José van Dam

José van Dam als Hoffmann in 1988
José van Dam als Hoffmann in 1988

José van Dam trad op 17-jarige leeftijd toe tot het Conservatoire Royal de Bruxelles en studeerde er bij Frederic Anspach. Een jaar later behaalde hij er volle punten voor zang en operatische interpretatie. In 1961 debuteerde hij in de Opéra de Paris als Don Basilio in Il barbiere di Siviglia van Gioachino Rossini. In 1964 won hij het Concours international d'exécution musicale de Genève.

Daarna bouwde hij een loopbaan uit in verschillende operahuizen. Hij zong twee seizoenen in Genève, aan de Teatro alla Scala in Milaan, in Covent Garden en in Parijs. In deze periode vertolkte hij vooral de rol van Escamillo, onder meer in Carmen van Georges Bizet. In 1965 en 1966 trad hij ook in het Grand Théâtre de Genève op in uiteenlopende rollen, waaronder L'Orateur in Il flauto magico, 1er apprenti in Wozzeck, Héraut II in Jeanne d'Arc au bûcher, Lodovico in Otello en Le Bailli in Werther. In 1966 en 1967 volgden nog andere rollen, zoals Crespel, Maître Fal, Jacopo Fiesco, Baron Douphol en een soldaat in Salomè.

Opleiding aan het Conservatorio Reale di Bruxelles

Op 17-jarige leeftijd ging José van Dam naar het Conservatorio Reale di Bruxelles. Daar studeerde hij bij Frederic Anspach. Slechts een jaar na zijn inschrijving behaalde hij zijn diploma met volle punten voor zang en operatische interpretatie.

Doorbraak op internationale operapodia

In 1961 debuteerde José van Dam in de Opéra de Paris als muziekmeester Don Basilio in Il Barbiere di Siviglia van Gioachino Rossini. Vier jaar later, in 1965, vertolkte hij er ook de rol van Escamillo in Carmen van Georges Bizet. Daarna zong hij twee seizoenen in Genève, aan de Teatro alla Scala in Milaan, in Covent Garden en opnieuw in Parijs. Vooral de rol van Escamillo bleef hij vaak uitvoeren in theaters in Genève, Milaan, Londen en Parijs.

Geneve: prijzen en rollen

In 1964 won José van Dam de Concours international d'exécution musicale de Genève. Dat succes werd gevolgd door een reeks optredens in het Grand Theatre of Geneva. In 1965 vertolkte hij er L'Orateur in Il flauto magico en de eerste leerling in Wozzeck.

In 1966 breidde hij zijn repertoire in Geneve sterk uit. Hij zong Héraut II in Jeanne d'Arc au bucher van Arthur Honegger, Lodovico in Otello naast Tito Gobbi en Gwyneth Jones, Le Bailli in Werther, een politiecommissaris in Il cavaliere della rosa met Lisa Della Casa, Crespel in Les contes d'Hoffmann met Nicola Rossi-Lemeni en Virginia Zeani, Maître Fal in de premiere van La Mère Coupable van Darius Milhaud, Jacopo Fiesco in Simon Boccanegra en Le chiffonnier in Louise.

Ook in de daaropvolgende jaren bleef hij er aanwezig. In 1967 was hij Baron Douphol in La traviata, Sébastien, broer van Sébastien, in La Tempête van Frank Martin met Ramon Vinay, een soldaat in Salome, Fritz Kothner in I maestri cantori di Norimberga en Masetto in Don Giovanni met Fernando Corena en Graziella Sciutti. In 1968 speelde hij Sancho in Don Quichotte van Jules Massenet. Later volgden Figaro in Le nozze di Figaro in 1970 en Leporello in Don Giovanni met Edda Moser in 1972.

Optredens in Genève

In het Grand Théâtre de Genève bouwde José van Dam tussen 1980 en 2010 een opvallende aanwezigheid op, met zowel recitals als operarollen. In 1980 gaf hij er een recital met muziek van Schumann, Wolf, Ropartz, Ibert en Poulenc. Later keerde hij er terug als Frère Laurent in Roméo et Juliette naast Nicolai Gedda, en in 1988 zong hij er ook Hérode en Le père de famille in L'Enfance du Christ van Hector Berlioz.

