Columba Marmion

Portret van Columba Marmion, derde abt van Maredsous
Portret van Columba Marmion, derde abt van Maredsous

Columba Marmion, geboren als Joseph Aloysius Marmion op 1 april 1858 in Dublin, was een Iers-Rooms-katholieke benedictijn. Hij groeide op in een groot en zeer religieus gezin; drie van zijn zussen werden kloosterzuster. Zijn vader was William Marmion uit Clane in County Kildare en zijn moeder Herminie Cordier, een Française. Na zijn opleiding aan het jezuïetencollege Belvedere in Dublin trad hij op zestienjarige leeftijd het seminarie binnen, waar zijn geloof al sterk was. Hij beschouwde de liefde voor de naaste als maatstaf voor de liefde van de mens voor God. Als jonge seminarist gaf hij, met toestemming van zijn vader, zijn spaargeld aan een arme vrouw die met een dagvaarding werd bedreigd. Later werd hij derde abt van de Abdij van Maredsous in België. Hij stierf op 30 januari 1923 en werd op 3 september 2000 zaligverklaard door paus Johannes Paulus II. Zijn boeken behoren tot de invloedrijkste katholieke werken van de 20e eeuw.

Abt van Maredsous en geestelijk auteur

Columba Marmion, O.S.B., geboren als Joseph Aloysius Marmion op 1 april 1858, was een Iers rooms-katholiek benedictijns monnik. Hij werd de derde abt van de Abdij van Maredsous in België. Daarnaast verwierf hij grote bekendheid als een van de populairste en invloedrijkste katholieke auteurs van de 20e eeuw. Zijn boeken worden beschouwd als spirituele klassiekers. Hij overleed op 30 januari 1923 en werd op 3 september 2000 zalig verklaard door paus Johannes Paulus II.

Vroege jaren

Columba Marmion werd op 1 april 1858 geboren in Queen Street in Dublin, Ierland. Hij groeide op in een groot en zeer godsdienstig gezin. Drie van zijn zussen traden in als kloosterzuster. Zijn vader was William Marmion, afkomstig uit Clane in County Kildare, en zijn moeder was Herminie Cordier, een Française.

Vroege jaren en priesterlijke vorming

Columba Marmion werd bij zijn doop Joseph Aloysius genoemd. Hij volgde zijn opleiding aan het jezuïetencollege Belvedere in Dublin en trad op zestienjarige leeftijd het seminarie binnen. Bij zijn intrede was zijn geloof reeds zeer sterk, en hij begreep dat de liefde van een mens voor God wordt afgemeten aan de liefde voor de naaste. Toen hij ongeveer zeventien jaar was, vernam hij dat een arme vrouw die door zijn familie gekend was, met een gerechtelijke dagvaarding werd bedreigd door een veeleisende schuldeiser. Hoewel hij spaargeld had dat voor een reis bestemd was, gaf hij dat, met toestemming van zijn vader, aan deze vrouw.

Tijdens zijn seminariejaren beleefde hij ook een belangrijk innerlijk moment. Hij ervoer plots wat beschreven werd als een “licht in de oneindigheid van God”. Na zijn studies in Rome aan het Pauselijk Iers College werd hij in 1881 tot priester gewijd. Op de terugreis naar Ierland kwam hij door Maredsous in België, en hij vroeg er om zich bij de monastieke gemeenschap aan te sluiten. De Ierse aartsbisschop weigerde echter toestemming. Vervolgens werd hij benoemd tot coadjutor in Dundrum, een parochie in het zuiden van Dublin, en na een jaar tot professor in de metafysica aan het Heilig Kruiscollege in Clonliffe.

Tussen 1882 en 1886 was hij actief in onderwijs en geestelijke begeleiding, en werd hij ook kapelaan van een nabijgelegen klooster. Zijn werk als pastoor omvatte raad geven, onderrichten, troosten en zowel geestelijke als materiële hulp bieden. Hij had een buitengewone gave om zich aan anderen aan te passen en hen te bemoedigen. In deze periode begon hij de kunst van de geestelijke begeleiding te leren. De vier jaren als professor in Clonliffe voltooiden zijn intellectuele en spirituele vorming, en in de universiteitsomgeving voelde hij zich volledig in zijn natuurlijke element.

