Eric van de Poele is een Belgische autocoureur, geboren op 30 september 1961. Hij begon te racen in 1979, nadat hij zijn rijbewijs had behaald. Zijn eerste racewagen was een Renault 12 van zijn vader. In datzelfde jaar won hij de 6 Hours of Mete met een BMW 2002ti. In 1983 nam hij deel aan de Volant Avia F3-school op het circuit van La Châtre in Frankrijk en won hij een trofee.
In de daaropvolgende jaren bouwde hij zijn carrière verder uit in verschillende formules en toerwagens. In 1984 reed hij in het Franse Formule 3-kampioenschap met een Ralt RT3, goed voor 3 punten en de 17e plaats in het klassement. In 1985 werd hij zowel Belgisch als Benelux-kampioen in Formula Ford, en won hij drie races in het Belgische toerwagenkampioenschap met een BMW 325i. In 1986 en 1987 volgden onder meer optredens in Britse en Duitse Formule 3 en in toerwagenkampioenschappen. Zijn hoofdreeks was de DTM, waarin hij uitkwam voor Zakspeed met een BMW M3.
- Welke opvallende overwinningen behaalde Eric van de Poele in endurance- en formula races?
- Hoe verliep de racecarrière van Eric van de Poele van zijn eerste wedstrijden tot zijn succes in de DTM?
- Hoe verliep de carrière van Eric van de Poele in de Formule 3000 tussen 1988 en 1990?
- Hoe verliep de stap van Eric van de Poele van sportwagen- en Formule-3000-werk naar zijn Formule 1-debuut?
- Hoe verliepen de eerste kwalificatiepogingen van Eric van de Poele in Phoenix en Imola?
- Hoe verliep het seizoen 1991 voor Eric van de Poele in de Formule 1 en daarbuiten?
- Hoe verliep Eric van de Poele zijn Formule 1-carriere bij Brabham en Fondmetal?
- Hoe verliep de carrière van Eric van de Poele tussen Le Mans, de toerwagenkampioenschappen en de IMSA-races?
- Hoe verliepen de sportwagenoptredens van Eric van de Poele in 1995 en 1996?
- Hoe verliep de carrière van Eric van de Poele tussen 1996 en 1999 in Trans-Am, IMSA, Le Mans en de ALMS?
- Hoe verliep de periode van Eric van de Poele bij Cadillac?
- Hoe verliep de verdere carrière van Eric van de Poele in de uithoudingsraces na zijn terugkeer naar Risi Competizione en andere teams?
- Hoe bleef Eric van de Poele na 2003 betrokken bij de autosport?
- Hoe verliep de racecarriere van Eric van de Poele tussen 2005 en 2015?
Succes in langeafstandsraces
Eric van de Poele, geboren op 30 september 1961, reed 29 Grands Prix in de Formule 1-seizoenen. Naast zijn deelname aan de koningsklasse van de autosport boekte hij ook sterke resultaten in andere reeksen. In 1990 won hij drie races in de Formule 3000. In de 24 Uur van Le Mans won hij drie keer zijn klasse, en in de 24 Uur van Spa behaalde hij vijf overwinningen. Daarmee houdt hij het absolute record voor het meeste aantal zeges van eender welke Spa-winnaar.
Van eerste overwinningen tot DTM-titel
Na het behalen van zijn rijbewijs begon Eric van de Poele in 1979 met racen. Zijn eerste racewagen was een Renault 12 van zijn vader. Nog datzelfde jaar won hij de 6 Hours of Mete met een BMW 2002ti. In 1983 nam hij deel aan de Volant Avia F3-school op het circuit van La Châtre in Frankrijk, waar hij een trofee won.
In 1984 reed hij in de Franse Formule 3 met een Ralt RT3. Hij scoorde 3 punten en eindigde als zeventiende in het kampioenschap. Een jaar later werd hij zowel Belgisch als Benelux-kampioen in de Formule Ford. In datzelfde seizoen kwam hij ook uit in het Belgische toerwagenkampioenschap, waar hij drie races won met een BMW 325i en derde werd in de eindstand. Hij reed daarnaast ook de 24 Uur van Spa in de klassieker met Hoflijk Sport Team op een Opel Manta GT/E, maar haalde de finish niet door elektrische problemen en problemen met de brandstoftoevoer.
