta-indianen hadden verworpen. Ook andere projecten haalden de eindstreep niet. Zo mislukte een samenwerking met Dany voor een adaptatie van Olivier Rameau om financiële redenen. Een project met Warner Bros. Animation, Jeopardy Jack, kwam evenmin van de grond, en een bewerking van De Vlagada van Charles Degotte met Hanna-Barbera Productions werd wel voorbereid, maar uiteindelijk niet gerealiseerd.

Van «Arnest Ringard» tot «Toccard»

Na het verdriet om de zelfmoord van zijn zoon Bert Bertrand bleef Yvan Delporte betrokken bij uiteenlopende strip- en animatieprojecten. Samen met André Franquin blies hij een oud idee over de ruzies tussen een mol en een tuinier nieuw leven in, een project dat zij toevertrouwden aan Frédéric Jannin en dat uiteindelijk de titel «De Strubbelingen van Arnest Ringard en Augraphie» kreeg. Delporte werkte mee aan het scenario en schreef dialogen, waarin soms volkse of dubbelzinnige woordspelingen voorkwamen. De reeks verscheen in het weekblad «Spirou», maar de auteurs stopten ermee omdat ze teleurgesteld waren dat de publicatie gebeurde in een bijlagecollectie buiten de gewone uitgaven van Dupuis. Later vroeg Dupuis om de reeks in 1993 opnieuw op te starten met hetzelfde trio.

Delporte en Jannin werkten ook samen aan andere projectontwerpen. Zo maakten ze onder meer een voorstel voor «Bitman et Robinet» voor «Fluide glacial», naast een prehistorische reeks, «De Dageraad van de Mensheid», en «De Avonturen van Ambroise het varken». Jannin werkte daarnaast in één maand het concrete album «De Verzamelaars» uit.

In 1981 hielp Delporte bij het schrijven van het scenario van «Bolle en Billie globe-trotters», een episode van «Bolle en Billie». In het midden van de jaren tachtig werkte hij samen met René Follet aan een herwerking van de «Zingari»-verhalen die in «Het Journaal van Mickey» verschenen. Tegen het einde van de jaren tachtig schreef hij ook twee lange verhalen voor de reeks «De Puzzoletti» van Carine De Brab, gepubliceerd in «Spirou».

In 1992 hielp Delporte Thierry Culliford bij een nieuw «Johan en Pirrewiet»-avontuur, gebaseerd op een idee van Peyo, en schreef hij ook een volledig en gedetailleerd scenario beeld per beeld. De moeizame relatie met Thierry Culliford leidde uiteindelijk tot het einde van zijn samenwerking met Yvan Delporte in datzelfde jaar.

Daarnaast was Delporte betrokken bij de televisiebewerking van «De Tifous». Op vraag van Christian Mauron nam André Franquin contact op met Delporte om het project te ondersteunen. Delporte en Franquin maakten personages en schreven de scenario's voor de eerste afleveringen. Daarna werd Delporte scenariosupervisor en voegde hij ideeën toe; hij coördineerde ook tussen het team van Franquin en de productiestudio. Er werden zesenzeventig afleveringen geschreven, maar door financiële problemen bij de producent werden er slechts vierentwintig gemaakt. Niet-geproduceerd materiaal uit «De Tifous» werd begin jaren negentig hergebruikt in «Spirou».

Aan het einde van de jaren tachtig vroeg Peyo’s studio Delporte ook om hoofdredacteur te worden van het nieuwe maandblad «Smurf!». Samen met Eddy Ryssack stelde hij een proefmaquette voor, maar Peyo en zijn team wezen die af omdat ze te sterk leek op «Robbedoes» uit de jaren zestig en als verouderd werd beschouwd. Jean-Claude De la Royère werkte de maquette later opnieuw uit, terwijl Ryssack het project verliet. Door productieproblemen werd Delporte uiteindelijk door Peyo en diens zoon uit het project gehaald. Hij bleef wel meewerken aan verschillende rubrieken, zoals spelletjes en bijzondere weetjes. In dezelfde periode schreef hij ook het scenario van «De Bande van de Vier Winden» voor Al Séverin, hervatte hij «De Verhalen van de Grote Smurf» uit het «Robbedoes»-weekblad van de jaren zestig en herschreef hij op verzoek van Peyo de eerste drie verhalen van «Pierrot en de Lamp» voor «Smurf!», al werd dat project niet afgerond.

