César Franck

Portret van César Franck, Belgische-Franse componist en organist, 1887
Portret van César Franck, Belgische-Franse componist en organist, 1887

César Franck werd geboren op 10 december 1822 in het centrum van Luik, in het hôtel de Grady aan de rue Saint-Pierre, en overleed op 8 november 1890 in Parijs. Hij was een Belgisch professor, organist en componist, en werd in 1870 Frans genaturaliseerd. Hij was de tweede van de vijf kinderen van Nicolas-Joseph Franck, een bankbediende geboren in Gemmenich nabij de huidige Duits-Nederlandse grens, en Marie-Catherine-Barbe Frings, geboren in Aix-la-Chapelle. Zijn oudere broer César-Hubert stierf enkele maanden na de geboorte, en van het gezin overleefden alleen César en zijn jongere broer Joseph de kindertijd. César toonde talent voor tekenen en wilde aanvankelijk een loopbaan in de schone kunsten. In 1830 schreef zijn vader hem in aan het Conservatoire de Liège om piano te studeren. Hij volgde er ook harmonie, won in 1834 eerste prijzen voor solfège en piano, en behaalde in 1835 op twaalfjarige leeftijd de eerste prijs van het conservatorium. Datzelfde jaar verhuisde het gezin naar Parijs, na een reeks concerten in België en Duitsland. Hij werd geweigerd aan het Conservatoire de Paris wegens zijn buitenlandse status.

Nicolas-Joseph Franck: de vader achter het wonderkind

César Franck was de zoon van Nicolas-Joseph Franck, geboren in Gemmenich nabij de Duits-Nederlandse grens, en gestorven in Aix-la-Chapelle. Nicolas-Joseph werkte als bankbediende, maar bezat ook opvallende muzikale vaardigheden: hij was organist, violist en componist. Daarnaast vervulde hij de functie van organist aan de kerk Saint-Thomas d’Aquin in Parijs, waar hij gewaardeerde concerten gaf. Deze combinatie van een burgerlijk beroep en een actieve muzikale praktijk maakt hem tot een sleutelfiguur in de familiale achtergrond van César Franck.

Nicolas-Joseph was tevens de drijvende kracht achter de carrière van zijn zonen. Hij organiseerde concerttournees, stuurde naturalisatieverzoeken in bij de overheid en regelde de publicatie van vroege composities. Zijn ambitieuze sturing had echter ook schaduwkanten: hij dwong César het conservatorium te verlaten nog vóór hij kon deelnemen aan de Prix de Rome, en bleef jarenlang als impresario optreden over de hoofden van zijn kinderen heen.

Jeugd, opleiding en eerste stappen in de muziek

César Franck groeide op als tweede kind in een gezin van vijf. Zijn oudere broer César-Hubert overleed enkele maanden na de geboorte; van de vijf kinderen van Nicolas-Joseph overleefden alleen César en zijn jongere broer Joseph de vroege kinderjaren. Franck toonde al vroeg aanleg voor tekenen en wilde aanvankelijk een carrière in de schone kunsten nastreven.

In 1830 schreef zijn vader hem in aan het Conservatoire de Liège om piano te studeren; Joseph studeerde er viool. Al op elfjarige leeftijd volgde Franck harmonielessen, en in 1834 behaalde hij grote prijzen voor zowel solfège als piano. Datzelfde jaar trad hij op in het Koninklijk Paleis in Brussel voor koning Léopold, tijdens een tournee die zijn vader door Duitsland en België had georganiseerd. Van 1833 tot 1835 studeerde hij harmonie bij Joseph Daussoigne-Méhul, een neef van de bekende componist Étienne Nicolas Méhul.

In het voorjaar van 1835 organiseerde zijn vader een reeks concerten in Luik, Brussel en Aix-la-Chapelle. Op twaalfjarige leeftijd behaalde Franck de eerste prijs van het Conservatoire de Liège. Kort daarop verliet de familie België om zich in Parijs te vestigen, in de rue de Montholon. Daar werd Franck geweigerd aan het Conservatoire de Paris door directeur Cherubini, uitsluitend omdat hij buitenlander was — terwijl zijn oudere broer Offenbach een jaar eerder wél was toegelaten. Voor Nicolas-Joseph Franck werd zelfs een naturalisatieverzoek ingediend bij het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Franck volgde vervolgens privélessen piano bij Pierre-Joseph-Guillaume Zimmerman en contrapuntlessen bij Antoine Reicha. Op 8 juni 1835 gaf hij een concert in het Gymnase musical in Parijs, dat ondanks de aankondigingen van zijn vader geen kritische weerklank kreeg in de pers. Hij werd later uitgenodigd om zijn eerste composities te spelen in de private salon van Erard. Daar voerde hij ook een nieuw Trio in fis-klein op, opgedragen aan Liszt, met César aan de piano, Joseph aan de viool en François-Émile Rignault aan de cello.

