Elisabeth van Beieren, koningin der Belgen

Koningin Elisabeth van België in 1925
Koningin Elisabeth van België in 1925

Elisabeth van Beieren werd op 25 juli 1876 geboren als Elisabeth Gabriele Valérie Marie Herzogin in Bayern in Possenhofen am Starnberger See en overleed op 23 november 1965 in Brussel. Zij was de tweede dochter van Carl Theodor Herzog in Bayern en Infantin Maria Josepha van Portugal. Als prinses uit de lijn Zweibrücken-Birkenfeld-Gelnhausen van het Huis Wittelsbach groeide zij eenvoudig op in Schloss Possenhofen, samen met haar broers en zussen, onder de invloed van haar vader. Die was een bekend oogarts, sterk intellectueel en liefdadig, en moedigde de persoonlijke ontwikkeling van zijn kinderen aan, met aandacht voor verantwoordelijkheid tegenover arme en zwakke mensen. Ook stimuleerde hij Elisabeths muzikale belangstelling. Zij ontwikkelde zich tot een bekwame viool- en pianospeler, toonde talent voor beeldhouwkunst en sprak Duits, Frans en Engels. Daarnaast werkte zij in het ziekenhuis van haar vader, volgde een verpleegopleiding en ontwikkelde religieuze overtuigingen in overeenstemming met de leer van de katholieke Kerk. In mei 1897 ontmoette zij prins Albert van België in Parijs. Later werd zij zijn echtgenote en de moeder van koning Leopold III. Naast haar rol in het Belgische vorstenhuis was zij actief als patronesse van muziek en kunst en hield zij zich bezig met liefdadigheidsactiviteiten. Haar naam leeft voort in de Concours Musical Reine Elisabeth en in de vroegere benaming Elisabethville van Lubumbashi, tot 1966.

Naam, gezin en inzet

Elisabeth Gabriele Valérie Marie Herzogin in Bayern werd geboren op 25 juli 1876 in Possenhofen am Starnberger See. Zij was de echtgenote van de Belgische koning Albert I en de moeder van de Belgische koning Leopold III. Naast haar rol binnen de koninklijke familie stond zij bekend als beschermvrouwe van muziek en kunsten, en zij was ook betrokken bij liefdadigheidsactiviteiten.

Haar naam bleef verbonden aan verschillende verwijzingen. Zo droeg Lubumbashi tot 1966 de naam Elisabethville, en het Concours Musical Reine Elisabeth is naar haar genoemd. Elisabeth overleed op 23 november 1965 in Brussel, België.

Afkomst en jeugd

Elisabeth van Beieren werd in 1876 geboren op Schloss Possenhofen als prinses uit de tak Zweibrücken-Birkenfeld-Gelnhausen van het Huis Wittelsbach. Zij was de tweede dochter van Carl Theodor, hertog in Beieren, en infante Maria Josepha van Portugal. Ze kreeg haar naam ter ere van haar vaderlijke tante, de Oostenrijkse keizerin Elisabeth.

Ze groeide eenvoudig op op Schloss Possenhofen, samen met haar broers en zussen, onder de invloed van haar vader. Carl Theodor was een bekend oogarts en stond bekend om zijn grote intellect en zijn vrijgevigheid. Hij moedigde de persoonlijke ontwikkeling van zijn kinderen aan en bracht hun verantwoordelijkheidszin bij voor armen en zwakken. Ook kweekte hij de artistieke smaak van het gezin en steunde hij Elisabeths muzikale belangstelling.

Elisabeth ontwikkelde zich tot een begaafde violiste en pianiste en toonde ook opvallend talent voor beeldhouwkunst. Ze sprak Duits, Frans en Engels. Daarnaast werkte ze in het ziekenhuis van haar vader, volgde ze een opleiding tot verpleegster en ontwikkelde ze religieuze overtuigingen die aansloten bij de leer van de katholieke Kerk.

