Alfred Stevens was een Belgische schilder, geboren in Brussel en overleden in Parijs. Hij begon in 1844 te studeren aan de École nationale supérieure des beaux-arts de Paris, waar hij les kreeg van Ingres. Daarvoor volgde hij een opleiding in het atelier van Joseph Paelinck van 1837 tot 1839 en in dat van François-Joseph Navez. Zijn loopbaan kende een snelle opgang in België en Frankrijk, al bracht hij het grootste deel van zijn leven in Frankrijk door. In Parijs bewoog hij zich in artistieke en sociale kringen en was hij bevriend met Édouard Manet, Berthe Morisot en Alexandre Dumas (zoon). Stevens was aanvankelijk niet verbonden met het impressionisme, maar vanaf 1883 herzag hij zijn schilderkunst en maakte hij impressionistische landschappen. Hij werd vooral bekend om genrescènes met jonge, modieuze vrouwen. Zijn broer Arthur Stevens was een kunsthandelaar die Franse schilders promootte. Stevens kreeg ook de opdracht voor het panoramische fresco Le Panorama du siècle voor de Wereldtentoonstelling van 1889, nu in handen van de musea voor schone kunsten van Brussel.
- Hoe verliep de carrière van Alfred Stevens in Frankrijk en met wie bewoog hij zich daar om?
- Hoe ontwikkelde Alfred Stevens zich tussen 1844 en 1866 als kunstenaar?
- Hoe verliep Alfred Stevens’ snelle opgang in de jaren 1851 tot 1863?
- Hoe ontwikkelde Alfred Stevens zich tussen 1867 en 1872 als kunstenaar en kunstpromotor?
- Hoe ontwikkelden de ateliers van Alfred Stevens zich en wie volgden er les?
- Hoe ontwikkelde de stijl en carrière van Alfons Stevens zich in de jaren 1880 en 1890?
- Hoe komt de herziening van Alfred Stevens tot uiting in zijn schilderijen?
- Welke opleiding volgde Alfred Stevens en welke onderscheidingen ontving hij?
Carrière in Frankrijk en artistieke kring
Vanaf 1844 studeerde Alfred Stevens bij Ingres aan de École nationale supérieure des beaux-arts van Parijs. Daarna kende zijn carrière een snelle opgang in België en Frankrijk. Het grootste deel van zijn leven bracht hij in Frankrijk door, waar hij verbonden was met artistieke en sociale kringen in de Franse hoofdstad. Hij was bevriend met Édouard Manet, Berthe Morisot en Alexandre Dumas (zoon). Zijn broer was een kunsthandelaar in Parijs en Brussel en zette zich in om Franse schilders te promoten.
Stevens stond aanvankelijk los van de impressionistische beweging. Hij werd vooral bekend om genrescènes met jonge, modieus geklede vrouwen. Zijn schilderijen werden voor zeer hoge prijzen verkocht. Met Manet deelde hij een vrouwelijk model, Victorine Meurent, die ook poseerde voor Olympia. Vanaf 1883 begon Stevens zijn opvatting over schilderen te herzien en maakte hij impressionistische landschappen. In 1889 kreeg hij de opdracht voor een panoramische fresco voor de wereldtentoonstelling van 1889, Le Panorama du siècle, die nu eigendom is van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van Brussel.
1844-1866: een snelle opgang
Alfred Stevens was de zoon van de Brusselaar Léopold Stevens, die in 1837 overleed, en hij was de broer van Joseph Stevens en van kunsthandelaar Arthur Stevens (1825-1890). Hij was ook de vader van schilder Léopold Stevens. Stevens volgde een opleiding in verschillende ateliers: eerst bij François-Joseph Navez, vervolgens bij Joseph Paelinck van 1837 tot 1839, en daarna bij Jean-Baptiste Van Eycken in 1839 en 1840. In 1844 verhuisde hij op aanraden van Camille Roqueplan naar Parijs, waar hij diens atelier bezocht. Hij werd toegelaten tot de École nationale supérieure des beaux-arts in het atelier van Ingres en verscheen in het register van kopisten van het Louvre als leerling van Joseph-Nicolas Robert-Fleury. Daarnaast bezocht hij het atelier van Florent Willems. In deze periode bouwde hij ook een netwerk uit van kunstenaars en schrijvers; zo was hij bevriend met schilder Charles de Groux, maar ook met Édouard Manet, Charles Baudelaire en Aurélien Scholl.