In oktober schreef Franck zich, op advies van zijn vader, in voor de orgelklas van François Benoist. In 1841 behaalde hij er de tweede prijs, na een opmerkelijke tussenkomst van een professor bij de jury. In 1842 verplichtte zijn vader hem het conservatorium te verlaten, nog vóór hij deelnam aan de Prix de Rome. Daarna keerde Franck terug naar Luik en wijdde hij zich aan compositie. Zijn vader liet in 1843 zijn trio’s opus 1 uitgeven bij Schlésinger in Leipzig. Franck en zijn broer Joseph gaven vervolgens concertreeksen in België, Duitsland en Frankrijk, met hun vader als impresario.

Na een tournee in zijn geboorteland keerde hij terug naar Parijs, waar hij lessen gaf in piano, contrapunt, harmonie en fuga. Onder druk van zijn vader begon hij aan het oratorium Ruth, dat hij uitvoerde in Erard’s, voor een publiek met onder meer Meyerbeer, Moscheles, Spontini, Pixis en Liszt. Liszt bood aan om Franck te helpen Ruth opnieuw op te voeren in de grote concertzaal van het Conservatoire.

Organist, improvisator en docent

In 1845 componeerde César Franck het symfonisch gedicht Ce qu’on entend sur la montagne en werkte hij aan de opera Le Valet de la ferme. Van 1845 tot 1863 trad hij ook op als pianobegeleider bij alle kamermuziekconcerten van het Institut musical d’Orléans. In de hal van dat instituut, onderaan het Conservatoire à rayonnement départemental d’Orléans, herinnert een plaquette aan zijn deelname.

Zijn loopbaan als organist nam een beslissende wending in 1853, toen hij organist werd aan de kerk Saint-Jean-Saint-François du Marais in Parijs. Daar speelde hij op een modern orgel van de befaamde orgelbouwer Aristide Cavaillé-Coll. In deze omgeving verfijnde hij zijn pedaalspel en ontwikkelde hij improvisatietechnieken die schatplichtig waren aan de methode van Jacques-Nicolas Lemmens. In 1858 werd hij titularis aan de kerk Sainte-Clotilde, waar hij een gloednieuw orgel van Cavaillé-Coll inwijdde. Hij bleef er titulair organist tot aan zijn dood in 1890 — een aanstelling van ruim dertig jaar.

Zoals orgelhistorici opmerken, vertegenwoordigde het orgel van Sainte-Clotilde voor Franck meer dan een instrument: het was het laboratorium waarin hij zijn meest karakteristieke harmonische en polyfone taal ontwikkelde, en de ruimte waar hij zich als meester-improvisator ontpopte.

Als docent aan het Conservatoire de Paris trok Franck een uitzonderlijke kring van leerlingen aan, waaronder Castillon, Duparc, Fumet, Bréville, Bordes, Vincent d’Indy en de componiste Marie Renaud-Maury. Veel studenten verlieten daarvoor de klassen van Guiraud, Thomas, Delibes of Massenet. In Francks klas kregen studenten ongewone vrijheid: hij moedigde hen aan te “musiceren, zelfs in klasopdrachten”, en corrigeerde hen met opmerkingen die aan het Conservatoire als onorthodox golden, maar door zijn studenten diep werden gewaardeerd.

In 1878 trad Franck op aan het Cavaillé-Coll-orgel in het Trocadéro-paleis, gebouwd voor de Universele Tentoonstelling van dat jaar. Hij speelde er improvisaties en de Trois pièces pour grand orgue, waarmee hij zijn reputatie als grootmeester van het orgel opnieuw bevestigde.

Creatieve hoogtepunten in de jaren 1881–1886

De eerste helft van de jaren 1880 was voor Franck buitengewoon productief. In het vroege deel van 1881 voltooide hij het oratorium Rebecca voor solisten, koor en orkest. In de zomer schreef hij Les Djinns voor orkest en piano, gebaseerd op Les Orientales van Victor Hugo. Ook de symfonische gedichten Le Chasseur maudit en het pianostuk Prélude, choral et fugue stammen uit 1881. Prélude, choral et fugue ging op 24 april 1881 in première met Marie Poitevin als soliste; Le Chasseur maudit werd datzelfde jaar voor het eerst uitgevoerd bij de Société nationale. Aan het einde van 1881 ontving Franck van het Institut de prix Chartier voor zijn kamermuziekproductie.