Muziek en optredens

In de jaren 1980 en 1990 koesterde Yvan Delporte een grote passie voor muziek en leidde hij verschillende projecten in die kunstvorm. Hij speelde geen specifiek instrument, maar had een perfecte kennis van solfège en een zeer goed muzikaal gehoor. In de jaren 1980 nam hij samen met Gotlib en Frédéric Jannin verschillende radioprogramma’s op rond humoristische liedjes, die nooit werden uitgezonden. Hij stelde ook voor om striptekenaars die eveneens muziek maakten te filmen en zo in één video samen te brengen. In 1995 richtte Thierry Tinlot, hoofdredacteur van Kuifje, een groep op van striptekenaars; Delporte sloot zich daarbij aan als zanger en trad voor het eerst op tijdens het jaarlijkse Dupuis-diner. Het succes van dat eerste optreden leidde tot verdere concerten op stripfestivals gedurende drie jaar. De groep kreeg later een nieuwe naam, en Delporte bleef tot aan het einde van zijn leven op het podium verschijnen, ondanks lichamelijke achteruitgang waardoor hij een rolstoel nodig had.

Laatste jaren, engagement en nalatenschap

In zijn laatste jaren kwam Yvan Delporte bijzonder dicht bij hedendaagse auteurs, vooral bij leden van L’Association zoals Lewis Trondheim. Hij toonde zich sterk geïnteresseerd in vernieuwingen binnen de stripwereld en werd door jonge auteurs en lezers van het weekblad Robbedoes beschouwd als een bijna levende mythe. Delporte nam ook deel aan talrijke tentoonstellingen en schreef artikelen over strips. In de jaren 2000 begon hij mee theaterrecensies te schrijven voor het Théâtre de Poche in Brussel, en hij woonde wekelijks de improvisatiewedstrijden van de Brusselse Ligue d’Impro bij.

Daarnaast engageerde hij zich in het collectieve verzet van auteurs tegen Média Participations in 2006. Hij probeerde die beweging te verenigen, maar zonder succes. Delporte was ook actief binnen de Vereniging van stripauteurs en nam er geregeld deel aan seminars. Op het einde van zijn leven werkte hij in Brussel aan een album voor de vijftigste verjaardag van Gaston samen met Frédéric Jannin. Hij was ook van plan een rubriek met Frank Pé voor Robbedoes op te zetten over stripfiguren met onconventionele portretten.

Na zijn dood bracht Robbedoes, in nummer 3599 van 4 april 2007, een eerbetoon met een speciaal dossier van acht pagina’s.

Zelfstudie en leergierigheid

Yvan Delporte was autodidact en verliet de school op zestienjarige leeftijd. Hij gaf de voorkeur aan leren uit nieuwsgierigheid en door te lezen over uiteenlopende onderwerpen, zoals talen, wetenschappen, literatuur en mechanica. Op die manier leerde hij Duits, Engels, Nederlands, een beetje Fins, Chinees, Japans, Russisch en Italiaans. Daarnaast had hij een grote interesse in het internet, omdat dat volgens hem toegang bood tot onbeperkte kennis. Zelfs wanneer hij lichamelijke pijn had, wilde hij toch voor de computer gaan zitten om informatie op te zoeken.

Scenario’s en samenwerkingen

Yvan Delporte schreef in de loop van zijn leven scenario’s voor uiteenlopende tekenaars. Zijn werkwijze hing af van de auteur met wie hij samenwerkte. Voor sommige reeksen nam hij deel aan het scenario-overleg tijdens vergaderingen met tekenaars en medeschrijvers. Zo hielp hij Peyo bij het schrijven van verschillende scenario’s voor De Smurfen en Benoît Brisefer. Delporte en Peyo spraken daar urenlang over, waarna Delporte de tekst uitwerkte, die vervolgens aan Peyo werd voorgelegd en volgens diens aanwijzingen werd gecorrigeerd. Hij bedacht daarbij vaak personagesnamen en voegde gags en woordspelingen toe.

Ook aan Isabelle werkte hij mee, samen met Raymond Macherot en André Franquin voor Willy. Zijn mede-auteurs verklaarden later dat Delporte een deel van de synopsis had geschreven en dialogen had geleverd met veel woordspelingen. In andere gevallen schreef hij scenario’s alleen en stuurde hij die door naar de tekenaar. Soms werkte hij een verhaal af wanneer een auteur de voortzetting niet kon bedenken. Hij kon zich gemakkelijk inleven in universums die niet tot zijn eigen creaties behoorden, en gaf tekenaars doorgaans eenvoudige tekst en beschrijvingen, zodat zij veel vrijheid behielden.

Tijdens zijn periode als hoofdredacteur van Spirou schreef hij scenario’s vaak op deze manier, omdat hij weinig tijd had. Hij schreef voor gevestigde namen zoals René Follet en René Hausman, maar ook voor nieuwere auteurs zoals Jidéhem. Zijn eigenlijke schrijfwerk bestond vooral uit het vullen van tijdschriftpagina’s met hoofdartikels, spelletjes en zelf geschreven verhalen. Zijn werk omvatte bijna alle stripgenres, al had hij een voorkeur voor humor en woordspelingen. Hij schreef onder meer sciencefictionverhalen zoals de reeks Alain Cardon in de ruimte, poëtische verhalen zoals Saki en Zunie of Isabelle, en realistische reeksen zoals Jan Kordaat. In De Strubbelingen van Arnest Ringard en Augraphie probeerde hij bovendien een nieuwe humoristische stijl uit, gebaseerd op spraakverwarring. In 1973 deelde hij met Peyo de prijs van Sint-Michiel voor beste humoristische scenarist, voor hun werk aan Groen Smurf en Zwart Smurf.