Huwelijk en vroege huwelijksjaren

Elisabeth leerde prins Albert van België in mei 1897 kennen in Parijs, tijdens de uitvaart van Sophie, hertogin van Alencon. In september 1898 woonde zij in Wenen ook de begrafenis bij van de vermoorde Oostenrijkse keizerin Elisabeth. Later verloofden Elisabeth en Albert zich in Neuilly-sur-Seine en trouwden zij op 2 oktober 1900 in de Frauenkirche in Munchen. Enkele dagen na hun huwelijk werden zij in Belgie hartelijk ontvangen, waarna zij voor hun huwelijksreis naar Italie trokken.

In de beginperiode woonden Elisabeth en Albert samen in het paleis aan de Rue de la Regence in Brussel. Begin 1901 reisden zij naar de Cote d'Azur voor meer privacy, en in de zomer verbleven zij in Possenhofen. Eind september 1901 betrokken zij het pas voltooide Hotel d'Assche in Brussel. Uit het huwelijk met Albert werden drie kinderen geboren.

Nog voor zij de troon besteeg, was Elisabeth al populair bij de bevolking door haar bescheiden gezinsleven en haar gelijkwaardige gedrag. Zij toonde belangstelling voor de zorgen van arme en zieke Belgen en steunde de strijd tegen tuberculose. Daarnaast wijdde zij veel aandacht aan muziek: zij speelde dagelijks viool met Eugene Ysaye als leraar, bewonderde het werk van Richard Wagner en woonde in de Muntschouwburg opera's bij van Georges Bizet en Claude Debussy. Op 4 juni 1908 ontmoette zij in Oostende de Belgische dichter Emile Verhaeren, met wie zij bevriend raakte, en zij regelde ook medische behandeling voor de Belgische schilder Eugene Laermans toen die dreigde blind te worden.

Oorlogsjaren en hulpverlening

Elisabeth, de vrouw van Albert I, werd Belgische koningin nadat Albert I op 23 december 1909 de eed had afgelegd op de Belgische grondwet. Samen regeerden zij België met een nadruk op sociale verantwoordelijkheid. In november 1910 kreeg zij een zware pleuritis, maar die was tegen februari 1911 genezen.

Tijdens de oorlog kwam Elisabeth in een moeilijke innerlijke spanning terecht door het militaire conflict tussen haar vroegere vaderland en het Belgische volk. Toch koos zij duidelijk voor België en verbrak zij de familiebanden in Beieren. Op 1 augustus 1914 hielp zij Albert I bij het opstellen van een brief in het Duits aan keizer Wilhelm II. Toen de Duitse troepen Brussel naderden, droeg zij bij aan de omvorming van het Koninklijk Paleis tot een ziekenhuis voor gewonde Belgische soldaten. Daarna trok zij zich met de Belgische troepen terug en stuurde zij haar drie kinderen voor hun veiligheid naar Hackwood House in Engeland, bij Lord Curzon. In Antwerpen ontmoette zij Winston Churchill.

Vanaf 13 oktober 1914 leefden Elisabeth en Albert I in De Panne, dicht bij het front. Daar hielp zij de medische zorg voor talrijke gewonde soldaten te organiseren. In december 1914 richtte zij samen met chirurg Antoine Depage het veldhospitaal hôpital de l'Océan op en plaatste dit onder het gezag van het Belgische Rode Kruis. Zij verzorgde gewonde soldaten er vele uren lang. Daarnaast stichtte zij het Symfonieorkest van het Belgische Leger en bezorgde zij soldaten warme kleding en schoeisel. In De Panne ontving zij ook bezoekers zoals Eugène Ysaÿe, Émile Verhaeren, Pierre Loti en Camille Saint-Saëns, evenals de Franse president Raymond Poincaré.

Elisabeth vervulde ook gevoelige opdrachten namens haar echtgenoot. Zij verbleef in Engeland voor ontmoetingen met haar kinderen om de oorlogsintenties van de Britse regering te verkennen. Via familiebanden was zij betrokken bij geheime, maar uiteindelijk mislukte vredesonderhandelingen met Duitsland. In april 1918 bracht zij Lord Curzon de beslissing van haar echtgenoot over om lokaal verzet te bieden tegen het Duitse offensief, waarna zij van de Britse leiding de verzekering kreeg dat Britse troepen de Belgische kust zouden blijven verdedigen.