In 1883 werd Franck samen met Jules Danbe tijdens de vieringen van 14 juli aangekondigd als ridder van het Legioen van Eer. De benoeming werd bevestigd bij decreet op 2 augustus 1883. In 1885 schreef hij de Variations symphoniques voor piano en orkest, waarvan Franck zelf de première dirigeerde op 17 januari 1886 in Parijs, met Louis Diemer als solist aan de piano.

In de zomer van 1886 componeerde Franck zijn beroemde Vioolsonate. Die ging op 4 december 1886 in première in het Cercle artistique de Bruxelles, met Eugène Ysaÿe op viool en Marie-Léontine Bordes-Pène aan de piano. De sonate wijkt structureel af van de traditie: zij heeft vier delen in plaats van de gebruikelijke drie en werkt met drie terugkerende thema’s die de delen samenbinden.

Werk Jaar Première / uitgave
Rebecca (oratorium) 1881 Société nationale, Parijs
Les Djinns 1884 Société nationale, Parijs
Prélude, choral et fugue 1884 24 april 1881, Marie Poitevin (piano)
Le Chasseur maudit 1882 Société nationale, Parijs
Variations symphoniques 1885 17 januari 1886, Louis Diemer (piano)
Vioolsonate 1886 4 december 1886, Ysaÿe / Bordes-Pène, Brussel

Nieuwe werken en hun ontvangst door publiek en kritiek

Niet alle nieuwe werken van Franck werden enthousiast ontvangen. In 1886 begon hij aan het symfonische gedicht Psyché. Het werk werd dat jaar niet uitgevoerd bij de Société nationale, omdat het mythologische thema als een bezwaar werd beschouwd door de directie. Twee maanden later bracht Mme Bordes-Pène Prélude, aria et final pour piano ten gehore.

Prélude, choral et fugue werd in deze periode door sommige critici als saai en slaapverwekkend afgedaan. Toch vereist het stuk aanzienlijke pianistische virtuositeit, een strakke analytische benadering en een beheerst dynamisch spel om de polyfone helderheid over de volle lengte te bewaren — een eis die zelfs geoefende pianisten voor uitdagingen stelt.

De wisselende ontvangst weerspiegelde een bredere kloof tussen Francks esthetiek en de heersende smaak in het laat-negentiende-eeuwse Parijs, dat sterk beïnvloed was door het succes van de operamuziek. Toch bleef Franck componeren met onverminderde overtuiging, gesteund door zijn kring van toegewijde leerlingen.

Het laatste werkjaar: symfonie, strijkkwartet en drie koralen

In 1888 was César Franck zesenzestig jaar oud. Hij gaf zijn eerste privaatles om halfzeven ’s ochtends aan het Conservatoire en bleef tegelijkertijd zijn dienst aan Sainte-Clotilde voortzetten. In de zomer van 1888 voltooide hij zijn enige symfonie, de Symphonie en ré mineur, die hij opdroeg aan zijn leerling Henri Duparc. De première vond plaats in de grote concertzaal van het Conservatoire onder leiding van Jules Garcin, maar de ontvangst was verdeeld: critici als Camille Bellaigue en componisten als Ambroise Thomas en Charles Gounod reageerden negatief. Gounod noemde de symfonie beroemd genoeg “de onmacht van een orkestrator”.

Later werd het Quatuor à cordes en ré majeur gecreëerd bij de Société Nationale, waar het twee keer werd herhaald — een teken van waardering dat Franck diep raakte. Hij zei daarna dat het publiek hem eindelijk begon te begrijpen.

Begin 1890 overkwam hem in Parijs een verkeersongeval: zijn fiacre werd door een omnibus geraakt, waarbij hij gewond raakte aan de rechterzijde. Hij rustte korte tijd, maar bleef nadien doorcomponeren. Zijn laatste werk, de Trois chorals voor orgel, ademt de geest van Bachs koraalgenre, maar in een gewijzigde en persoonlijke harmonische taal. De laatste van de drie koraalvariaties werkte hij af aan het einde van september 1890. Op 8 oktober gaf hij zijn laatste les aan het Conservatoire; twee dagen later werd bij hem pleuritis vastgesteld. Hij overleed op 8 november 1890.

  • Symphonie en ré mineur (1888) — opgedragen aan Henri Duparc; première onder Jules Garcin
  • Quatuor à cordes en ré majeur — gecreëerd bij de Société Nationale; twee maal herhaald
  • Trois chorals voor orgel — laatste werk; voltooid eind september 1890

Invloed op de kamermuziek en de cyclische vorm

César Franck speelde een beslissende rol in de vernieuwing van de kamermuziek in de tweede helft van de negentiende eeuw. Zijn belangrijkste bijdrage was de systematische toepassing van het principe van de cyclische vorm: thema’s uit een vroeger deel keren terug in latere delen, waardoor de muziek als een organisch geheel wordt ervaren in plaats van als een aaneenschakeling van losstaande bewegingen.