In 1986 reed hij opnieuw de 24 Uur van Spa, ditmaal met een BMW 635 CSi voor Ci Bi Emme, maar ook daar haalde hij de finish niet. Verder reed hij twee keer in de British Formula Ford en behaalde hij in beide races een podiumplaats. In de Britse Formule 3 kwam hij drie keer aan de start met Mike Rowe Racing op een Ralt RT30 en hij scoorde 1 punt. In 1987 reed hij in de Duitse Formule 3, waar hij een podiumplaats behaalde en elfde werd met 29 punten. Dat jaar reed hij ook in de Europese en Wereldkampioenschappen Toerwagens met een BMW M3.
Zijn belangrijkste reeks werd de DTM, waarin hij voor Zakspeed met een BMW M3 reed. In tien DTM-races behaalde hij drie podiumplaatsen en won hij het kampioenschap met een kleine voorsprong op Manuel Reuter. Ook won hij in 1987 de 24 Uur van Spa met Jean-Michel Martin en Didier Theys in een BMW M3. In 1988 nam hij nog deel aan twee DTM-races en legde hij de nadruk op het Europees Toerwagenkampioenschap met BMW Schnitzer Racing.
Formule 3000 en doorbraakjaren
In 1988 won Eric van de Poele twee races, op Donington en Zolder, en sloot hij het seizoen af op de vijfde plaats in de eindstand. In beide zeges was Roberto Ravaglia zijn ploegmaat; Ravaglia won dat jaar ook de titel. In 1989 stapte Van de Poele over naar het GA Motosports Formula 3000-team, waar hij met een Lola T89/50 reed. Dat seizoen scoorde hij punten in de openingsrace op Silverstone, werd hij derde nadat hij vanaf de vijftiende startplaats was vertrokken op Vallelunga, en haalde hij ook vierde plaatsen op Jerez en Spa, een vijfde plaats op Dijon en een tweede plaats op het Bugatti-circuit. Hij eindigde 1989 als vijfde in het persoonlijk klassement met 19 punten.
In 1990 reed hij voor GA Motorsports met een Reynard 90D-chassis. Dat seizoen behaalde hij een zesde plaats op Donington, een vijfde plaats op Silverstone en een overwinning op het stratencircuit van Pau. Ook won hij wedstrijden in Birmingham en Nogaro, waardoor hij met 30 punten naar de tweede plaats in de tussenstand klom. Drie ronden voor het einde stond hij nog zesde in het kampioenschap met 12 punten. Naast de Formule 3000 nam Van de Poele in 1990 ook deel aan meerdere Duitse en Belgische touringcarwedstrijden. Bovendien maakte hij dat jaar zijn debuut in de sportwagenracerij met een Spice SE90C tijdens ronden van het World Sports Prototype Championship op Monza en Donington.
Van IMSA naar zijn debuut in de Formule 1
In 1990 reed Eric van de Poele in de IMSA GTO Lime Rock-ronde in de Verenigde Staten met een Ferrari F40 LM, samen met Jean-Pierre Jabouille. Het duo eindigde als negende algemeen en als vijfde in hun klasse. Eerder had hij al deelgenomen aan carrosserie- en Formule-3000-kampioenschappen, met steun van sponsor LeasePlan, voor hij in 1991 zijn debuut maakte in de Formule 1.
Dat debuut kwam er bij het nieuwe team dat bekendstond als Modena of Lambo. Van de Poele sloot zich aan bij een ploeg die was ontstaan uit de resten van het GLAS F1-team, een mislukt project van Fernando Gonzales Luna. Het team werd geleid door Mauro Forghieri en werkte als fabrieksteam van Lamborghini. In die periode maakte Lamborghini de overgang van motorleverancier naar constructeur met de Lamborghini-chassis 291, herkenbaar aan de driehoekige zijpanelen en de schuin geplaatste radiatoren. Tijdens de wintertests reed Van de Poele eerst samen met Mauro Baldi en daarna met zijn ploegmaat Nicola Larini. Bij Monza en Donington waren zijn ploegmaats Wayne Taylor en Bruno Giacomelli.