Cultuur, reizen en sociale inzet

Elisabeth van Beieren combineerde haar rol als vorstin met een sterke culturele en sociale betrokkenheid. Zij zorgde voor haar kinderen, beïnvloedde het culturele leven en ondersteunde oorlogsslachtoffers, onder wie mensen met een handicap, weduwen en wezen. In 1920 opende zij samen met haar echtgenoot de Académie royale de Langue et de Littérature française de Belgique. Zij was aanvankelijk meer aangetrokken tot de oudere generatie kunstenaars en kwam later ook in contact met jongere kunstenaars. Met advies van Eugène Ysaÿe, Camille Saint-Saëns, Gabriel Fauré en Vincent d’Indy werkte zij mee aan de heropleving van het Belgische muziekleven. Zij oefende bijna dagelijks viool en speelde zelfs een viooldubbel met Yehudi Menuhin.

Haar belangstelling voor cultuur ging ook gepaard met concrete initiatieven. Na haar reis naar de Verenigde Staten in 1919 bezocht zij het historische Isleta Pueblo in New Mexico. Later liet zij in het park van Laken een tuintheater aanleggen, geïnspireerd op een model dat zij tijdens die Amerikaanse reis had gezien. Zij drong er bij politici op aan om het Palais des Beaux-Arts de Bruxelles te bouwen. Het culturele centrum dat door architect Victor Horta werd ontworpen, opende in 1929.

Daarnaast liet zij zich ook elders inspireren. Zij woonde in februari 1923 de opgraving van het graf van Toetanchamon in Egypte bij en steunde de Belgische egyptoloog Jean Capart bij de oprichting van de Fondation égyptologique Reine Elisabeth. Zij bezocht laboratoria en ontmoette wetenschappers zoals Marie Curie en Albert Einstein.

Rouw en verlies in de jaren dertig

Na de dood van koning Albert I op 17 februari 1934 in een bergongeval in Marche-les-Dames verkeerde Elisabeth van Beieren in een diepe depressie. Zij rouwde ook om het einde van haar regeerperiode als koningin. Een jaar later werd zij opnieuw getroffen door verlies, toen haar schoondochter Astrid op 29 augustus 1935 omkwam bij een auto-ongeluk in Küssnacht am Rigi.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog in België

Na de dood van Astrid nam Elisabeth in België de feitelijke rol van koningin op zich en vervulde zij ook een moederrol voor Joséphine Charlotte, Boudewijn en Albert. In die jaren had zij al blijk gegeven van haar culturele engagement: zij steunde de oprichting van het Belgisch Nationaal Orkest in 1936, bezocht de Franse schrijver Romain Rolland in Vézelay op 14 september 1936, ontmoette hem opnieuw op 11 maart 1942 en nam het initiatief voor een internationale muziekwedstrijd die eerst de naam Eugène Ysaÿe droeg en in 1951 werd omgedoopt tot Concours Musical Reine Elisabeth. In 1937 woonde zij een speciaal gala bij met de Sovjetviolist David Fjodorowitsch Oistrach, de eerste winnaar van de wedstrijd, en in 1939 richtte zij de Chapelle musicale Reine Elisabeth op op grond die baron Paul de Launoit in Argenteuil ter beschikking stelde.

Bij de Duitse inval in België ging Elisabeth op 10 mei 1940 naar De Panne en zorgde zij voor militaire ziekenhuizen. Op 25 mei vernam zij in kasteel Wijnendale dat koning Leopold III weigerde in ballingschap te gaan met de Belgische regering. Toen zij beschuldigingen van verraad tegen Leopold hoorde, schreef zij een verontwaardigde brief aan de Franse premier Paul Reynaud. Vanaf 29 mei 1940 leefde zij met haar familie onder Duitse supervisie in kasteel Laeken ten noorden van Brussel. Zij werd minder streng bewaakt dan Leopold III en mocht vrienden en ziekenhuizen bezoeken. Door haar Duitse afkomst had zij ook gemakkelijker contact met hoge vertegenwoordigers van de bezettingsmacht, al stond zij uitgesproken vijandig tegenover het nationaalsocialisme.