Rodeactie en stijl bij « Robbedoes »

Tijdens de leiding van Charles Dupuis bekleedde Yvan Delporte de functie van hoofdredacteur bij het weekblad « Robbedoes ». Dupuis keurde alles goed wat in het tijdschrift verscheen, terwijl Delporte vaak afzag van het publiceren van bepaalde reeksen die de uitgever zelf verkieste. Hij werkte lange dagen, leidde een auteursploeg en zorgde zo voor een grote hoeveelheid inhoud, maar leverde het tijdschrift vaak pas op het allerlaatste moment in. Het beheer van budget of verkoopcijfers viel niet onder zijn verantwoordelijkheid. Wel pleitte hij er bij Dupuis voor dat auteurs zo goed mogelijk betaald werden, omdat hij vond dat goed betaalde auteurs ook ernstig werden genomen door de commerciële diensten.

Binnen de redactie werd hij ook gezien als iemand die nieuwe talenten moest aanmoedigen, al lag die opleiding volgens de feiten in handen van Maurice Rosy. Tegelijk kreeg Delporte kritiek omdat hij niet altijd steun bood aan beginnende tekenaars. Buiten auteursvergaderingen kon hij soms scherp uit de hoek komen, en van sommige beginners werd werk zonder veel uitleg geweigerd. Ook zou hij bepaalde auteurs, onder wie Jacques Devos, soms systematisch hebben afgewezen uit persoonlijke afkeer. In de kritiek op zijn beleid klonk verder dat hij auteurs uit zijn sociale kring zou hebben bevoordeeld.

Delporte stond daarnaast bekend om een opvallende uitstraling. Hij droeg lang een rode, later grijze baard en weigerde een foto van zijn jongere zelf zonder kinbaard te laten publiceren. Tijdens zijn periode bij « Robbedoes » droeg hij versleten grijze kostuums en een lange, stoffige duffelcoat. In de jaren tachtig verving hij die door moderne, veelkleurige kleren van Kenzo, waaraan hij nog excentrieke details toevoegde, zoals veiligheidsspelden als sluiting van zijn broek. Voor een uitreiking in Hollywood liet hij zelfs een jeanspak op maat maken. Volgens de feiten ontwikkelde hij bewust een eigen look en hechtte hij belang aan zijn imago om uitzonderlijk over te komen. Ook werd hij omschreven als iemand die hield van speelse grappen, met een bijzonder goede repliek en sterke improvisatie, en als bedenker van surrealistische grappen.

Los van zijn werk en voorkomen had Delporte een uitgesproken houding tegenover bezit en geld: hij verzette zich tegen privé-eigendom en geld, bezat weinig, woonde in grote lege appartementen met hoge huur en at dagelijks in restaurants zonder zich zorgen te maken over geld.

Werk bij Dupuis en in het tijdschrift Spirou

Yvan Delporte publiceerde vanaf 1949 scenario’s in het weekblad Spirou terwijl hij bij Dupuis werkte. In datzelfde jaar schreef hij voor Eddy Paape het scenario van À la poursuite de Max Clair binnen de reeks Jean Valhardi. In 1950 volgde het verhaal Chez les Êtres de la forêt voor dezelfde reeks.

In 1956 werd Delporte hoofdredacteur van het weekblad Spirou en bleef hij verschillende reeksen van scenario’s voorzien. Zo schreef hij tussen 1957 en 1959 Alain Cardan voor Gérald Forton, in 1957 Bobosse voor Marcel Remacle en van 1958 tot 1964 Saki voor René Hausman. In 1961 werkte hij aan Starter voor Jidéhem, en in 1966 aan Sylvain Tripoté, eveneens voor Jidéhem.

Daarnaast schreef hij samen met Charles Jadoul Matiti Jo voor Herbert in 1963. Van 1964 tot 1965 leverde hij de scenario’s voor Bobo van Maurice Rosy. Later, van 1968 tot 1969, werkte hij samen met Raymond Macherot aan Mulligan voor Berck.

Samenwerkingen bij Spirou en daarbuiten

Yvan Delporte werkte bij Spirou vooral samen met André Franquin en Peyo. Met André Franquin creëerde hij Gaston Lagaffe en hij nam ook deel aan de eerste animaties van dat personage in het weekblad Spirou. Daarnaast schreef hij, vooral van 1965 tot 1968, de redactionele rubriek En direct de la rédaction over het universum van Gaston. Hij werkte ook aan de geïllustreerde roman Les Robinsons du Rail, waarin Spirou, Fantasio en Gaston Lagaffe voorkomen.

