Jacques Feyder, geboren als Jacques Léon Louis Frédérix in Elsene, was een Belgische filmregisseur, scenarioschrijver en acteur. Hij werd opgeleid aan de regimentsschool in Nijvel en verhuisde op vijfentwintigjarige leeftijd naar Parijs om er zijn loopbaan in het toneel en de film na te streven. Daar nam hij de naam Jacques Feyder aan en trad hij toe tot de filmmaatschappij Gaumont. In 1914 werd hij assistent-regisseur bij Gaston Ravel, en vanaf 1916 begon hij zelf films voor Gaumont te regisseren. Tussen 1917 en 1919 diende hij in het Belgische leger tijdens de Eerste Wereldoorlog, waarna hij terugkeerde naar de filmwereld. In de jaren 1920 stond hij bekend als regisseur van zwijgende films. In 1921 maakte hij L’Atlantide, gevolgd door Crainquebille in 1922 en Visages d’enfants, opgenomen in 1923 en uitgebracht in 1925. In 1928 nam hij de Franse nationaliteit aan. In de jaren 1930 werd hij in verband gebracht met het poëtisch realisme in de Franse cinema.
- Hoe ontwikkelde Jacques Feyder zich als filmregisseur in de jaren 1920 en 1930?
- Hoe begon Jacques Feyder zijn carrière en waarom veranderde hij zijn naam?
- Hoe ontwikkelde Jacques Feyders filmcarrière zich tussen de Eerste Wereldoorlog en zijn terugkeer naar Parijs?
- Hoe verliep Jacques Feyders werk in Hollywood aan het eind van de jaren twintig en begin jaren dertig?
- Hoe verliep de carrière van Jacques Feyder na zijn terugkeer naar Frankrijk?
- Hoe werd Jacques Feyder gewaardeerd als regisseur en wat kenmerkte zijn stijl?
- Waarom werd Jacques Feyders werk later minder gewaardeerd?
Loopbaan in Frankrijk en de stomme film
Jacques Feyder was een Belgische filmregisseur, scenarioschrijver en acteur die hoofdzakelijk werkte in Frankrijk, de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Duitsland. In de jaren 1920 regisseerde hij stomme films. In de jaren 1930 raakte hij verbonden met het poëtisch realisme in de Franse cinema. In 1928 nam hij de Franse nationaliteit aan.
Vroege jaren en naamsverandering
Jacques Feyder werd geboren als Jacques Léon Louis Frédérix in Elsene, België. Hij volgde zijn opleiding aan de regimentsschool in Nijvel. Op vijfentwintigjarige leeftijd verhuisde hij naar Parijs om er een loopbaan als acteur op het toneel en in de film na te streven. In die periode nam hij de naam Jacques Feyder aan.
Van Gaumont tot zijn heropleving in Parijs
Jacques Feyder trad in dienst bij de Gaumont-filmmaatschappij. In 1914 werd hij er assistent-regisseur bij Gaston Ravel en vanaf 1916 begon hij er zelf films te regisseren. Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij van 1917 tot 1919 in het Belgische leger. Na de oorlog keerde hij terug naar de filmwereld en maakte in 1921 L’Atlantide, naar de roman van Pierre Benoit, gevolgd door Crainquebille in 1922, naar het werk van Anatole France. In 1923 filmde hij Visages d’enfants, dat pas in 1925 werd uitgebracht.
Daarna kreeg hij het aanbod om artistiek directeur te worden van Vita Films in Wenen. Hij had er een contract om drie films te maken en realiseerde voor dat bedrijf Das Bildnis (L’Image) in 1923. Toen Vita Films faalde, keerde Feyder terug naar Parijs. Daar herstelde hij zich als filmmaker met Gribiche in 1926. Vervolgens maakte hij literaire bewerkingen van Carmen in 1926 en Thérèse Raquin in 1928. In dezelfde periode leverde hij ook scenario’s voor andere regisseurs, onder meer voor Poil de carotte in 1925 van Julien Duvivier en voor Gardiens de phare in 1929 van Jean Grémillon. Ook maakte hij in Frankrijk de stomme politieke satire Les Nouveaux Messieurs.
