Hendrik Gewetenloos

Gegraveerd portret van Hendrik Conscience uit 1883
Gegraveerd portret van Hendrik Conscience uit 1883

Hendrik Gewetenloos, geboren in Antwerpen op 3 december 1812 en overleden in Elsene op 10 september 1883, was een Belgische schrijver en geldt als een pionier van de Nederlandse letterkunde in Vlaanderen. Hij schreef in een periode waarin het Frans de toon aangaf bij de hogere klassen, in de literatuur en in het bestuur. Tijdens de Belgische omwenteling van 1830 nam hij deel als Belgisch revolutionair.

Gewetenloos schreef in de populaire romantische stijl van het begin van de 19e eeuw. Hij is vooral bekend om de nationalistische roman De Leeuw van Vlaanderen, die in 1838 verscheen en werd geïnspireerd door de overwinning van de Vlaamse boerenmilitie op Franse ridders in de Slag bij Kortrijk van 1302. In de loop van zijn carrière publiceerde hij meer dan honderd romans en verhalen, waarvan de helft historische romans waren. Tijdens zijn leven genoot hij aanzienlijke populariteit. Na zijn dood raakte zijn werk uit de mode door de terugval van de romantiek, al geldt het nog altijd als een klassieker van de Vlaamse letterkunde.

Romantische historische romans en Vlaamsgezindheid

Hendrik Conscience was een Belgische schrijver die geldt als de pionier van de Nederlandse literatuur in Vlaanderen. Hij schreef in een periode waarin België sterk werd gedomineerd door het Frans, zowel door de hogere klassen als in de literatuur en het bestuur. Conscience nam in 1830 deel als Belgisch revolutionair en ontwikkelde zich tot een auteur in de populaire romantische stijl van het begin van de 19e eeuw.

Zijn bekendste werk is de nationalistische roman De Leeuw van Vlaanderen, die in 1838 verscheen. Die roman was geïnspireerd op de overwinning van de Vlaamse boerenmilitie op Franse ridders in de Guldensporenslag van 1302. In de loop van zijn carrière publiceerde Conscience meer dan 100 romans en verhalen, waarvan ongeveer de helft historische romans waren. Daarmee verwierf hij aanzienlijke populariteit.

Na zijn dood raakte zijn werk uit de mode door de terugval van de romantiek, maar het wordt nog altijd beschouwd als een klassieker van de Vlaamse literatuur.

Jeugd en familieachtergrond

Hendrik Conscience was de zoon van de Fransman Pieter Conscience, afkomstig uit Besançon. Zijn vader was onder Napoleon Bonaparte chef van de helm in de Franse marine en werd in 1811 benoemd tot tweede loods van de haven van Antwerpen, dat toen deel uitmaakte van Frankrijk. Hendriks moeder was de Vlaamse Cornelia Balieu, die analfabeet was. Na het vertrek van de Fransen in 1815 bleef Pieter Conscience in Antwerpen, waar hij na de oorlog sterk versleten schepen uit de haven opkocht en liet ontmantelen.

Hendrik groeide op in een oude winkel vol nautische goederen. Later voegde zijn vader daar ook een verzameling onverkoopbare boeken aan toe, waaronder oude romans. Na de dood van Cornelia Balieu in 1820 leefden Hendrik en zijn jongere broer alleen nog bij hun vader. In 1826 hertrouwde Pieter Conscience met de jongere weduwe Anna Catharina Bogaerts.

Tegen die tijd had Hendrik een sterke leesdrang ontwikkeld. Hij bracht hele dagen door met het lezen van oude boeken uit Het Groene Hoekje. Uiteindelijk verkocht zijn vader de winkel en trok hij zich terug in de Kempen, waar hij een kleine hoeve met een grote tuin kocht.