In het slotdeel zorgde Franck voor structurele samenhang door thematische terugkeer én samenvoeging van eerder geïntroduceerde motieven, wat de compositie een duidelijke architectonische eenheid geeft. Dit principe is het duidelijkst hoorbaar in zijn Vioolsonate (1886) en zijn Pianokwintet (1879), werken die na zijn dood standaardrepertoire werden voor uitvoerenden wereldwijd.

Zoals muziekwetenschappers de cyclische werkmethode van Franck omschrijven: hij benaderde een meerdelig werk niet als een serie afzonderlijke karakterstukken, maar als één doorlopend dramatisch argument waarin elk deel de voorgaande herinnert en de volgende anticipeert.

Werken en catalogi: FWV en CFF

De meeste belangrijke werken van César Franck werden nog tijdens zijn leven gepubliceerd, maar slechts 21 ervan kregen van de uitgever een opusnummer. Franck begon zelf tweemaal met een opusnummering: eerst als wonderkind en later opnieuw aan het begin van de jaren 1840. Om verwarring te vermijden, stelde musicoloog Joël-Marie Fauquet voor om bij de vroegere opusnummers een nul voorop te plaatsen, zodat het Deuxième grand Concerto bijvoorbeeld als op. 011 wordt aangeduid in plaats van op. 11.

De meest gebruikte thematische catalogus is het Franck-Werk-Verzeichnis (FWV), opgesteld door Wilhelm Mohr. Hij deelde de werken op in:

  • Instrumentale werken: M. 1–48
  • Vocale werken: M. 49–91

De werken zijn per genre gerangschikt en binnen elk genre op compositiedatum. In 1999 stelde Joël-Marie Fauquet het CFF-catalogus op, dat gedetailleerde informatie bevat over vrijwel alle bekende werken en ook vele werken omvat die bij Mohr ontbreken.

In 2022 verscheen bovendien een kritische editie in acht delen van de orgel- en harmoniumwerken bij Lyrebird Music. Die editie volgt de nummering van het CFF-catalogus en bevat ook ongepubliceerde composities, waardoor het wetenschappelijk onderzoek naar Francks orgeloeuvre voor het eerst op een volledig bronnenkritisch fundament rust.

Woonadressen in Parijs

Tijdens zijn lange verblijf in Parijs woonde César Franck op meerdere adressen, die de opeenvolgende fasen van zijn leven weerspiegelen:

  1. 22, rue de Montholon — vanaf 1835, samen met zijn vader Nicolas-Joseph en broer Joseph Franck
  2. 6, rue de Trévise — volgend adres na de rue de Montholon
  3. 13, rue Laffitte — daarna
  4. 15, rue La Bruyère — vanaf 1844, met de familie Franck
  5. 95, boulevard Saint-Michel (gelijkvloerse verdieping) — van 1865 tot 1890, zijn langdurigste en meest productieve verblijfplaats

Het adres aan de boulevard Saint-Michel, waar hij vijfentwintig jaar woonde, viel samen met de periode waarin hij zijn meest gewaardeerde werken componeerde en zijn grootste invloed als docent uitoefende.

Monument, straten en blijvende herdenking

Op 29 mei 1893, drie jaar na Francks dood, werd in Parijs een monument voor hem ingehuldigd. Het beeld was in 1891 gebeeldhouwd door Alfred Lenoir en staat op het square Samuel-Rousseau, tegenover de kerk Sainte-Clotilde waar Franck decennialang organist was. Tijdens de plechtigheid hielden Vincent d’Indy en Justin Germain Casimir de Selves toespraken; het monument werd bij die gelegenheid officieel overgedragen aan de stad Parijs. Aansluitend trok het publiek naar Sainte-Clotilde, waar Francks belangrijkste orgelwerken werden gespeeld.

De nalatenschap van César Franck leeft voort in talrijke straten en instellingen in Frankrijk en België:

  • In Luik bestaat sinds 1894 de rue César Franck; ook in Elsene (Brussel) is er een straat met die naam.
  • In Parijs werd in 1900 de rue César-Franck geopend in het 15e arrondissement.
  • Daarnaast dragen nog vele andere steden en gemeenten een rue César-Franck, onder meer in Créteil, Saint-Germain-en-Laye, Marseille, Rouen, Le Havre, Colmar, Lille, Mons-en-Baroeul, Perpignan, Avignon en Châteaubriant.
  • In Parijs bestond de École César-Franck, die muzieklessen aanbood tot haar sluiting in 1981.
  • Drie colleges dragen zijn naam: in Parijs, Palaiseau en Amiens.
  • In de astronomie leeft zijn naam voort als de planetoïde (4546) Franck, ontdekt in 1990.
Scroll naar boven