Henri Pirenne (Verviers, 23 december 1862 – 24 oktober 1935) was een Belgisch nationalist en historicus van Waalse afkomst. Hij studeerde aan de Universiteit van Luik bij Godefroid Kurth en werd in 1886 hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit Gent, een functie die hij behield tot 1930. Pirenne groeide uit tot een prominent publiek intellectueel en was na de Eerste Wereldoorlog de meest vooraanstaande historicus in België, met talrijke onderscheidingen en comitémandaten.
Zijn reputatie berust op drie belangrijke bijdragen aan de Europese geschiedenis, waaronder de Pirenne-these over het ontstaan van de Middeleeuwen in reactie op staatsvorming en verschuivingen in de handel. Hij leverde ook een eigen visie op de middeleeuwse geschiedenis van België en ontwikkelde een model voor de ontwikkeling van de middeleeuwse stad. Zijn magnum opus, Histoire de Belgique, traceert de oorsprong van de moderne Belgische staat. Pirenne verdedigde het idee dat ingrijpende sociale, economische, culturele en religieuze bewegingen voortkwamen uit even ingrijpende onderliggende oorzaken. Zijn visie beïnvloedde Marc Bloch en de Franse Annales School, al had hij ook tegenstanders, onder wie Alfons Dopsch. Verschillende recente mediëvisten namen zijn hoofdstellingen als vertrekpunt. Tijdens de Duitse bezetting van België in de Eerste Wereldoorlog speelde hij bovendien een prominente rol in het geweldloze verzet.
- Hoe ontwikkelde Henri Pirenne zijn invloed als historicus en publieke intellectueel?
- Hoe ontwikkelde Henri Pirenne zich als historicus en welke invloed had de Eerste Wereldoorlog op zijn leven en werk?
- Hoe kwam de manuscriptversie van A History of Europe na Henri Pirenne opnieuw onder de aandacht?
- Hoe ontwikkelde Henri Pirenne zijn visie op de vorming van Europese steden?
- Hoe beschreef Pirenne de heropleving van de handel en de opkomst van de stedelijke burgerij?
- Hoe stelde Henri Pirenne de overgang van de oudheid naar de middeleeuwen anders voor, en waarom riep dit zoveel debat op?
- Hoe zag Henri Pirenne de historische ontwikkeling van België en zijn plaats tussen de Lage Landen?
- Welke historische inzichten werkte Henri Pirenne uit in zijn belangrijkste werken over middeleeuwse steden en Europa?
Historische visie en wetenschappelijke invloed
Henri Pirenne was een Belgisch nationalist en historicus van Waalse afkomst, geboren op 23 december 1862 en overleden op 24 oktober 1935. Hij schreef in het Frans een meer-delig geschiedeniswerk over België, Histoire de Belgique, waarin hij het ontstaan van de moderne Belgische staat volgde. Daarmee gaf hij ook een uitgesproken visie op de middeleeuwse geschiedenis van België. Pirenne werd een vooraanstaand publiek intellectueel en leverde een blijvende bijdrage aan de studie van steden, met een omstreden interpretatie van het einde van de Romeinse beschaving en de heropleving van de middeleeuwse stedelijke cultuur. Hij ontwikkelde bovendien een model voor de ontwikkeling van de middeleeuwse stad. Zijn reputatie rust op drie bijdragen aan de Europese geschiedenis, waaronder de Pirenne-these over de oorsprong van de Middeleeuwen in reactieve staatsvorming en veranderingen in de handel. Hij stelde ook dat ingrijpende sociale, economische, culturele en religieuze bewegingen voortkwamen uit even ingrijpende onderliggende oorzaken. Die houding beïnvloedde Marc Bloch en de kijk van de Franse Annales School op sociale geschiedenis. Hoewel hij tegenstanders had, onder wie Alfons Dopsch, die over wezenlijke punten van mening verschilden, namen verschillende recente historici van de Middeleeuwen zijn hoofdstellingen als vertrekpunt.
Loopbaan, oorlog en historiografisch werk
Henri Pirenne werd geboren in Verviers, in de provincie Luik, en studeerde aan de Universiteit van Luik onder Godefroid Kurth. In 1886 werd hij professor geschiedenis aan de Universiteit van Gent, een functie die hij behield tot 1930. Tussen 1918 en 1921 was hij er ook rector. Na de Eerste Wereldoorlog groeide hij uit tot de meest prominente historicus in België, en hij ontving toen talrijke onderscheidingen en opdrachten voor commissies.
De oorlog had ook een diepe persoonlijke en intellectuele impact. Pirenne was tot aan de oorlog een nauwe vriend van de Duitse historicus Karl Lamprecht. Zijn zoon Pierre sneuvelde in oktober 1914 in de Slag aan de IJzer. Op 18 maart 1916 werd Pirenne ondervraagd door de Duitse bezetters en vervolgens gearresteerd. Toen hem werd gevraagd waarom hij Frans sprak terwijl hij Duits kende, antwoordde hij dat hij het Duits sinds 3 augustus 1914 was vergeten. Tijdens zijn internering verbleef hij in Crefeld, Holzminden en Jena, waar hij van 24 augustus 1916 tot het einde van de oorlog vastzat.