Moeizame start van het seizoen
Bij de eerste race in Phoenix moest het team van Eric van de Poele een prekwalificatie afleggen. Hij slaagde daar niet in en eindigde bijna onderaan, op bijna zeven seconden van de limiet. Zijn laatste poging in Phoenix werd verstoord door een betoger die op het circuit lag, zonder dat daarvoor een rode vlag werd gezwaaid. In de volgende race op Imola deed hij het iets beter, maar met de 21e tijd bleef hij achterop. Die tijd was zelfs trager dan zijn eerdere prekwalificatieronde, waarin hij 19e zou zijn geweest. Ook in de volgende prekwalificaties slaagde hij niet, en hij was nooit sneller dan Larini.
1991 en de strijd om kwalificatie
In 1991 gaf het pre-kwalificatiesysteem Modena de kans om 13de te worden bij de teams op basis van de resultaten uit de vorige twee halve seizoenen, dankzij Larini's 7de plaats in Phoenix en Van de Poele's 9de plaats in Imola. Daardoor ontsnapte Modena, samen met Scuderia Italia en Jordan, aan de pre-kwalificatieplicht, terwijl Brabham, AGS en Footwork die plaats moesten innemen.
Voor Van de Poele bracht die gegarandeerde kwalificatie echter geen doorbraak. Hij geraakte opnieuw niet op de startgrid, en zijn beste resultaat in de kwalificatie was nooit beter dan de 29ste plaats. Wel kwam hij vijf keer op acht kwalificaties minder dan een seconde tekort op het benodigde resultaat. In Estoril was hij de traagste, maar hij bleef daar toch minder dan 0,6 seconden achter de 26ste plaats.
Binnen het team gold Larini, door ervaring en nationaliteit, als nummer 1 en hij startte in vier Grands Prix. Voor Van de Poele was 1991 daarmee een weinig overtuigend jaar voor zijn positie in de Formule 1. Buiten de F1 reed hij dat jaar enkel de 24 Uur van Spa, in een BMW M3 voor het Bastos-team met Roberto Ravaglia en Emanuele Pirro als ploegmaats. Het team kwalificeerde zich als derde, maar haalde de finish niet door technische problemen.
Brabham en Fondmetal
In 1992 stapte Eric van de Poele over naar het Brabham Formule 1-team, nadat Modena de sport had verlaten door een gebrek aan budget. Hij reed er met de Brabham BT60B en een Judd V10-motor. Zijn ploegmaat was Giovanna Amati, die nog volledig nieuw was in de Formule 1. Tijdens het seizoen kreeg het team te maken met financiële problemen, waardoor er moeilijkheden ontstonden met motorbetalingen en de motor in een beperkt toerental moest worden gebruikt.
Van de Poele plaatste zich in Zuid-Afrika als 26e, net voor Paul Belmondo en met minder dan een tiende seconde verschil. In de race eindigde hij als 13e, op vier ronden van winnaar Nigel Mansell. Ook in Brazilie werd hij 13e, terwijl Amati inmiddels vervangen was door Damon Hill. Ondanks zijn inspanningen bleef hij ongeveer een seconde achter op de startgrid en was hij in de meeste kwalificaties sneller dan Gill. Na de Britse en Hongaarse Grand Prix kwam hij niet meer aan de start van een race voor Brabham.
In Monaco kwalificeerde hij zich als 27e, op 0,036 seconden van Roberto Moreno van Andrea Moda. Later dat jaar verhuisde hij naar Fondmetal als vervanger van Andrea Chiesa en vormde hij een duo met Gabriele Tarquini in de Hongaarse Grand Prix in augustus. Daar zette hij de 18e tijd neer met de GR02, terwijl Tarquini 12e kwalificeerde. Van de Poele crashte na twee ronden door een eigen fout. In de volgende ronde, in Monza, kwalificeerde hij zich als 25e maar viel hij al in de eerste ronde uit met koppelingproblemen. Na de Italiaanse Grand Prix stopte hij bij Fondmetal wegens geldgebrek en had hij geen zitje meer nadat het team de Formule 1 verliet. Alle drie de teams waarvoor hij reed, verdwenen uit de Formule 1 door financiële problemen. Een test bij Tyrrell leverde uiteindelijk geen nieuw Formule 1-optreden meer op.