Hollywood en de overgang naar geluidsfilm
In 1929 aanvaardde Jacques Feyder een aanbod van Metro-Goldwyn-Mayer om in Hollywood te werken. Daar regisseerde hij Greta Garbo in De Kus, haar laatste stomme film. Tijdens zijn werk in Hollywood maakte hij ook de overgang naar de geluidsfilm. Feyder verklaarde zich een overtuigd voorstander van de toekomst van de geluidsfilm. In 1930 regisseerde hij Jetta Goudal in De Groene Spook, haar enige Franstalige film die in Hollywood werd gemaakt. Daarnaast regisseerde hij in de Verenigde Staten ook anderstalige versies van Amerikaanse films, waaronder een Duitse versie van Anna Christie met Garbo.
Terugkeer naar Frankrijk en latere jaren
In 1933 keerde Jacques Feyder terug naar Frankrijk, teleurgesteld in het Hollywoodsysteem. Tussen 1933 en 1936 maakte hij daar drie succesvolle films in samenwerking met scenarioschrijver Charles Spaak, met Françoise Rosay in een hoofdrol. In 1934 regisseerde hij Le Grand Jeu, in 1935 Pension Mimosas en hetzelfde jaar ook La Kermesse héroïque. Die laatste film werd bekroond met verschillende internationale onderscheidingen. Voor de Tweede Wereldoorlog werkte Feyder daarnaast ook als regisseur in Engeland en Duitsland.
Zijn band met Françoise Rosay speelde een belangrijke rol in zijn loopbaan en privéleven. Hij huwde de uit Parijs afkomstige actrice in 1917. Samen kregen zij drie zonen. Rosay speelde in veel van zijn films mee en werkte ook als scenariste en assistent-regisseur mee aan Visages d’enfants.
Na de Nazi-bezetting verliet Feyder Frankrijk en vestigde hij zich in 1940 in Zwitserland. Daar regisseerde hij in 1942 Une femme disparaît. Hij overleed in 1948 in Prangins, Zwitserland, en werd begraven op het Cimetière de Sorel Moussel in Eure-et-Loir, Frankrijk. In 1977 kreeg een school in Épinay-sur-Seine zijn naam, naar de Tobis-filmstudio’s waar hij Le Grand Jeu en Pension Mimosas had gemaakt.
Stijl en reputatie
Jacques Feyder werd beschouwd als een vakman en ambachtsman van de filmkunst. Hij hechtte veel belang aan creatieve onafhankelijkheid en maakte films in verschillende landen, telkens op basis van gunstige productieomstandigheden. In 1944 publiceerde hij samen met Françoise Rosay *Le Cinéma, notre métier*.
Zijn werk keert geregeld terug naar een aantal duidelijke thematische lijnen. In films als *L’Atlantide*, *L’Image*, *Carmen* en *Le Grand Jeu* staat roekeloze liefde voor mysterieuze vrouwen centraal. In *Crainquebille*, *Gribiche*, *Les Nouveaux Messieurs* en *La Kermesse héroïque* onderzocht hij de kloof tussen werkelijkheid en waarneming. Ook moederliefde verschijnt nadrukkelijk in *Gribiche*, *Visages d’enfants* en *Pension Mimosas*.
Stilistisch werd zijn cinema gekenmerkt door een klassieke evenwichtigheid, matiging en een fraaie compositie van het beeld. Hij hield een sympathieke band met zijn acteurs aan en bereikte realisme via doordachte details, opnamen op locatie en zorgvuldig ontworpen decors. Daarbij werkte hij nauw samen met Lazare Meerson aan verschillende films. Feyder bleef trouw aan een realistische traditie binnen de Franse cinema. Zijn stijl stond in contrast met het impressionistische werk van Abel Gance, Marcel L’Herbier en Jean Epstein, en hij beïnvloedde mee de tendens van het poëtisch realisme, zoals later zichtbaar in de films van Marcel Carné. In het midden van de jaren 1930 was Carné ook assistent-regisseur bij Feyder.
Receptie en latere waardering
Jacques Feyders vroege overlijden droeg bij tot de afnemende belangstelling voor zijn films. Die daling werd versterkt door de vijandige houding van critici die in de jaren 1950 verbonden waren aan Cahiers du cinéma. In 1970 stelde René Clair dat Jacques Feyder niet de plaats inneemt die zijn werk en voorbeeld hem hadden moeten bezorgen. Ook de beperkte beschikbaarheid van zijn films in Engelstalige landen heeft een herbeoordeling van zijn oeuvre bemoeilijkt. Alleen La Kermesse héroïque was daar in noemenswaardige mate toegankelijk. Sommige waarnemers vinden bovendien dat deze film minder goed verouderd is dan andere films van Feyder. Samen hebben deze factoren geleid tot een ambivalente houding tegenover zijn werk als geheel.