Jeugd, legerdienst en taalkundige keuze

Hendrik Conscience bracht samen met zijn broer weken of maanden door bij hun stiefmoeder in de Kempen. Op zeventienjarige leeftijd verliet hij het huis van zijn vader om in Antwerpen huisonderwijzer te worden. Zijn studies werden onderbroken door de Belgische Revolutie van 1830, waarna hij zich vrijwillig aansloot bij het Belgische revolutionaire leger. Hij diende in Turnhout en vocht in de omgeving van Oostmalle, Geel, Lubbeek en Leuven. Na de Tiendaagse Veldtocht van 1831 verbleef hij in de kazerne in Dendermonde. Hij bereikte de graad van sergeant-majoor als officier zonder aanstelling. In 1837 verliet hij het leger en keerde hij terug naar het burgerleven.

In die periode dacht hij ook na over schrijven in het Nederlands, hoewel die taal in de literatuur toen een lage status had. Na 1830 was het Frans de taal van de heersende en intellectuele kringen in België, en België koos na de onafhankelijkheid in 1831 het Frans als nationale taal. Jarenlang was er in België niets in het Nederlands geschreven. Toch beschreef Conscience in 1830 de Vlaamse taal als romantisch, geheimzinnig, diep, energiek en wild. Hij verklaarde dat hij, als hij daartoe in staat was, volledig in het Vlaams wilde schrijven.

Doorbraak als schrijver

Hendrik Conscience moest zijn boeken doorgaans zelf bekostigen. Zijn eerste roman, *In het jaar der wonderen* (1837), kostte hem het equivalent van één jaarloon. Hij schreef het eerste ontwerp daarvan nog in het Frans, maar liet die taal nadien los en ging verder in het Nederlands. Ook zijn gedichten uit de periode waarin hij soldaat was, waren allemaal in het Frans. Na zijn ontslag kreeg hij geen pensioen en keerde hij zonder werk terug naar het ouderlijk huis.

Ondanks de Vlaamse taalbeweging koos Conscience er bewust voor om in het Nederlands te schrijven. Dat leidde tot een breuk met zijn vader, die het vulgair vond dat zijn zoon een boek in het Nederlands schreef en hem het huis uitzette. Conscience trok daarop naar Antwerpen met slechts twee frank en zijn kleren. Een oude schoolvriend vond hem op straat en nam hem mee naar huis. Daarna toonden ook vooraanstaande figuren belangstelling voor hem, onder wie de schilder Gustaf Wappers, die hem een pak kleren gaf en hem voorstelde aan koning Leopold I.

Conscience liet zich voor een reeks vignetten, *In ’t Wonderjaer* (1837), inspireren door een passage uit Guicciardini. Hij gaf dat werk zelf uit tegen een kostprijs van bijna een jaarloon. Koning Leopold I liet vervolgens *Wonderjaer* toevoegen aan de bibliotheken van alle Belgische scholen. Dankzij die vorstelijke steun kon Conscience in 1837 ook zijn tweede boek, *Fantasía*, publiceren. Een kleine aanstelling in de provinciale archieven verlichtte intussen zijn meest dringende noden.

Zijn eerste grote succes kwam met de historische roman *De Leeuw van Vlaenderen* (1838), een werk dat nog altijd tot zijn meesterwerken wordt gerekend. De invloed van die roman reikte bovendien verder dan het literaire domein. Toch bracht de verkoop hem weinig geld op, omdat de drukkosten hoog waren. Buiten de Nederlandstalige wereld kreeg zijn werk, daar bekend als Enrique Conscience, meer betekenis door vertalingen in het Engels, Duits en Frans. Conscience hielp vaak zelf bij het vertalen van werken naar andere talen, al verschenen die vertalingen soms met fouten of gebreken. Omdat zijn werk niet beschermd was door een wettelijk auteursrechtenkader, werd het ook nagevolgd en geplagieerd, onder meer in een Franse versie van *De loteling* en in een driedelige toneeltekst en twee romans die tussen 1868 en 1871 in Engeland verschenen onder het pseudoniem Hope Inslow.

Succes met Robert van Béthune

Hendrik Conscience behaalde veel succes met het personage Robert van Béthune in De Leeuw van Vlaanderen. Hij stelde Robert van Béthune voor als de zoon van Gwijde van Dampierre, graaf van Vlaanderen. In het werk verschijnt hij als kruisvaarder en als hoofdfiguur in de strijd voor de autonomie van Vlaanderen. Door deze geromantiseerde uitbeelding werd Robert van Béthune een symbool van Vlaamse vrijheid en fierheid. Historici wezen later echter op historische fouten, onder meer de onjuiste voorstelling van zijn deelname aan de Slag bij Kortrijk. Ook werd erop gewezen dat Robert van Béthune en graaf Gwijde van Dampierre geen Nederlands spraken.