Maredsous en de monastieke vorming

In 1886 trad Columba Marmion, met toestemming van zijn aartsbisschop, in bij de monastieke gemeenschap van Maredsous. Hij was toen 27 jaar oud en stond reeds bekend als een gewaardeerde priester en professor. In het klooster volgde hij de noviciaatstijd, waarin hij Frans leerde en zich oefende in de monastieke discipline. Op 10 februari 1891 legde hij zijn plechtige professie af en werd hij aangesteld als assistent van de novicemeester.

Na deze benoeming preekte hij in parochies in de buurt van de abdij. Hij deed dat met succes, onder meer toen in een naburige parochie de gewone predikant uitviel kort voor een groot feest. Zijn preekwerk was zo gewaardeerd dat andere parochiepriesters met elkaar wedijverden om zijn diensten. Toch bleef zijn leven tussen 1891 en 1899 vooral getekend door kloosterlijke rust en geestelijke rijping. Hij wijdde zich aan de kloosterplichten, aan stilte, inkeer en trouw aan de liturgie. Daarbij groeiden gehoorzaamheid, berouw en nederigheid, evenals zijn geloof, hoop en liefde.

In deze jaren werd zijn geestelijk leven steeds sterker op Christus gericht. In 1887 las hij het achtste hoofdstuk van De navolging van Christus en aanvaardde hij Jezus als zijn enige vriend. Tijdens een meditatie datzelfde jaar voelde hij zich sterk aangezet om te antwoorden op Jezus’ verlangen om bij de kinderen der mensen te zijn, en hij ervoer Jezus’ aanwezigheid met de wens om alles te doen onder diens ogen. Later, in 1895 en 1896, beklemtoonde hij dat de mens in Jezus Christus oneindig rijk is, dat Gods barmhartigheid zo groot is als de oceaan, en dat de waarde van gebed en goede werken voortkomt uit de verdiensten van Jezus in de gelovigen.

Prior van Mont César in Leuven

In 1899 hielp Columba Marmion bij de stichting van de abdij van Mont César in Leuven en werd hij er de eerste prior. Hij was er ook studievoogd voor jonge monniken en hoogleraar in de theologie. Daarnaast trad hij op als geestelijk leidsman van karmelietessen, gaf hij retraites in België en het Verenigd Koninkrijk, en werd hij biechtvader van de latere kardinaal Mercier.

Eerste abt-primaat van de benedictijnse orde

In 1893 benoemde paus Leo XIII dom Hildebrand de Hemptinne, de tweede abt van Maredsous, tot de eerste abt-primaat van de benedictijnse orde. Op verzoek van paus Leo XIII bleef hij tegelijk ook abt van Maredsous. Hij legde dat ambt pas in 1909 neer, toen hij als abt van Maredsous ontslag nam.

Abt van Maredsous

In 1909 werd Columba Marmion op 51-jarige leeftijd gekozen tot derde abt van Maredsous. Hij leidde een gemeenschap van honderd monniken die twee scholen bestuurde en het tijdschrift *De Benedictijnse Recensie* uitgaf. Als leuze koos hij: *Magis prodesse quam praesse*. Onder zijn bestuur werd de abdij voorzien van elektriciteit en centrale verwarming.

In hetzelfde jaar vroeg de Belgische regering Maredsous om de stichting van een benedictijnenklooster in Katanga, Belgisch-Congo, te overwegen. Marmion steunde ook de zending die door de Abdij van Sint-Andries in Brugge was opgericht voor de evangelisatie in Katanga. Daarnaast hielp hij bij de bekering van anglicaanse gemeenschappen in Wales, in Caldey en Milford Haven.

Tijdens de oorlog bleef hij prediken en geestelijke begeleiding geven. In 1914 stuurde hij zijn jonge novicen naar Ierland. Zelf reisde hij tijdens de oorlog vermomd als veehandelaar van België naar Engeland, zonder paspoort of documenten. In 1915 schreef hij aan een jonge man die zich op de priesterwijding voorbereidde dat men elke dag moest leven met liefde, waar gehoorzaamheid en Voorzienigheid hem plaatsen.