Vanuit haar positie trachtte zij het lot van velen te verzachten. Zij bemiddelde bij de repatriëring van zieke krijgsgevangenen en bij gratieverleningen van doodvonnissen. Ook onderhandelde zij met succes over de redding van Belgische Joden en hielp zij honderden Joodse kinderen aan onderduik in kloosters, weeshuizen en boerderijen. Voor deze inzet kende de Israëlische regering haar de eretitel Righteous Among the Nations toe.

Na de deportatie van Leopold III, Lilian Baels en de vier koninklijke kinderen naar Duitsland in juni 1944 bleef zij alleen achter in Laeken. Na de vervanging van militair gouverneur Alexander von Falkenhausen door rijkscommissaris Josef Grohé in juli 1944 werd zij streng bewaakt. Na de bevrijding van Brussel op 3 september 1944 ontving zij de Britse generaal Brian Horrocks in kasteel Laeken en liet zij het kasteel gebruiken als hoofdkwartier van het Britse XXX Corps. In december 1944 organiseerde zij de bevoorrading van voedsel en kleding voor duizenden vluchtelingen die voor het Duitse Ardennenoffensief op de vlucht sloegen. In mei 1945 bracht zij na de Duitse overgave een week door met Leopold III en zijn familie in de White Horse Inn in St. Wolfgang im Salzkammergut.

Naoorlogse jaren en publieke rol

Na de Tweede Wereldoorlog ontstond in Belgie een felle strijd tussen taalgroepen over het lot van koning Leopold III. Hij kreeg de schuld omdat hij samen met zijn ministers niet in ballingschap was gegaan. De Vlamingen steunden zijn terugkeer doorgaans, terwijl de Walen zich ertegen verzetten. Leopold III verbleef tijdelijk met zijn familie in Zwitserland. Elisabeth bezocht haar zoon daar niet, maar hield wel regelmatig schriftelijk contact met hem.

In Brussel nam zij intussen representatieve taken op zich. Zij ontving onder meer hoge geallieerde dignitarissen en ambassadeurs. Bij het referendum sprak bijna 58 procent zich uit voor de terugkeer van Leopold III, die eind juli 1950 terugkeerde. Elisabeth ontving hem samen met zijn zonen Boudewijn en Albert in het Kasteel van Laken. Door de gewelddadige protesten en om de nationale eenheid te bewaren deed Leopold III op 1 augustus 1950 afstand van de troon ten voordele van Boudewijn. Die abdicatie werd van kracht op 16 juli 1951.

Elisabeth bleef boven partijtwisten staan en bleef een verbindend symbool van Belgie. Na de abdicatie verbleef zij soms in het Kasteel van Laken, maar meestal in het Kasteel van Stuyvenberg. Zij reisde ook vaak naar het buitenland. Daarnaast hervatte zij haar muzikale activiteiten en werd zij in 1953 ere-lid van de Académie royale des Sciences, des Lettres et des Beaux-Arts de Belgique. Zij woonde boekenbeurzen in Brussel en Antwerpen, toneelvoorstellingen en kunsttentoonstellingen bij. Tussen 1951 en 1964 volgde zij vanuit de koninklijke loge in het Palais des Beaux-Arts de Bruxelles de voorrondes en de finale van de Concours Musical Reine Elisabeth.

Contacten met Einstein en Schweitzer

In 1927 kwam Elisabeth van Beieren tijdens de vijfde Solvayconferentie in Brussel in contact met de beroemde wetenschapper Albert Einstein. Wanneer hij door België reisde, bezocht hij haar vaak in Laken om te praten en samen viool te spelen. Na de machtsovername van de nazi’s in 1933 woonde Einstein in de Verenigde Staten en ontmoetten zij elkaar persoonlijk niet meer. Toch bleef hij tot aan zijn dood in 1955 uitgebreid met haar corresponderen in het Duits. Hun briefwisseling ging vooral over muziek en vrede.

Elisabeth van Beieren had ook schriftelijk contact met Albert Schweitzer. Tussen 1952 en 1965 schreef hij ongeveer 50 brieven aan haar. Die gingen over zijn medisch werk in Lambarene in Gabon, maar ook over zijn werk als musicoloog, filosoof en pacifist.

