Achille Van Acker was een Belgische politicus, afkomstig uit een arbeidersgezin in Brugge, West-Vlaanderen. Hij werd in 1898 geboren als jongste van twaalf kinderen, als zoon van een mandenmaker. Op tienjarige leeftijd verliet hij de school om in het mandenmakersvak te werken. In Brugge sloot hij zich aan bij verschillende sociale verenigingen. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd hij door het Belgische leger geweigerd wegens astigmatisme. Tijdens de Duitse bezetting vluchtte hij naar het kleine onbezette gebied achter het IJzerfront, waar hij in uiteenlopende eenvoudige functies werkte. In die periode raakte hij betrokken bij de socialistische politiek en ontwikkelde hij een eigen, gematigde sociaaldemocratische overtuiging. Na de oorlog keerde hij terug naar Brugge en trad hij toe tot de Belgische Werkliedenpartij. Daarna werd hij actief in socialistische groepen, vakbonden en coöperatieven. Van Acker was een gematigde politicus uit Vlaanderen en lid van de Belgische Socialistische Partij. Tussen 1945 en 1958 was hij drie keer eerste minister van België. Hij speelde een belangrijke rol bij de opbouw van de Belgische welvaartsstaat, organiseerde de succesvolle steenkoolstrijd en stimuleerde de steenkoolproductie na de Tweede Wereldoorlog, wat bijdroeg aan het snelle economische herstel van België.
- Welke rol speelde Achille Van Acker in het naoorlogse België?
- Hoe ontwikkelde Achille Van Acker zich van een jongen uit een arbeidersgezin tot een belangrijke figuur in de Belgische socialistische politiek?
- Welke functies bekleedde Achille Van Acker na de Tweede Wereldoorlog?
- Welke sociale en arbeidsmaatregelen werden in deze periode ingevoerd?
- Welke moeilijkheden en hervormingen kenmerkten de kabinetten van Achille Van Acker?
- Welke sociale en onderwijsmaatregelen werden in deze periode genomen?
- Welke sociale en arbeidsmaatregelen kwamen in 1956 en 1957 tot stand?
- Welke internationale en Europese standpunten nam Achille Van Acker in tijdens zijn politieke loopbaan?
- Hoe bleef Achille Van Acker politiek actief na zijn laatste premierschap?
Eerste naoorlogse jaren en sociaal beleid
Achille Van Acker was een Belgische politicus uit Vlaanderen en een gematigd lid van de Belgische Socialistische Partij (PSB-BSP). Tussen 1945 en 1958 was hij drie keer eerste minister van België. In die periode speelde hij een belangrijke rol bij de uitbouw van de Belgische welvaartsstaat. Ook organiseerde hij de succesvolle steenkoolstrijd en stimuleerde hij de steenkoolproductie na het einde van de Tweede Wereldoorlog. Daardoor hielp hij België om zich economisch snel te herstellen.
Van arbeidersjongen tot socialistisch voorman
Achille Van Acker werd in 1898 in Brugge geboren in een arbeidersgezin, als jongste van twaalf kinderen. Hij was de zoon van een mandenmaker en verliet al op tienjarige leeftijd de school om zelf in het mandenmakersvak te gaan werken. In Brugge sloot hij zich aan bij verschillende sociale verenigingen. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, werd hij door het Belgische leger afgewezen wegens astigmatisme. Hij vluchtte daarop naar het kleine onbezette gebied achter het IJzerfront en werkte daar tijdens de oorlog in uiteenlopende eenvoudige functies.
Tijdens zijn contacten met Belgische soldaten raakte hij betrokken bij de socialistische politiek. In die periode ontwikkelde hij een eigen ideologie, gebaseerd op gematigde sociaaldemocratie. Na het einde van de oorlog keerde hij terug naar Brugge en sloot hij zich aan bij de Belgische Werkliedenpartij. Daarna werd hij actief in socialistische groepen, vakbonden en coöperatieven. In 1926 werd hij verkozen in de Brugse gemeenteraad. Een jaar later, in 1927, werd hij op 29-jarige leeftijd lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers voor de POB-BWP.
In zijn eerste parlementaire jaren bouwde hij bijzondere expertise op in de wetgeving rond sociale zekerheid. Hij sprak vloeiend Frans, maar met een accent en met een uitspraak waarbij hij de ch-klank als z uitsprak. Dat leverde hem spot op, al werd hij door het publiek ook gezien als een gewone man. Zijn achtergrond gaf hem later, toen hij eerste minister was, het beeld van een man van het volk.