In Jena leerde hij Russisch van gevangen soldaten en las hij Russische geschiedenissen die door Russische gevangenen waren bezorgd. Daar begon hij ook aan zijn geschiedenis van middeleeuws Europa, die hij volledig uit het geheugen schreef. In A History of Europe koos hij voor een grootschalige benadering van sociale, politieke en handelsontwikkelingen. Na de oorlog weerspiegelde zijn werk zijn ontgoocheling over de Duitse cultuur: hij bekritiseerde het Duitse nationalisme en sloot ras theorie en Völkisch nationalisme uit. Ook liet hij zijn vroegere geloof in onvermijdelijke vooruitgang los en aanvaardde hij toeval en de betekenis van individuen in de geschiedenis. Zijn werk bleef onvoltooid en stopte midden in de zestiende eeuw. Henri Pirenne stierf in 1935 in Ukkel, Brussel.
De nalatenschap van A History of Europe
Jacques Pirenne, de zoon van Henri Pirenne, ontdekte en redigeerde het manuscript van A History of Europe. Bij het bewerken voegde hij onzekere jaartallen toe tussen haakjes, zodat duidelijk bleef waar de datering niet volledig vaststond. Daarnaast schreef hij een voorwoord waarin hij de herkomst van het manuscript uitlegde. De Engelse vertaling van A History of Europe werd in 1956 gepubliceerd.
De Pirenne-these
Pirenne formuleerde zijn ideeën over de vorming van Europese steden voor het eerst in artikels uit 1895. Tijdens zijn gevangenschap in Duitsland in de Eerste Wereldoorlog werkte hij de basis uit voor wat later bekend zou worden als de Pirenne-these. Die these publiceerde hij in een reeks artikelen tussen 1922 en 1923. Daarna verfijnde hij ze zijn hele leven lang met bijkomend bewijs. In 1927 stelde hij de these voor in Medieval Cities: Their Origins and the Revival of Trade. Mohammed and Charlemagne verscheen postuum in 1937 op basis van de eerste versie van het werk.
Handel, steden en nieuwe machtsgroepen
Volgens deze theses en werken was de langeafstandshandel in de negende eeuw sterk teruggevallen. Alleen kerkelijke, militaire en administratieve centra waren toen niet louter agrarisch. Het ging daarbij om vestingen, bisschopszetels, abdijen en koninklijke residenties van het peripatetische palatium. Toen de handel in de late tiende en elfde eeuw opnieuw op gang kwam, ontstonden rond bestaande centra voorsteden waar handelaars en ambachtslieden zich vestigden. Deze 'nieuwe mensen' leefden buiten de feodale structuur, terwijl de feodale kern zelf statisch en inert bleef. De ontwikkelende koopmansklasse werd uiteindelijk sterk genoeg om feodale verplichtingen te weigeren of oude voorrechten af te kopen. De leiders van deze mercantiele groep vormden een burgerlijk patriciaat dat economische en politieke macht uitoefende. Daarbij werd ervan uitgegaan dat de natuurlijke belangen van de feodale adel en het stedelijke patriciaat oorspronkelijk onverenigbaar waren, wat in de dertiende en veertiende eeuw tot spanningen leidde.
De Pirenne-these en haar impact
In zijn theses en werken betwistte Henri Pirenne verschillende gangbare opvattingen over het einde van de Romeinse wereld. Historici plaatsten de Middeleeuwen traditioneel vanaf de val van het West-Romeinse Rijk in de 5e eeuw, een datering die in de 18e eeuw beroemd werd verdedigd door Edward Gibbon. Pirenne schoof het einde van de klassieke beschaving echter op naar de 8e eeuw. Hij verwierp zowel het idee dat Germaanse barbaren het einde van het West-Romeinse Rijk veroorzaakten, als de gedachte dat de val in 476 samenviel met het einde van het keizerschap in Europa.
Volgens deze theses bleef de Romeinse mediterrane economie na de barbaarse invallen wezenlijk voortbestaan. Ook de Romeinse manier van leven veranderde niet onmiddellijk na de val van Rome. De barbaarse Goten zouden naar Rome zijn gekomen om deel te nemen aan de voordelen ervan en probeerden de Romeinse levenswijze te bewaren. Daarmee sloot Pirenne aan bij het idee dat de late oudheid vooral gekenmerkt wordt door veranderingen met culturele continuiteit tussen de antieke en de middeleeuwse wereld. Hij wees er bovendien op dat de Europese archeologie continuiteit in materiële cultuur en nederzettingspatronen laat zien tot in de 11e eeuw.
De echte breuk in de Romeinse geschiedenis situeerde hij in de 8e eeuw, door de Arabische expansie. De islamitische verovering omvatte onder meer Zuidoost-Turkije, Syrië, Palestina, Noord-Afrika, Spanje en Portugal. Daardoor zouden de economische banden met West-Europa zijn doorgesneden en werd de regio van handel afgesloten. Rijkdom vloeide weg in de vorm van grondstoffen, zonder dat daar iets voor in de plaats kwam, wat leidde tot een gestage achteruitgang en verarming. Tegen de tijd van Karel de Grote zou West-Europa bijna volledig agrarisch en op bestaansniveau zijn geweest, zonder langeafstandshandel.