Tourwagens en uithoudingsraces
Eric van de Poele debuteerde in Le Mans in het seizoen 1992. Hij reed er voor Peugeot Talbot Sport samen met Alain Ferté en Karl Wendlinger. Hun Peugeot 905 Evo 1B viel uit na 208 ronden door motorpech. In 1993 keerde Van de Poele volledig terug naar de toerwagenraces met Waterloo Motors in het Belgisch kampioenschap voor koetswerkauto's. Daar pakte hij een overwinning in Spa en werd hij zesde in de eindstand.
Later in 1993 sloot hij zich aan bij Toyota Racing voor de 24 Uur van Spa. Hij deelde een Toyota Carina E GTi met Will Hoy en Julian Bailey. Het team begon als vijfde, maar eindigde als 23ste. In datzelfde jaar reed Van de Poele ook in de FIA Touring Car Challenge met Nissan Castrol Racing in een Nissan Primera. Ondanks de snelste ronde in de race werd hij negende in het kampioenschap.
In 1994 werkte hij samen met Nissan in het British Touring Car Championship met een Nissan Primera eGT. De reeks was bijzonder competitief, terwijl Nissan terugviel en de Primera slecht lag op de baan. Van de Poele scoorde twee punten voor een negende plaats in Snetterton tijdens de eerste zeven manches. Daarna raakte hij betrokken bij een botsing van drie fabrieks-Primera's in Copse Corner op Silverstone, waardoor herstarten niet meer mogelijk was. Na dat incident verliet hij het kampioenschap.
Hij reed ook drie IMSA GT-races voor Cunningham Racing met een Nissan 300ZX. Daarin werd hij derde in Laguna Seca en Phoenix, en vierde in Portland. Met twee snelste ronden en slechts een beperkt aantal deelnames eindigde hij toch vijfde algemeen. Daarnaast nam hij voor Clayton Cunningham Racing deel aan de 24 Uur van Le Mans in de IMSA GTS-klasse met een Nissan 300ZX. Die race eindigde al na 25 ronden door motorpech.
Seizoenen in sportwagenraces
Begin 1995 sloot Eric van de Poele zich aan bij Scandia Racing Team om met de Ferrari 333 SP-prototype uit te komen in de 24 Uren van Daytona en de 12 Uren van Sebring. In Daytona reed hij samen met Paul Gentilozzi, Fermin Velez en Andy Evans, maar de wagen viel uit op ronde 417 door motorpech. In Sebring behaalde hij later de overwinning met Andy Evans en Fermin Velez aan het stuur van de Ferrari 333 SP. Hij reed datzelfde jaar ook nog in Sebring met Michele Alboreto en Mauro Baldi en werd vierde.
Daarnaast nam hij in 1995 deel aan de 24 Uren van Le Mans met het fabrieksteam van Courage, in een C41 met Chevrolet-motor. Hij zou de wagen delen met Olivier Beretta en Matjaz Tomlje, maar de auto werd gediskwalificeerd wegens een te laag gewicht. Ook in de 24 Uren van Spa verscheen hij aan de start, samen met Jean-Francois Hemroul en Pierre-Alain Thibaut in een fabrieks-Opel Vectra, maar ook daar bracht motorpech een einde aan de race.
In 1996 keerde hij terug naar Courage voor de 24 Uren van Daytona met Rick Sutherland, Jean-Paul Libert en Steve Fossett. Daar crashte hij met de Courage C41 op ronde 209. In de 12 Uren van Sebring reed hij vervolgens voor Doyle Racing met een Riley & Scott Mk III en won hij samen met Wayne Taylor en Jim Pace. Later dat jaar keerde hij bij Le Mans terug naar de Ferrari 333 SP van Team Scandia, met Mark Goossens en Eric Bachelart. Hij zette de snelste tijd neer in de pre-kwalificatie en reed ook de snelste ronde in de race, maar de wagen crashte uiteindelijk tijdens de wedstrijd.