In 1991 vertolkte hij er Guillaume Tell in Guglielmo Tell met Chris Merritt, gaf hij een recital met muziek van Franz Schubert en verscheen hij als Le Hollandais in L'olandese volante, onder regie van Christian Thielemann. Drie jaar later, in 1996, volgde opnieuw een recital, ditmaal met muziek van Brahms, Wolf, Duparc, Ibert en Poulenc. Daarna zong hij Barak in La donna senz'ombra in 1997 en Méphistophélès in La damnation de Faust in 1998.

In 2000 speelde hij Golaud en le Berger in Pelléas et Mélisande en gaf hij opnieuw een recital in Genève. Een jaar later vertolkte hij de verschillende figuren Lindorf, Coppélius, Miracle en Dapertutto in Les contes d'Hoffmann. Zijn latere optredens in het Grand Théâtre omvatten Claudius in Hamlet in 2006 en Baron Mirko Zeta in Die lustige Witwe in 2010, naast een recital met muziek van Fauré, Duparc, Debussy en Ibert.

Internationale doorbraak en grote operahuizen

Lorin Maazel speelde een belangrijke rol in de internationale loopbaan van José van Dam. Hij nodigde hem in 1967 uit naar de Deutsche Oper Berlin en liet hem ook L'Heure espagnole van Ravel opnemen voor Deutsche Grammophon. In datzelfde jaar zong van Dam Escamillo in Carmen aan de Opera of Santa Fe. Een jaar later vertolkte hij Peisandros in de première van Odysseus van Luigi Dallapiccola in de Deutsche Staatsoper Berlin, onder regie van Maazel.

Vanaf 1968 was hij ook actief op het Festival di Salisburgo, waar hij deelnam aan de première van Rappresentatione di Anima, et di Corpo van Emilio de' Cavalieri in de Felsenreitschule. In de jaren daarna bleef hij er geregeld optreden: in 1975 zong hij een friar in de première van Don Carlo in het Großes Festspielhaus, samen met Herbert von Karajan en Mirella Freni. In 1978 vertolkte hij Sprecher in Die Zauberflöte in de Felsenreitschule, onder leiding van James Levine. In 1979 verscheen hij als Figaro in Le nozze di Figaro in het Großes Festspielhaus, met Kiri Te Kanawa.

Ook in de Verenigde Staten bouwde hij verder aan zijn reputatie. In 1970 trad hij op aan San Francisco Opera als Escamillo in Carmen, als First Nazarene in Salomè en als Cesare Angelotti in Tosca, samen met Renato Capecchi en Régine Crespin. Hij zong vanaf 1970 in grote operahuizen wereldwijd werken van onder meer Bach, Mozart, Brahms, Mahler, Bruckner, Mendelssohn, Poulenc en Schubert. In 1981 vertolkte hij Four Villains in I Racconti di Hoffman, en in Les contes d'Hoffmann speelde hij Lindorf, Coppélius, Dr. Miracle en Dapertutto in het Großes Festspielhaus, opnieuw onder James Levine. Daarna volgden onder meer L'Olandese Volante in 1982, Filippo II op het Festival di Pasqua en in de Metropolitan Opera in New York in 1985, en Escamillo in Carmen in het Großes Festspielhaus met Agnes Baltsa en José Carreras, onder Herbert von Karajan.

Internationale doorbraak in de grote operahuizen

José van Dam bouwde in de jaren 1970 en daarna een opvallende aanwezigheid op in grote operahuizen. In 1972 maakte hij zijn debuut aan de Wiener Staatsoper als Figaro in Le nozze di Figaro, met Gruberova. In datzelfde jaar debuteerde hij ook aan Teatro alla Scala di Milano als Escamillo in Carmen, met Fiorenza Cossotto onder leiding van Georges Prêtre. Aan de Royal Opera House volgde in 1973 een debuut als Escamillo in Carmen, met Thomas Allen, Kiri Te Kanawa, Plácido Domingo en Shirley Verrett onder Georg Solti. In 1975 debuteerde hij bovendien aan de Metropolitan Opera House in New York als Escamillo in Carmen, met Crespin.