Inspiratie voor De Vlaamse Leeuw

De uitbeelding van Hendrik Conscience inspireerde „De Vlaamse Leeuw”, dat lang fungeerde als het onofficiële volkslied van de Vlaamse nationalisten. Later werd „De Vlaamse Leeuw” officieel erkend als het volkslied van Vlaanderen. Daarmee kreeg de symbolische betekenis van Consciences werk ook een plaats in de officiële Vlaamse representatie.

Schrijverschap en erkenning

Hendrik Conscience begon in het Nederlands te schrijven en publiceerde in de daaropvolgende jaren een reeks werken die zijn bekendheid vergrootten. In 1843 verschenen "Hoe men schilder wordt" en "Wat eene moeder lijden kan"; een jaar later volgde "Siska van Roosemael". Daarna publiceerde hij onder meer "Lambrecht Hensmans" in 1847, "Jacob van Artevelde" in 1849 en "De loteling" in 1850. In hetzelfde jaar verschenen ook "Rosa de blinde" en later "De arme edelman" in 1851, "Rikketikketak" in 1851 en "De ellendeling" in 1853. Op verzoek van koning Leopold I schreef hij in 1845 ook "Geschiedenis van België".

Zijn werken werden al vroeg opgemerkt: in 1841 werden zijn geschriften vermeld op een congres in Gent, en de patriottische partij bevorderde de verspreiding ervan. In 1845 werd hij benoemd tot ridder in de Leopoldsorde. De verkoop van zijn boeken bezorgde hem economische onafhankelijkheid. Zijn ideeën werden gaandeweg algemeen aanvaard. Vanaf 1855 begonnen vertalingen van zijn boeken te verschijnen in het Engels, Frans, Duits, Tsjechisch en Italiaans. Later bleek ook dat er talrijke onwettige vertalingen van zijn werk circuleerden, en dat de Franse schrijver Alexandre Dumas zijn "De loteling" had overgenomen.

Latere loopbaan en nalatenschap

In 1867 werd Hendrik Conscience op verzoek van koning Leopold benoemd tot conservator van de Koninklijke Musea van België. Hij bleef ondertussen met grote regelmaat romans produceren en zou er meer dan tachtig schrijven. In Antwerpen gold hij als de meest vooraanstaande burger, en zijn zeventigste verjaardag werd met openbare feestelijkheden gevierd. Hij overleed thuis in Antwerpen na een langdurige ziekte. Daarna kreeg hij een officiële begrafenis en werd hij bijgezet op de Schoonselhofbegraafplaats in Antwerpen. Zijn graf groeide uit tot een monument ter ere van de grote schrijver. Enkele jaren na zijn dood verloor zijn werk ook zijn internationale literaire betekenis, toen boeken niet langer in de vroegere talen en landen werden uitgegeven.

Literaire ontvangst en kritiek

Het grootste deel van het werk van Hendrik Conscience wordt doorgaans tot de romantische literatuur gerekend, met een duidelijk gebruik van retorische soliloquies en sentimentaliteit. Door latere ontwikkelingen in het literair inzicht, vooral de opkomst van het realisme tijdens zijn eigen leven, gingen moderne lezers zijn werk vaak als verouderd en primitief beschouwen. Ook zijn taalgebruik kreeg kritiek. Theo Hermans stelde dat Conscience geen taalkundig virtuoos was en dat zijn sentimentele vertellingen, onwaarschijnlijke intriges en moreel conservatieve oordelen reactionair overkwamen. Tegelijk prees Hermans zijn vermogen om lezers naar een fictieve wereld te trekken, evenals zijn talent om gevechten en natuurscènes op te roepen zonder veel beschrijving en via tempowisselingen de aandacht vast te houden.

Scroll naar boven