Van Trans-Am naar Le Mans en de ALMS
In 1996 reed Eric van de Poele twee Trans-Am-races met een Chevrolet Camaro voor Rocketsports. In Minneapolis kwalificeerde hij zich als tiende en finishte hij zevende. In Elkhart Lake zette hij de achtste starttijd neer. Een jaar later verhuisde hij naar San Diego om zich toe te leggen op het IMSA World Sports Car Championship met Doyle Racing en een Riley & Scott. In dat seizoen liet hij op Sears Point de snelste ronde optekenen. Hij behaalde podiumplaatsen op Mosport, Las Vegas, Pikes Peak en Laguna Seca, en sloot het IMSA-seizoen af als achtste met 163 punten.
Ook in 1997 kwam hij uit op Le Mans. Daar sloot hij zich aan bij het Nissan-team van Tom Walkinshaw Racing en deelde hij een Nissan R390 GT1 met Riccardo Patrese en Aguri Suzuki. Het team kwalificeerde zich als tweede in de klasse en vocht met Michele Alboreto mee voor de leiding; na het eerste uur lag het zelfs op de tweede plaats. Door problemen met de olieradiator van de versnellingsbak zakte de wagen echter van de vierde naar de 24e plaats, en om 1.47 uur 's nachts viel de auto uit. In dezelfde periode werd van de Poele derde in zijn klasse tijdens de 24 Uur van Spa met een BMW samen met Pascal Witmer en Olivier Maraeshal. Nadien reed hij voor de Lister-ploeg, gesponsord door Newcastle United, in de laatste twee FIA GT-rondes. Met Julian Bailey deelde hij een Lister Storm in Sebring en Laguna Seca, maar in beide manches haalde de ploeg de finish niet.
In 1998 reed van de Poele bijna uitsluitend voor Doyle Racing, dat samenging met Risi Competizione. Hij bestuurde een Ferrari 333 SP met Wayne Taylor en Fermin Velez en kwam aan de start in Daytona, Sebring en Le Mans. In Daytona crashte hij in ronde 225 en liep hij een lichte blessure op. Daarna keerde hij terug voor Sebring, waar de ploeg poleposition behaalde, tweede werd in de WSC-klasse en zesde algemeen eindigde. Met Wayne Taylor pakte hij ook polepositions in Las Vegas en in de tweede Sebring-race, en samen wonnen ze in Las Vegas en in Petit Le Mans in Atlanta. Daarnaast behaalde hij podiumplaatsen in Lime Rock, Atlanta en Laguna Seca. Het seizoen sloot hij af als derde in de reeks met 155 punten. Op Le Mans eindigde zijn team als winnaar van de LMP1-klasse en achtste algemeen, nadat hij er twaalf opeenvolgende uren had gereden in een Ferrari. Ook in Kyalami eindigde zijn team als derde in een manche van de International Sports Racing Series.
In 1998 won hij bovendien de 24 Uur van Spa met Juma Racing in een BMW 320i. Voor 1999 stapte hij over naar Rafanelli in de American Le Mans Series met een Riley & Scott en Judd-motor. In Sebring deelde hij de wagen met David Salens en Tomas Enge; het team kwalificeerde zich als tweede maar viel uit door een olielek. Samen met Domenico Schiattarella won hij de race in Atlanta, met bovendien de snelste ronde. Daarna keerde hij terug naar Nissan Motorsport om met de R391 te rijden op Le Mans, maar in de kwalificatiecrash liep hij een rugblessure op en trok hij zich voor maanden uit de racerij terug. Hij werd bij Rafanelli vervangen door Eric Comas. Later keerde hij terug voor Petit Le Mans in Atlanta, waar hij samen met Schiattarella en Enge zesde werd. In de ALMS kende hij ook uitvallers op Laguna Seca en in Las Vegas.
Cadillac-periode
Eric van de Poele werd door Cadillac vastgelegd voor het volgende projectjaar en sloot zich bij het team aan met Wayne Taylor, Frank Lagorce, Butch Leitzinger, Andy Wallace en Max Angelelli. Samen met Taylor en Angelelli eindigde hij als veertiende in Daytona en als zesde in Sebring met Cadillac. In Le Mans kwalificeerde hij zich als zestiende en reed hij naar de tweeëntwintigste plaats. Later eindigde hij met Cadillac als zevende in Petit Le Mans.
