Henri de Groux werd geboren in Sint-Joost-ten-Node als zoon van de Belgische schilder Charles de Groux. Na de vroege dood van zijn vader, toen hij vier jaar oud was, kwam het gezin in moeilijke omstandigheden terecht. Hij verbleef achtereenvolgens in een internaat in Vilvoorde en in Mechelen. Daarna studeerde hij aan de Academie van Brussel, waar hij leerling was van Jean-François Portaels en ook Willem Degouve de Nuncques ontmoette.
In 1884 werd hij lid van de groep L’Essor en in 1886 trad hij toe tot de groep van de XX. Op 22-jarige leeftijd schilderde hij Le Christ aux outrages. In 1890 veroorzaakte hij opschudding op het Salon van de XX door te weigeren tentoon te stellen en door Vincent van Gogh, Paul Signac en Toulouse-Lautrec te beledigen.
In zijn persoonlijke leven ontmoette hij Marie Engel in 1889 in Spa en voerde hij tot aan hun huwelijk een correspondentie met haar. Hij trouwde met haar in Enghien-les-Bains. In 1903 ontmoette hij Siegmonde, de nicht van Marie Engel, die hij ontvoerde; daarna leefde hij twee jaar in Florence. Wegens jaloersheidsuitbarstingen werd hij opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Hij had twee dochters: Élisabeth de Groux, geboren in Boulogne-sur-Mer, en Marie Thérèse, geboren in Parijs.
- Hoe verliepen de jeugd, opleiding en het privéleven van Henri de Groux?
- Hoe ontwikkelde Henri de Groux zich binnen de kunstenaarskringen en waarom kwam hij in conflict met de groep van de XX?
- Hoe beïnvloedden de Dreyfus-affaire en zijn steun aan Émile Zola Henry de Groux’ relaties met andere schrijvers?
- Hoe verliep Henri de Groux’ verblijf in Florence en welke moeilijkheden kende hij daar?
- Hoe ontwikkelde Hendrik de Groux zich van grafisch kunstenaar tot beeldhouwer?
- Hoe werden de dagboeken van Hendrik de Groux bewaard en uitgegeven?
- Hoe beleefde en verwerkte Henri de Groux de Eerste Wereldoorlog?
- Hoe verwerkte Anri de Groux de oorlogservaringen in zijn werk en wat deed hij na 1919?
Jeugd, opleiding en privéleven
Henri de Groux was de zoon van de Belgische schilder Charles de Groux en werd geboren in Sint-Joost-ten-Node. Toen zijn vader overleed, was hij vier jaar oud, waarna zijn familie in een precaire situatie terechtkwam. Hij werd vervolgens ondergebracht in een kostschool in Vilvoorde en daarna in Mechelen. Later studeerde hij aan de Academie van Brussel, waar hij leerling was van Jean-François Portaels en ook William Degouve de Nuncques ontmoette.
In 1889 maakte hij in Spa kennis met Marie Engel. Hij onderhield met haar een briefwisseling tot aan hun huwelijk in Enghien-les-Bains. In 1903 ontmoette hij Siegmonde, de nicht van Marie Engel. Daarna ontvoerde hij haar en leefde hij twee jaar in Florence. Door jaloersheidsaanvallen werd hij opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Hij had twee dochters: Élisabeth de Groux, geboren in Boulogne-sur-Mer, en Marie Thérèse, geboren in Parijs.
Conflicten binnen de avant-garde
In 1884 werd Henri de Groux lid van de groep L'Essor, en in 1886 sloot hij zich aan bij de groep van de XX. In die periode werkte hij in een stijl die gelijkenissen vertoonde met die van James Ensor. Zijn verhouding met de groep liep echter uit op een openlijk conflict. Op het Salon van de XX in 1890 veroorzaakte hij een schandaal door te weigeren tentoon te stellen, en hij beledigde er ook Vincent van Gogh, Paul Signac en Toulouse-Lautrec. Door zijn gedrag nam hij vervolgens ontslag uit de groep van de XX. Na dit vertrek maakte hij een groot schilderij, Le Christ aux outrages, meer dan drie meter lang, waarin hij zichzelf als Christus afbeeldde. Het werk werd getoond op de Brusselse drievoudige salon van 1890. Een studie voor dit schilderij uit 1888-1889 wordt bewaard in de Stichting Flandreysy-Espérandieu in Avignon. Na zijn uitsluiting uit de groep van de XX verhuisde de Groux in 1891 naar Parijs, waar hij het merendeel van zijn werken zou maken en waar hij zich in kunstenaarskringen bewoog met onder meer Toulouse-Lautrec, James Whistler, Paul Gauguin, James Ensor, Auguste Rodin en Claude Debussy.
Vriendschappen en de Dreyfus-affaire
Henry de Groux raakte bevriend met verschillende schrijvers, onder wie Émile Baumann, Stéphane Mallarmé, Guillaume Apollinaire, Oscar Wilde, Léon Bloy, Paul Verlaine, Émile Zola, José-Maria de Heredia, André Gide, Vjačeslav Ivanov, Remy de Gourmont en Joris-Karl Huysmans. Tijdens de Dreyfus-affaire koos hij partij en beschermde hij Zola tegen een vijandige menigte buiten het gerechtsgebouw. Deze betrokkenheid vertaalde zich ook in zijn werk: hij maakte verschillende portretten van Zola, onder meer een lithografie, een pastel en een schilderij. Het schilderij waarop Zola te zien is bij zijn vertrek uit het paleis van justitie, wordt bewaard in Zola’s huis in Médan. Zijn steun aan Dreyfus en Zola verscherpte echter ook de spanningen met Léon Bloy. In 1898 kwam het tot een dramatische breuk tussen beide mannen, en pas tegen het einde van 1916 zagen zij elkaar opnieuw.