Over het Ierse huis in Edermine was hij niet helemaal tevreden wegens de houding van de jonge novicen. Hij probeerde hen met standvastigheid en gebed voor zich te winnen, maar zonder succes. Hij beschreef hen als goede, maar zelfverzekerde novicen die zich verzetten tegen de letter van het kerkelijk recht in naam van de geest van de heilige Regel. In 1920 maakte hij de sluiting van het huis in Edermine mee. Ook droomde hij van een stichting van Maredsous in het Heilige Land, ter vervanging van verdreven Duitse monniken in het Dormitiemonasterium in Jeruzalem, maar die kwam er niet omdat de Duitse monniken terugkeerden.

Geestelijke vernieuwing en internationale weerklank

Als abt van Maredsous werkte Columba Marmion zijn ideeën over de geestelijke retraite uit in het boek *Christ, the Life of the Soul*, dat in 1917 in een privé-uitgave verscheen. Het werk kende al snel een onverwacht succes in de katholieke wereld. Dat succes moet worden gezien tegen de achtergrond van een katholieke literatuur die volgens hem vaak niet verder ging dan een herhaling van vrome gedachten met een sentimentele nadruk, terwijl aandacht voor de Bijbel, de kerkvaders en de grote geestelijke meesters ontbrak.

Zijn geschriften werden in die context ervaren als nieuw en revolutionair. Ze leidden tot een diepe geestelijke heropleving die de hele katholieke wereld beïnvloedde. Marmion plaatste Christus opnieuw in het centrum van alle geestelijke beschouwing en beklemtoonde bijzonder de leer van de goddelijke aanneming. Voor hem vormde die goddelijke aanneming het begin en het einde van het geestelijke leven.

Zijn denken steunde sterk op de Bijbel, vooral op de heilige Paulus en de heilige Johannes. Daarnaast putte hij uit de kerkvaders, de heilige Thomas van Aquino en de liturgie. Ook de heilige Franciscus van Sales en monseigneur Charles Gay beïnvloedden hem. Zijn werk kreeg later ook instemming van pausen Benedictus XV, Pius XI, Pius XII, Paulus VI en Johannes Paulus II. Bovendien werkte hij geestelijk samen met kardinaal Mercier. Zijn boeken werden snel in verschillende talen vertaald, onder meer in het Koreaans en het Japans.

Zaligverklaring en latere verering

In 1963 werd het lichaam van dom Columba Marmion overgebracht van het kerkhof van de monniken naar de abdijkerk. Meer dan veertig jaar later bleek zijn lichaam ongeschonden te zijn. In 1966 onderzocht de Kerk ook een genezing van kanker bij een vrouw uit Sint-Cloud, Minnesota, nadat zij het graf van Marmion had bezocht. Die genezing werd in 2000 door de Kerk als wonderbaarlijk erkend, en dat leidde in hetzelfde jaar tot zijn zaligverklaring. Op 3 september 2000 werd dom Columba Marmion zalig verklaard door paus Johannes Paulus II. Daarbij benadrukte de paus dat Marmion voor de Kerk van deze tijd een schat aan geestelijke lering had nagelaten. Volgens hem leerde Marmion een eenvoudige, maar veeleisende weg van heiligheid voor alle gelovigen. Johannes Paulus II wenste ook dat de herontdekking van Marmions geestelijke geschriften priesters, religieuzen en leken zou helpen groeien in eenheid met Christus. Hij hoopte dat Marmion gelovigen zou inspireren tot een getuigenis vol liefde voor God en dienst aan de broeders, en hen zou helpen intensiever te leven en hun behoren tot de Kerk als het Mystieke Lichaam van Christus beter te begrijpen. Na de zaligverklaring werd het proces tot heiligverklaring van dom Marmion geopend en dat loopt nog steeds. In 2009 begon het aartsbisdom Vancouver in Canada bovendien met een canoniek onderzoek naar de genezing van een man met necrotiserende fasciitis, die naar verwachting binnen enkele uren zou sterven. De centrale leringen van Marmion, oorspronkelijk mondeling in het Frans uitgesproken, werden dankzij zijn secretaris, dom Raymond Thibaut, schriftelijk vastgelegd en daarna in het Engels vertaald.

Scroll naar boven