Terugkeer naar uithoudingsraces
Na zijn vertrek uit het Cadillac-programma keerde Eric van de Poele terug naar Risi Competizione, waar hij opnieuw met de Ferrari 333SP reed. In die periode behaalde hij een tweede plaats in de Grand-Am race op Elkhart Lake, samen met Schiattarella. Daarna keerde hij terug naar de 24 Uur van Spa met een Peugeot 306 GTI voor Peugeot Team Belgique Luxembourg. Zijn teamgenoten waren Vincent Radermecker en Geoffrey van Hooydonk. Van de Poele lag in die wedstrijd aan de leiding, maar moest opgeven door een probleem met de versnellingsbakselector. Later reed hij opnieuw Spa, ditmaal voor Rafanelli in een Ferrari 550 Maranello, samen met Emmanuel Naspetti, Philippe Stephen en Martial Chauvel. Ook daar gaf hij op terwijl hij op kop reed, dit keer door een defect aan de ophanging.
Intussen voerde hij onderhandelingen met het fabrieksteam van Panoz voor het American Le Mans Series-seizoen 2001, maar Panoz koos uiteindelijk voor oud-CART-rijder Gualter Salles. Van de Poele reed in die periode ook twee wedstrijden in de European Le Mans Series voor Dick Barbour Racing met een Reynard 01Q en Didier de Radigues. In Donington viel hij uit door een defect aan de koppeling. Op het circuit van Charade won hij de LMP675-klasse en werd hij derde algemeen. Daarnaast nam hij voor het Belgische Masters-luik van het Belcar-kampioenschap op Zolder deel met een Gillet Vertigo en Bas Leinders, goed voor de negende plaats algemeen en tweede in de klasse.
Op Le Mans reed hij met een Bentley EXP Speed 8 prototype samen met Butch Leitzinger en Andy Wallace. Dat Bentley-team eindigde als derde algemeen en won de LM GTP-klasse. In 2002 en 2003 begon hij reguliere wedstrijden te weigeren en keerde hij terug naar België. Toch kwam hij in 2002 opnieuw uit voor Risi Competizione in Daytona, opnieuw met de Ferrari 333SP, samen met David Brabham en Stefan Johansson. De wagen viel uit terwijl hij aan de leiding lag, na schade door een crash. Daarna sloot hij zich aan bij Panoz voor Sebring, met David Brabham en Jan Magnussen, maar viel daar na 56 ronden uit door motorpech. Op Le Mans reed hij opnieuw met Andy Wallace en Butch Leitzinger in een Bentley en werd vierde algemeen, met winst in de LM GTP-klasse.
In 2003 reed Van de Poele in de 24 Uur van Spa met de fabrieks-Lister Storm, samen met Andy Wallace, Jamie Campbell-Walter en Nicolas Springer. De wagen werd na een start vanop de vierde plaats gediskwalificeerd wegens onjuist gebruik van de pitstop. In datzelfde jaar kwam hij voor Risi Competizione uit in de 24 Uur van Daytona in de GT-klasse met een Ferrari 360 Modena GT, samen met Mauro Baldi, Justin Keen en Ryan Hampton. Hij eindigde er elfde algemeen en vijfde in de klasse. Verder reed hij in de American Le Mans Series op een Dallara SP1 voor Doran Lista Racing, met onder meer Didier Theys en Fredy Lienhard, met een zevende plaats op Sebring en een vijfde plaats in Atlanta. Ook nam hij als gastdeelname deel aan de Belgische rallywedstrijd Rallye de Wallonie, met een Citroen Saxo VTS en co-piloot Roland van den Branden, waar hij 28e werd op 75 deelnemers. Nog in 2003 reed hij als gast in de Belgian Mini Cooper Challenge op Spa, als vervanger van Frédéric Bouvy. Daar kwalificeerde hij zich als derde, viel hij uit in de eerste race en werd hij in de tweede race vijfde van achteraan op de grid. In hetzelfde jaar testte hij ook een V8Star-wagen op Zandvoort.