Snelle opgang en doorbraak
Alfred Stevens maakte tussen 1844 en 1866 een snelle opgang. Hij stelde in 1851 tentoon in Brussel, onder meer met het werk *Le Soldat blessé*. Op de Wereldtentoonstelling van 1855 in Parijs presenteerde hij vier schilderijen: *La Sieste*, *Le Premier jour du dévouement*, *La Mendiante* en *Les Chasseurs de Vincennes*. Dat laatste schilderij beeldde soldaten af die zwervers arresteerden. Het werk riep bezwaar op bij Émilien de Nieuwerkerke en trok ook de aandacht van Napoleon III. Volgens de beschikbare gegevens leidde dit ertoe dat Napoleon III soldaten beval om arme mensen niet langer op straat achterna te zitten, en dat armen naar de Conciergerie moesten worden gebracht.
In deze periode liet Stevens de ellende als inspiratiebron geleidelijk los en richtte hij zich op voorstellingen van eigentijdse vrouwen, afgewisseld met militaire scènes. Hij werd door koning Leopold I onderscheiden op het Salon van Antwerpen voor het schilderij *Chez soi*. In 1858 huwde hij met Marie Blanc; Alexandre Dumas (zoon), Eugène Delacroix en talrijke andere kunstpersoonlijkheden waren getuigen van dat huwelijk.
Vanaf 1860 kende Stevens groot succes met schilderijen van jonge vrouwen in de nieuwste mode, die poseerden in elegante interieurs. Op het Salon van Schilder- en Beeldhouwkunst van 1861 stelde hij verschillende werken tentoon, waaronder *Tous les bonheurs*, *Une veuve et ses enfants*, *Mauvaise nouvelle* ook bekend als *La Lettre de rupture*, *Le Bouquet surprise*, *Une mère* en *Le convalescent*. *Mauvaise nouvelle* wordt bewaard in het Musée d'Orsay. In 1862 werkte Édouard Manet in Stevens’ ruimere atelier aan de Taitboutstraat 18. In maart 1863 stelde Stevens opnieuw verschillende schilderijen tentoon in Parijs. Enkele dagen na de opening van het Salon ontmoette hij Whistler in Londen.
De Parijse jaren en de artistieke doorbraak
Tussen 1867 en 1872 bereikte Alfred Stevens het hoogtepunt van zijn loopbaan. Hij gold in die jaren als een erkend schilder en zelfs als “de meest Parijse van de Belgen”. Op de Exposition universelle van 1867 triomfeerde hij met achttien schilderijen. Daarvoor ontving hij een gouden medaille en werd hij bevorderd tot officier in het Legioen van Eer. Hij stelde er onder meer Le Bain en L’Inde à Parijs tentoon.
Stevens was in die periode ook sterk ingebed in het Parijse kunstleven. Hij ontmoette Charles Baudelaire en Eugène Delacroix, bezocht vaak café Guerbois en café Tortoni, en raakte bevriend met Frédéric Bazille. Via zijn kronieken in Le Figaro, onder het pseudoniem J. Graham, prees hij herhaaldelijk het talent van Édouard Manet en besprak hij Le Déjeuner sur l’herbe. Hij introduceerde Manet bovendien bij de kunsthandelaar Paul Durand-Ruel en diens kring, waarin ook Edgar Degas en Berthe Morisot voorkwamen.
Samen met Arthur Stevens probeerde hij Franse kunstenaars in België te introduceren. Arthur Stevens bood Edgar Degas een contract aan van 10.000 frank per jaar. Ook zette hij Manet ertoe aan een werk te sturen naar het Salon des Beaux-Arts van Brussel in 1869; Manet zond daarvoor Clair de lune sur le port de Boulogne. Na 1870 werd Stevens’ promotie van de Barbizon-school succesvol met de Brusselse vestiging van Galerie Durand-Ruel.
Stevens was eveneens een van de eerste schilders die belangstelling toonden voor Oosterse voorwerpen. Hij vond zulke objecten in de winkel La Porte chinoise in de rue Vivienne in Parijs, waar ook Charles Baudelaire en Félix Bracquemond kwamen. Die belangstelling weerspiegelde zich in werken als La Dame en rose uit 1866, Le Bibelot exotique uit 1867 en La collectionneuse de porcelaines uit 1868, gevolgd door een reeks schilderijen van jonge vrouwen in kimono rond 1872. Hij deelde ook met James Whistler een enthousiasme voor Japanse prenten en oefende invloed op hem uit.
Zijn carrière werd gesteund door Mathilde Bonaparte en prinses de Metternich. In 1870 vroeg hij aan Étienne Arago, de burgemeester van Parijs, toestemming om zich bij de Nationale Garde aan te sluiten en samen met zijn vrienden te vechten tijdens het Beleg van Parijs. Eugène Delacroix vermeldde hem bovendien in zijn Journal du 1848 in verband met de lening van een Turkse tuniek.