Zijn band met de Wiener Staatsoper bleef in de jaren daarna sterk. Hij zong er in 1977 Colline in La bohème, en ook Leporello in Don Giovanni en Ferrando in Il trovatore, samen met Cappuccilli, Leontyne Price, Ludwig en Luciano Pavarotti onder Herbert von Karajan. In 1978 vertolkte hij er Don Giovanni met Anna Tomowa-Sintow en Walter Berry. Later volgden nog Un frate in Don Carlo in 1980, Der Holländer in Der fliegende Holländer in 1986, Jochanaan in Salomè in 1986, Hans Sachs in Die Meistersinger von Nürnberg in 1990 met Lucia Popp onder Colin Davis, en Golaud/Golo in Pelléas et Mélisande in 1991 onder Claudio Abbado.

Ook aan Teatro alla Scala bleef hij terugkeren. Hij zong er Figaro in Le nozze di Figaro in 1974 met Hermann Prey, Freni en Teresa Berganza onder Claudio Abbado. Verder gaf hij er een concert in 1984, verving hij Thomas Allen als Don Giovanni in 1987 met Gruberova onder Riccardo Muti, zong hij Mozarts Requiem met Waltraud Meier, uitgezonden op Canale 5 vanuit La Scala in 1987, bracht hij Die Winterreise in 1992, trad hij op in de première van La damnation de Faust in 1995 met Frederica von Stade onder Seiji Ozawa, gaf hij recitals in 1997 en 1999, en keerde hij terug met Die Winterreise in 2006.

Naast deze vaste podia trad hij ook op in andere Europese huizen, onder meer als Gasparo in Il franco cacciatore aan Teatro La Fenice di Venezia in 1974, als Escamillo in een herneming van Carmen aan het Nuovo Teatro Regio di Torino in 1975, als Wozzeck aan de Royal Opera House in 1984, als Jokanaan in Salomè in 1986 en als Philippe II in Don Carlo in 1996 met Roberto Alagna onder Bernard Haitink.

Internationale operapodiums en latere optredens

José van Dam bouwde in de jaren zeventig en tachtig een opvallende internationale operacarrière uit, met terugkerende optredens in onder meer de Metropolitan Opera House in New York en het Opéra National de Paris. In 1977 zong hij er de rol van Golaud in Pelléas et Mélisande met Teresa Stratas, onder leiding van Levine, en datzelfde jaar verscheen hij er als Colline in La bohème met Renata Scotto en Domingo, onder James Conlon. In 1979 vertolkte hij de Dutchman in Der fliegende Holländer met Jean Kraft, opnieuw onder Levine, en in 1980 zong hij Wozzeck, eveneens onder Levine. Later keerde hij er terug als Figaro in Le nozze di Figaro met Kathleen Battle en von Stade in 1986, en in 1989 als Lindorf/Coppélius/Dr Miracle/Dapertutto in Les Contes d'Hoffmann. In Carnegie Hall zong hij in 1996 Méphistophélès in La Damnation de Faust van Berlioz met Anne Sofie von Otter onder Levine, en in 2005 trad hij er opnieuw op in een concert met de Metropolitan Opera.

Ook in Parijs was hij herhaaldelijk aanwezig. In 1983 vertolkte hij de rol van Saint-François in de première van Saint-François d'Assise van Olivier Messiaen in Théâtre de l'Opéra, onder leiding van Ozawa. In 1992 was hij er opnieuw te horen als Lindorf/Coppélius/Dr Miracle/Dapertutto in Les contes d'Hoffmann en als Saint François in San Francesco d'Assisi met Dawn Upshaw. Daarna volgden Der Holländer in Il vascello fantasma onder Chung Myung-whun in 1993, Golaud in Pelléas et Mélisande onder Conlon in 1997, Leporello in Don Giovanni met Bryn Terfel, Carol Vaness en Barbara Frittoli onder Conlon in 1999, Méphistophélès in La damnation de Faust met Larmore onder Ozawa in 2001, Don Quichotte in Don Quichotte van Massenet in 2002, en Alexander Petrovich Goriantchikov in De la Maison des morts van Janáček en Tchélio in L'amore delle tre melarance in 2005.

Verder trad hij op in Edinburgh met Opéra de Lyon als Golaud in 1985, in de film Il maestro di musica in 1988, als Barbe Bleue in Ariane et Barbe-bleue in Barcelona in 2011, als Golaud in Verbier in 2012 en als Sprecher in Die Zauberflöte in Baden-Baden in 2013. Ook een filmversie van Don Giovanni met Leporello dateert van 1979.

Scroll naar boven