Reizen, vrede en publieke discussies in de latere jaren

In haar latere jaren hield Elisabeth van Bavaria, koningin der Belgen, duidelijk vast aan haar belangstelling voor internationale contacten, muziek en vrede. Al in de late jaren 1930 voelde zij zich verwant met de Sovjet-Unie toen Sovjetmuzikanten prijzen wonnen. In 1950 steunde zij krachtig de Stockholm Appeal, die opriep tot een verbod op alle kernwapens. Tijdens de Koude Oorlog bezocht zij in de jaren 1950 verschillende communistische landen, ondanks het ongenoegen van de Belgische regering. Door die reizen kreeg zij in sommige kranten de bijnaam de Rode Koningin. Zij pleitte tijdens die bezoeken voor vrede en ontwapening. Haar reis naar de Chopin Muziekwedstrijd in Warschau in maart 1955 trok veel aandacht, en de Belgische staatsman Paul-Henri Spaak raadde haar af om achter het IJzeren Gordijn te reizen, maar zonder succes.

In januari 1958 reisde zij naar Belgisch-Congo, nog voor de onafhankelijkheid van de staat, en in maart 1958 bezocht zij de Sovjet-Unie voor de Tsjaikovskiwedstrijd in Moskou. Daar werd zij gefotografeerd met maarschalk Vorosjilov voor een standbeeld van Lenin, en zij sprak ook met Chroesjtsjov. Belgische kranten bekritiseerden haar gedrag in de Sovjet-Unie, maar zij veranderde haar politieke opvattingen of publieke optreden niet. Zij verleende ook financiële steun aan de Belgisch-Sovjet Vriendschapsvereniging. In 1959 verbleef zij twaalf dagen in Israël op uitnodiging van de regering. Zij werd er officieel ontvangen door president Yitzhak Ben Zvi, woonde diensten bij in de Grafkerk tijdens de Goede Week en opende in Jeruzalem een archeologisch instituut dat naar haar was genoemd.

Ook in de daaropvolgende jaren bleef zij zichtbaar aanwezig in het publieke leven. In 1960 huldigde zij de Koningin Elisabethzaal in Antwerpen in. Zij woonde de huwelijken van haar kleinzonen Albert II en Boudewijn bij op 2 juli 1959 en 15 december 1960. In september 1961 reisde zij met haar dochter Marie-José naar de Volksrepubliek China, ondanks bezwaren van de regering. Tijdens een tussenstop in Moskou werd een staatsbanket ter ere van haar gehouden. In China legde zij 3000 kilometer af, ontmoette zij regeringsleden in Peking, had zij een gesprek van tien minuten met Mao Tse-tung en bezocht zij ziekenhuizen en scholen. Begin 1962 had zij aan het Vaticaan een lang gesprek met paus Johannes XXIII. In mei 1962 woonde zij opnieuw de Tsjaikovski muziekcompetitie in Moskou bij en sprak zij daar langdurig met Chroesjtsjov. Zij prees hem als een vredelievende staatsman, wat meteen op kritiek in de pers stuitte. Later in 1962 bezocht zij Puerto Rico en de Verenigde Staten.

Laatste jaren en begrafenis

In de laatste decennia van haar leven ondernam Tod yogaoefeningen en maakte zij lange wandelingen. Zij onderging ook kuren met ijskoude baden. Tot op hoge leeftijd bleef zij relatief gezond, al ging haar lichamelijke toestand vanaf 1964 merkbaar achteruit. Op 4 november 1965 kreeg zij een eerste hartaanval, waarvan zij snel herstelde. Enkele weken later, op 23 november 1965, volgde een tweede hartaanval. Diezelfde avond stierf zij om 21 uur in Schloss Stuyvenberg, op 89-jarige leeftijd.

Na haar overlijden werd drie dagen nationale rouw afgekondigd. Haar begrafenis werd bijgewoond door adel uit heel Europa en door duizenden gewone Belgen. Miljoenen van haar landgenoten volgden de plechtigheid op televisie. Tijdens de uitvaartmis in de Sint-Michiels- en Sint-Goedelekathedraal sprak kardinaal Léon-Joseph Suenens lof over haar uit. Daarna werd zij bijgezet in de koninklijke crypte in de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Laken in Brussel.

Scroll naar boven