Nieuwe raceprojecten
Eind 2003 legde Eric van de Poele zich toe op het ondersteunen van amateurenthousiastelingen en jonge rijders bij het vinden van nieuwe racekansen. In 2004 organiseerde hij het eerste seizoen van Formula X, een sportprototypeserie met manches op Monza, de Nürburgring, Spa en Dubai. In die reeks reden ook professionele piloten mee, onder wie Halil Besir uit A1GP Libanon tijdens de manche in Dubai. Een geplande Formula X Gulf Series-kampioenschap in het Midden-Oosten werd uitgesteld, waardoor het eerste seizoen in 2004 ook meteen het laatste werd.
Terugkeer naar enduranceraces en successen in Spa
In 2005 keerde Eric van de Poele terug naar het regelmatige racen. Hij begon dat jaar in de Neige et Glace-rally, waar hij samen met Meggie Parris reed met een Porsche 911 uit 1964. Na een lichte aanrijding met een vrachtwagen eindigde hij 29e algemeen. Daarna volgde een deelname met Wolfgang Kaufmann voor A-Level Engineering in de LMES-ronde in Spa, opnieuw met een Porsche. Die wagen startte de race, maar viel uit op ronde 64 door oververhitting.
Later in 2005 reed hij ook in de LMES-ronde op de Nurburgring met de Lola B05/40 Judd van Horag Lista Racing, samen met Didier Theys. Daar wonnen Van de Poele en Theys de LMP2-klasse en werden ze zevende algemeen. In Petit Le Mans raakte hij betrokken bij een crash in de vrije training en kon hij niet aan de race beginnen. Dat jaar reed hij bovendien de 12-uursrace van Spa in de Belgian Touring Car Series met een Jaguar X-Type van Motorsport International, maar die viel na drie uur uit door motoroververhitting.
In de Grand Prix Masters werd hij begin 2006 aangekondigd als een van de nieuwe rijders. In Lusail, Qatar, startte hij elfde en finishte hij derde, achter Formule 1-kampioen Nigel Mansell en Christian Danner. Op Silverstone vertrok hij van de veertiende plaats door problemen met de motorleverancier en een ontbrekende kwalificatietijd. In een natte race haalde hij leider Eddie Cheever in, al spinde zijn wagen tweemaal. Toch eindigde hij tweede in die wedstrijd en ook tweede in de eindstand van het kampioenschap.
Ook in Spa bleef hij actief. Hij werd uitgenodigd voor een 12-uursrace met het Jaguar-fabrieksteam en reed samen met Martial Chauvel en Pascal Mathieu. Hun team begon als vijfde, maar eindigde 39e door elektrische problemen. In de 24 Uren van Spa reed hij met de Maserati MC12 GT1 samen met Bartels en Bertolini. In een van de felste edities van die race verkleinde zijn team op de laatste ronde een achterstand van twee minuten met de snelste rondetijd, waarna het won toen Phoenix Aston Martin laat de pits indook. Daarmee werd Van de Poele samen met Thierry Tassen en Jean-Michel Martin een viervoudige winnaar van de 24 Uren van Spa.
Daarna nam hij opnieuw deel aan Le Mans en andere uithoudingsraces. In 2007 reed hij voor Horag Racing in de Le Mans Series en werd hij vijfde in LMP2 met 21 punten en een klassezege. Hij werd ook tweede in de 24 Uren van Spa met Vitaphone Racing. In 2008 kwam daar een absoluut record bij: zijn vijfde zege in de 24 Uren van Spa, opnieuw met Vitaphone Racing en een Maserati MC12 GT1. In datzelfde jaar reed hij ook in de American Le Mans Series met Risi Competizione.
In de daaropvolgende jaren bleef hij actief in Le Mans en Spa. Hij haalde in 2009 een derde plaats op het podium in GT2 op Le Mans, maar in 2010 viel hij uit door motorproblemen. Zijn laatste deelname aan Le Mans volgde in 2010. Tussen 2010 en 2015 reed hij vier keer de 24 Uren van Spa, met Ferrari F430 GTC, Ferrari 458 Italia, McLaren MP4-12C GT3 en in 2015 met het BMW Racing Against Cancer-team. Dat team reed in steun van de Belgian Cancer Foundation, met Marc Duez, Jean-Michel Martin en Pascal Witmeur, waarbij elk van hen een stint van 24 minuten reed in een BMW Z4 GT3.