Florentijnse periode en crisis
In 1903 verhuisde Henri de Groux naar Florence, in de hoop zijn carrière nieuw leven in te blazen met een nieuw publiek. Hij woonde er samen met Germaine Lievens, het nichtje van zijn vrouw, met wie hij een hartstochtelijke verhouding had. In Florence bewoog hij zich in artistieke en sociale kringen en liet hij zich inspireren door het Uffizi-museum en andere artistieke rijkdommen van de stad. Hij maakte in die periode talrijke werken en organiseerde in 1904 een grote tentoonstelling in het Palazzo Corsini. Tegelijk kampte hij met zware financiële moeilijkheden. Zijn verblijf in Florence kreeg ook een donkere wending door een hevige jaloezie-uitbarsting tegenover Germaine Lievens. In 1905 werd hij opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis van San Salvi in Florence, maar na enkele weken ontsnapte hij. Te voet trok hij vervolgens naar Genua, vanwaar hij de boot nam naar Marseille. Daar haalde zijn vrouw Marie hem op en bracht hem naar Spa, in België. Naast zijn beeldend werk illustreerde hij in deze periode ook talrijke literaire werken.
Van lithografie naar beeldhouwkunst
Hendrik de Groux nam in 1893 als lithograaf deel aan *L'Estampe originale* en in 1895 aan *L'Épreuve*. In 1906 werd hij medeoprichter van de kunstkring *L'Estampe*. Vanaf eind 1909 wijdde hij zich vervolgens vooral aan de beeldhouwkunst. Hij maakte bustes van Wagner, Beethoven, Baudelaire, Edgar Poe, Balzac, Tolstoj, Shakespeare, Byron, Villiers de l'Isle-Adam en Emmanuel Signoret. Daarnaast beeldhouwde hij grote volledig uitgewerkte standbeelden van Tolstoj en *Ecce Homo*. Ook was hij de auteur van het oorlogsgedenkteken in La Roque d'Anthéron. Tot zijn grotere projecten behoorde een monument voor Claude Debussy; daarvan zijn enkel foto's van de maquettes en een bronzen buste van Debussy bewaard gebleven. Die buste bevindt zich in het museum van de Parijse Opera.
Dagboeken en publicatie
Hendrik de Groux hield een biografisch journaal bij in achttien handgeschreven notitieboeken, opgesteld tussen 1892 en 1910. Tussen 1926 en 1928 werden aan deze notitieboeken nog aanvullingen toegevoegd. Nadien deponeerden zijn erfgenamen de notitieboeken bij het Nationaal Instituut voor Kunstgeschiedenis. In 2007 verscheen een gedeeltelijke uitgave van de notitieboeken bij uitgeverij Kimé.
Oorlogsjaren in Parijs en aan het front
In augustus 1914 verhuisde Henri de Groux, bij het begin van de Eerste Wereldoorlog, alleen naar Parijs. Zijn familie zocht ondertussen toevlucht in het dorp Vernègues, in de Provence. De Groux bleef vier jaar lang in Parijs, waar hij middelen van bestaan probeerde te vinden. In het eerste oorlogsjaar verzamelde hij documentatie over de gevechten, onder meer door het front te bezoeken. Hij werd daarvoor niet gevraagd door de kunstenaarsmissies van generaal Niox bij het Legermuseum, maar trok op eigen initiatief naar het front. Via zijn contacten met minister Albert Sarraut kreeg hij bovendien de kans om na de Slag aan de Marne verwoeste gebieden te bezoeken. Hij benaderde ook de gestabiliseerde frontlinie en observeerde in de oorlogsgebieden konvooien met gewonden, nieuwe rekruten en Duitse krijgsgevangenen. Voordat hij in een niet nader vermelde maand vertrok, maakte hij in contact met deze oorlogszones verschillende tekeningen. Daarna keerde hij terug naar Parijs, waar hij werkte op basis van de verzamelde documentatie en nieuws uit kranten zoals Le Miroir en L’Illustration. In de voorrede van Léon Bloys boek La Femme pauvre, uitgegeven bij Édition La Part Commune in 1897, wordt ook naar zijn biografie verwezen.
Oorlogswerk en verblijf in Avignon
Anri de Groux maakte tijdens de oorlog schilderijen, pastels en lithografieën waarin hij de verschrikkingen van de strijd weergaf. In 1916 publiceerde hij de etsenset "Het aangezicht van de overwinning", een reeks opvallende en ruwe beelden die waren geïnspireerd op waarnemingen aan het front. Ondanks de oorlogs censure behield hij daarbij een grote artistieke vrijheid. Bij de opening van een tentoonstelling in de galerie van d’Alignan, in de rue La Boétie in Parijs, werd de affiche van zijn evenement verboden omdat zij een Gorgonenhoofd toonde dat door de autoriteiten als te gewelddadig werd beschouwd. Vanaf 1919 vestigde hij zich in het Paleis van Roure in Avignon. Daar werkte hij voor Jeanne de Flandreysy-Espérandieu, de eigenares van het paleis, die hem schilderijen liet maken geïnspireerd op "De Hel" van Dante, Petrarca en de Provence.