Met Peyo schreef Delporte tussen 1959 en 1964 mee aan scenario’s voor de Schtroumpfs. In 1966 werkte hij opnieuw met Peyo samen voor Benoît Brisefer, en van 1967 tot 1969 schreef hij met hem de verhalende rubriek Les Contes du Grand Schtroumpf. Voor Jean Roba verzorgde hij van 1964 tot 1972 de rubriek L’Avis de chien de Bill. Hij schreef daarnaast ook verschillende mini-verhalen voor uiteenlopende auteurs.

Toen hij in 1968 stopte als hoofdredacteur van Spirou, bleef Delporte er wel samenwerken. Hij bleef animaties schrijven voor Gaston Lagaffe en voor En direct de la rédaction, en hij leverde ook nog scenario’s voor de Schtroumpfs, Benoît Brisefer en L’Avis de chien de Bill. Bovendien creëerde en werkte hij mee aan meerdere reeksen na 1968, waaronder Isabelle, samen met Raymond Macherot en André Franquin voor Will, van 1969 tot 1994. Verder schreef hij in 1969 een kort verhaal van Sandy en Hoppy voor Lambil, in 1973 een verhaal van Sam et l’Ours voor Lagas, en van 1970 tot 1973 de rubriek Poussyclopédie voor Marc Wasterlain en Peyo.

In de jaren daarna bleef hij actief als scenarist en bijdrager aan verschillende bladen. Hij schreef onder meer Le Démêlés d’Arnest Ringard et d’Augraphie met Frédéric Jannin en André Franquin van 1978 tot 1997, gags voor Germain et nous… van 1980 tot 1990, Les Collectionneurs in 1984, Les Zingari voor René Follet van 1985 tot 1987, Les Puzzoletti voor Carine De Brab van 1987 tot 1988, de rubriek Un monstre par semaine van 1988 tot 1989 en Les Tifous voor André Franquin van 1990 tot 1991. Tussen 2000 en 2001 nam hij ook deel aan animaties met Zidrou, Fabien Vehlmann en Philippe Bercovici.

Naast Spirou werkte Delporte samen met andere tijdschriften. Hij schreef in Le Trombone Illustré talrijke artikelen, spelletjes, editorials, animaties en verschillende scenario’s voor Alexis, André Franquin, Claire Bretécher, Dany en René Hausman. Na zijn vertrek bij Spirou bleef hij ook voor andere periodieken schrijven. Zo scenariseerde hij Sylvain Tripoté in Bonux Boy voor Jidéhem in 1960, Uhu-Man in Pilote voor Jidéhem in 1967, twee reeksen in Le Journal de Mickey tussen 1970 en 1973, Le Chicon voor Verli in de Belgische editie van Tintin in 1972, verschillende getekende kronieken voor Lucky Luke in 1974, en later ook Colin Colas voor Eddy Ryssack in Super As in 1979. Van 1977 tot 1980 werkte hij samen met Fluide Glacial, waarvoor hij editorials en verhalen schreef, en hij werkte ook mee aan enkele gags van Les Idées noires voor André Franquin. Daarnaast schreef hij een onafhankelijke rubriek, Pendant ce temps à Landerneau, in (À suivre).

Albums en reeksen bij Studio Peyo

Yvan Delporte werkte vanaf de jaren 1960 mee aan de vroege albums van zijn oeuvre bij Studio Peyo. In die periode verschenen ook albums van De Smurfen, Benoît Brisefer, Poesjenel en De Rode Ridder met Jean Roba. Samen met Wils en Raymond Macherot creëerde hij Isabelle, een reeks die later werd voortgezet door André Franquin en die tot in de jaren 1990 bleef verschijnen.

In de jaren 1970 publiceerde hij tal van reeksen in verschillende tijdschriften, maar in albumvorm verschenen er toen slechts weinig titels. In de jaren 1980 profiteerde zijn werk van kleinere uitgevers die vergeten reeksen opnieuw in album uitbrachten. Zo verschenen onder meer albums van Colin Colas, Jean Valhardi, Bandonéon, Steve Severin, Saki en Zunie, Starter en Mulligan. Ook publiceerde hij albums van recentere verhalen zoals Bollie en Billie, Arnest Ringard en D'Augraphie.

Na de dood van Peyo werkte hij in de jaren 1990 mee aan de terugkeer van Jommeke en Pirlouit met Thierry Culliford en Alain Maury. In dezelfde periode verscheen ook een album van Koenraad met Dupa. Zijn latere albums omvatten onder meer oude reeksen zoals Les Zingari, Bobosse en Alain Cardan.

Scroll naar boven