Na de oorlog
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte Achille Van Acker aan een oplossing voor de arbeidsverhoudingen tussen werkgevers en werknemers. Daarbij slaagde hij erin de instemming te verkrijgen van alle betrokken politieke partijen. Na de oorlog werd hij in vier verschillende regeringen eerste minister van België. Daarnaast bekleedde hij na de Tweede Wereldoorlog verschillende ministerposten: hij was minister van Arbeid en Sociale Voorzorg, minister van Volksgezondheid, minister van Verkeer en minister van Mijnwezen. Door zijn rol als minister van Mijnwezen kreeg hij ook een bijnaam. In 1958 werd hij benoemd tot minister van Staat.
Sociale hervormingen en arbeidsbescherming
Tijdens zijn eerste premierschap voerde Achille Van Acker in maart 1945 een verplichte invaliditeitsverzekering in, samen met een verplichte ziekteverzekering voor arbeiders en bedienden. Vanaf januari 1946 werd via de ziekenfondsen ook een bijzondere bijdrage bestemd voor preventieve openluchtkuren. In dezelfde periode werden de arbeids- en sociale zekerheidsmaatregelen verder uitgebreid: de lonen en welzijnsvergoedingen van mijnwerkers werden opgetrokken tot het hoogste niveau binnen de Belgische werkenden, en de wetgeving over arbeidsongevallen werd versterkt. Zo werden de regels voor wegongevallen, die sinds 1942 bestonden, op 13 december 1945 juridisch bekrachtigd. Ook werd het beginsel van een algemeen recht op werkloosheidsuitkering vastgelegd op 26 mei 1945.
Daarnaast werden verschillende groepen beter beschermd. Vanaf april 1945 werden de voorwaarden voor uitkeringen aan gedeporteerden van buitenlandse nationaliteit versoepeld. In september 1945 werd de arbeidsongevallenvergoeding uitgebreid tot dienstmeisjes, en in december 1945 tot ongevallen op weg van en naar het werk. In oktober 1945 kwamen algemene regels voor medische controle van werknemers in industriële en commerciële ondernemingen, evenals voorschriften voor persoonlijke beschermingsmiddelen ter bescherming van de gezondheid. Een wet van december 1945 maakte het voor eigenaars mogelijk om een renteloze voorschot op hun vergoeding te verkrijgen. Voor de industriële hygiëne werd in december 1945 een Hoge Raad voor Hygiëne in de Mijnen opgericht, en in februari 1946 werd het oprichten van veiligheids- en hygiënecomités verplicht. Tot slot keurde een besluit van de Regent op 11 februari 1946 de titels I en II van de algemene arbeidsbeschermingsregels goed, terwijl in januari 1946 ook de jaarlijkse vakantie werd geregeld voor alle personen die door een arbeidsovereenkomst of leercontract gebonden waren.
Regeringswerk en hervormingen
De eerste drie kabinetten onder leiding van Van Acker waren van korte duur door de Leopold III-crisis, die liep van 1944 tot 1951. Zijn vierde kabinet voerde daarna hervormingen door om de sociale uitgaven uit te breiden voor pensioenen, huisvesting, werkgelegenheid en onderwijs. Daarnaast werd de termijn van de verplichte militaire dienst teruggebracht van 21 naar 18 maanden.
Sociale en onderwijsmaatregelen
In 1954 en de daaropvolgende jaren werden verschillende sociale regelingen en onderwijsmaatregelen ingevoerd. Een koninklijk besluit van 30 juni 1954 verhoogde de pensioenaanvullingen voor bedienden en hun weduwen tot hetzelfde bedrag als voor arbeiders en hun weduwen. Hetzelfde jaar werd ook het minimumpensioen verhoogd en werden de pensioenuitkeringen gekoppeld aan de index. Op 16 juli 1954 kregen thuisarbeiders recht op vergoeding voor werkloosheidsperiodes van minstens zes werkdagen, en op 14 december 1954 werd gratis, niet-bijdragende geneeskundige bijstand ingevoerd voor invalide mijnwerkers. Die maatregel breidde de niet-bijdragende gezondheidsbijstand ook uit tot bepaalde gepensioneerden op leeftijd en invalide personen.