Atelieren en vrouwelijke leerlingen
Tussen 1867 en 1872 bevond het atelier van Alfred Stevens zich aanvankelijk op 12, rue Laval, en werd het later het tweede cabaret van Le Chat Noir onder Rodolphe Salis. In dat verband werden er schimmenspelvoorstellingen opgevoerd die Henri Rivière had bedacht voor Le Chat Noir. Nadien verhuisde het atelier naar de rue des Martyrs en vanaf 1880 naar de rue de Calais. Stevens richtte ook een schilderatelier voor vrouwen op aan de avenue Frochot. Dat vrouwenatelier werd bezocht door Sarah Bernhardt, die de schilder ook portretteerde, en was de enige plaats waar Stevens een professoraat uitoefende zonder medewerkers of opvolgers. Onder zijn vrouwelijke leerlingen bevonden zich Louise Desbordes, Alix d’Anethan, Georgette Meunier, Clémence Roth en Berthe Art. Mogelijk gebruikte Stevens enkele van deze leerlinge, onder wie Louise Desbordes en Clémence Roth, ook als model voor zijn schilderijen. Louise Desbordes verschijnt in het volledige portret in Un chant passionné, terwijl Clémence Roth in Dans l’atelier een kunstminnende Parijse vrouw in het zwart verbeeldt. Stevens maakte bovendien meerdere portretten van Sarah Bernhardt, een van zijn eerste vrouwelijke leerlingen.
Twijfel, Menton en latere erkenning
In de jaren 1880 belandde Alfons Stevens in een morele crisis, waardoor hij al zijn handelingen in vraag stelde. Hij was leerling van Ingres en werd vaak in verband gebracht met Gustave Courbet en Manet, al bleef hij schilderen met grote strengheid, die hij onder invloed van andere schilders soms losliet. Zijn doek "Jonge moeder" roept de stijl van Berthe Morisot op. Stevens’ werk was bovendien zeer gegeerd: koning Leopold II van België liet "De vier seizoenen" bij hem bestellen en ook de Vanderbilts kochten zijn schilderijen tegen hoge prijzen. Rond 1883 trok hij op medisch advies naar Menton, omdat hij lichamelijk vermoeid was en twijfelde aan zijn werk. Daar experimenteerde hij met impressionistische landschappen en schilderde hij marines en kustgezichten in een vrijere stijl, dicht bij Eugène Boudin en Johan Barthold Jongkind. Zijn late stijl vertoonde gelijkenissen met die van John Singer Sargent. In 1886 publiceerde hij "Indrukken over de schilderkunst", dat succes kende. In 1900 was hij de eerste nog levende kunstenaar met een solotentoonstelling aan de École des beaux-arts in Parijs. Vanaf de jaren 1890 stopte hij met schilderen door gezondheidsproblemen.
Herziening van de mode en de vrouwelijke figuur
In de context van Alfred Stevens verwijst de herziening naar een reeks werken waarin de vrouwelijke figuur en haar kleding centraal staan. Tot die verbanden behoren onder meer «Nouvelles lointaines» (1865) in het Walters Art Museum in Baltimore, «La Dame en rose» (1866) in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, en «La Lettre de rupture» (ca. 1867) in het Musée d'Orsay. Ook «La Parisienne japonaise» (1880) in La Boverie in Luik, «Jeune fille portant un kimono» (ca. 1872), «La Robe japonaise» (ca. 1872) en «Le Masque japonais» (ca. 1877) maken deel uit van deze groep. Daarnaast worden «Portrait de femme» (ca. 1880) en «La nouvelle robe» genoemd, evenals vroegere werken zoals «Chez soi» (1855), «Veux-tu sortir avec moi, Fido ?» (1859) in het Philadelphia Museum of Art en «Une lettre agréable» (1860-67). De reeks loopt verder met «Fleurs d'automne» (1867) in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, «Un bleuet» (1870-1875), «Après le bal» (1874), «La Parisienne» (1880), «La Fillette aux canards» (1881), «Portrait de la baronne du Mesnil de Saint-Front» (1887), «Mère et ses enfants» (1887), «Dans l'atelier» (1888) en «La Visite à l'atelier» (1891) in het Museum voor Kunst van Indianapolis. Verder worden ook «Le Sphinx parisien» (1876) in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen en «Marie Madeleine» (1887) in het Museum voor Schone Kunsten van Gent met deze thematiek in verband gebracht.
Opleiding en erkenning
Alfred Stevens was een Belgische schilder uit de 19e eeuw, meer bepaald een panoramisch schilder. Hij werd in mei 1823 geboren in Brussel en volgde zijn opleiding bij Jozef Paelinck. In de loop van zijn carrière kreeg hij verschillende hoge onderscheidingen: hij werd Commandeur in het Legioen van Eer en Grootofficier in de Leopoldsorde. Stevens overleed in augustus 1906 in het 9e arrondissement van Parijs, op 83-jarige leeftijd. Hij werd begraven in afdeling 32 van de begraafplaats Père-Lachaise.