Pirenne stelde dat zonder de islam het Frankische Rijk waarschijnlijk nooit zou hebben bestaan, en dat Karel de Grote zonder Mohammed ondenkbaar zou zijn. De moslimverovering van Noord-Afrika maakte de Middellandse Zee volgens hem tot een barriere en sneed West-Europa af van het oosten. Tegelijk maakte die ontwikkeling het de Karolingers, vooral Karel de Grote, mogelijk om een nieuwe, duidelijk westerse bestuursvorm te scheppen. Om zijn stelling te ondersteunen gebruikte hij statistische gegevens over geld en wees hij op het verdwijnen van voorwerpen van buiten West-Europa. Het stoppen van de goudmuntslag ten noorden van de Alpen na de 7e eeuw zag hij als een teken van verlies aan toegang tot welvarendere delen van de wereld. Ook het verdwijnen van papyrus in Noord-Europa na de 7e eeuw en de terugkeer naar perkament in de schriftcultuur koppelde hij aan economische isolatie.
Bij publicatie overtuigde deze benadering de meeste historici niet, maar zij zette wel het debat over de vroege Middeleeuwen op scherp. De theses en werken gelden als een prikkelend voorbeeld van periodisering en blijven ook in de 21e eeuw het historische debat voeden. Recente discussies richten zich daarbij vooral op de vraag of archeologische vondsten de these weerleggen of net haar haalbaarheid aantonen.
De visie op de Belgische geschiedenis
In zijn theses en werken over de aard van het middeleeuwse België stelde Henri Pirenne dat België niet toevallig als een eenheid was ontstaan, maar dat het historische lot van het land verbonden was met de Lage Landen, waaronder Nederland, Luxemburg en delen van Noord-Frankrijk. Hij wees erop dat België over de taalgrens tussen Frans en Nederlands heen lag en beschouwde die ligging als deel van een bredere historische ontwikkeling. In zijn Histoire de Belgique, uitgegeven in zeven delen tussen 1899 en 1932, trok hij de Belgische geschiedenis terug tot in de Romeinse periode.
Pirenne ging uit van het bestaan van een verenigde Belgische beschaving, in sociale, politieke en etnische zin, die eeuwen vóór de onafhankelijkheid van 1830 al aanwezig zou zijn geweest. Hij benadrukte hoe traditionele en economische krachten Vlamingen en Walen samen hadden gebracht, en hij zag België als een land dat zich op natuurlijke wijze had ontwikkeld tot een kosmopolitische samenleving die bemiddelde tussen Latijns en Germaans Europa. In die benadering wilde hij aantonen dat België al vóór 1830 een historische continuiteit bezat, en dat de verschijning van de Belgische natiestaat in 1830 niet het beginpunt van de Belgische geschiedenis was.
Zijn geschiedschrijving droeg ook een uitgesproken nationaal karakter. Ze promootte een vorm van Belgisch nationalisme, maar deed dat met een evenwicht dat katholieken, liberalen en socialisten in de Belgische samenleving met respect konden citeren. Tegelijk vermeed hij het concept van een raciaal gedefinieerde Volksgeist zoals dat in sommige tijdgenoten voorkwam. Sommige van zijn ideeën bleven echter omstreden, onder meer zijn opvatting dat de langdurige Spaanse heerschappij in de Lage Landen weinig blijvende culturele impact had. Toch blijft zijn these cruciaal om het Belgische verleden te begrijpen, ook al heeft het idee van een ononderbroken Belgische beschaving als bron van politieke eenheid aan bijval verloren.
Werken over middeleeuwse steden en Europa
In 1925 verscheen Medieval Cities: Their Origins and the Revival of Trade, gebaseerd op lezingen die hij in 1922 in de Verenigde Staten had gegeven. In dat werk stelde hij dat Europa tussen de tiende en de twaalfde eeuw de controle over de Middellandse Zee terugwon op de islamitische wereld. Volgens Pirenne openden de Europeanen daardoor zeeroutes naar het Oosten, wat de vorming van een koopmansmiddenklasse en de ontwikkeling van steden mogelijk maakte. Hij betoogde ook dat het kapitalisme in de steden van Europa ontstond, samen met de democratie. Daarmee werkte hij de zogenoemde Merchant Enterprise School verder uit, die zich tegen het marxisme keerde maar wel verschillende ideeën over de koopmansklasse met Marx deelde. Daarnaast ontwikkelde hij de theorie van een commerciële renaissance in de steden in de elfde eeuw. Tijdens de Eerste Wereldoorlog schreef hij in gevangenschap in Duitsland ook een tweedelige A History of Europe: From the End of the Roman World in the West to the Beginnings of the Western States. Zijn zoon publiceerde dit werk in 1936, en Bernard Miall vertaalde het in het Engels; die vertaling verscheen in 1939 in Groot-Brittannië bij George Allen and Unwin.