In 1955 en 1956 volgden verdere hervormingen. Voor handarbeiders werden in 1955 een loongebonden pensioenstelsel ingevoerd, terwijl dit in 1956 werd uitgebreid naar zeelieden en in 1957 naar bedienden. De wetten van 21 mei 1955 en 12 juli 1957 legden pensioenen vast op basis van de loopbaan en bepaalden percentages van het bruto loon. Een wet van juli 1957 voerde voor bedienden een loongebonden pensioenformule in. Daarnaast werd in 1956 het recht op vakantieverlof verdubbeld van 6 naar 12 dagen, en werd in 1955 de 45-urenwerkweek ingevoerd.
Ook op het vlak van onderwijs en gezinspolitiek werden maatregelen genomen. De Collardwet van 1955 beperkte de gemeenten om private scholen toe te laten nadat zij, waar nodig, openbare scholen hadden opgericht. Er werden nieuwe scholen gebouwd en in de begroting van 1956 was de aankoop van schoolmateriaal voor leerlingen van het lager en kleuteronderwijs door de staat opgenomen. Bij koninklijk besluit van 24 juli 1956 werd het gezinsbijslagstelsel uitgebreid naar meer werkgevers en naar niet-loontrekkende werkers.
Sociale en arbeidsmaatregelen in 1956-1957
In 1956 en 1957 werden verschillende sociale en arbeidsmaatregelen ingevoerd die verband houden met Achille Van Acker. Een koninklijk besluit van 14 december 1956 verbood de tewerkstelling van kinderen onder zestien jaar in mijnen en steengroeven. Daarnaast voorzagen een wet van 28 juni 1956 en een koninklijk besluit van 4 augustus 1956 onderwijsvergoedingen voor oorlogskinderen in moeilijke omstandigheden.
Op 23 mei 1957 werd een nationaal centrum voor beroepsinformatie en -ori
Internationale standpunten en Europese integratie
Tijdens zijn politieke loopbaan was Achille Van Acker betrokken bij internationale aangelegenheden. In zijn eerste premierschap pleitte hij voor een westers blok met Denemarken, Nederland en België. Hij stelde daarbij dat de Anglo-Saksische landen een nieuwe politieke macht in Europa moesten aanvaarden. Ook reageerde hij gunstig op de machtsovername van de Labour Party in Groot-Brittannië en op de invloed daarvan op linkse groepen in Europa, al was hij verrast door de omvang van die verkiezingsoverwinning.
Van Acker verschilde van mening met de Nederlandse premier over de rol van Duitsland als gezonde economische eenheid voor de welvaart van West-Europa. Hij was van oordeel dat Duitsland beter in drie of vier staten kon worden opgesplitst om een heropleving van de macht te vermijden. In 1958 ondertekende hij een economische unie met Luxemburg en Nederland. In een studie uit 1959 werd hij omschreven als een sleutelfiguur in de beweging om West-Europa te verenigen en als een voorstander van de NAVO.
Tegelijk stond hij ook kritisch tegenover bepaalde integratieplannen. Hij verzette zich tegen het Schumanplan voor de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en tegen het grootste deel van de steun van de PSB voor die gemeenschap, omdat hij onvoldoende waarborgen zag voor de werkgelegenheid in de mijnbouw en voor de loonstandaarden.
Politieke rol na zijn eerste premierschap
Achille Van Acker bleef ook lang na zijn laatste premierschap politiek betrokken. Tijdens de Belgische algemene staking van 1960-1961 greep hij in en speelde hij een matigende rol tussen de socialistische vakbonden en de regering-Eyskens III. Hij vond dat de verliezen van de staking zwaarder wogen dan de mogelijke winst van het verwerpen van de bezuinigingswet. Volgens hem moest de regering samenwerken met de socialisten om uit de impasse te raken. Hij erkende dat er meer belastingen nodig waren, maar wees er ook op dat de sfeer die door de staking was ontstaan een oplossing onmogelijk maakte. Hij stelde voor om de regeringsvoorstellen over het beperken van aanvragen voor werkloosheidsuitkeringen eerst te laten bestuderen door een onafhankelijke commissie voor ze in werking traden. Gaston Eyskens ging ermee akkoord dat het parlement moest overwegen om die voorstellen te laten onderzoeken. De bezuinigingswet werd uiteindelijk toch goedgekeurd. Van Acker meende dat die wet werd doorgeduwd uit ijdelheid en riep op tot het ontslag van de regering. Zijn bemiddelende rol legde mee de basis voor de katholiek-socialistische regering-Lefevre.