Jean-Baptiste Nothomb was een Belgische politicus van Luxemburgse afkomst met een liberale politieke strekking. Hij werd geboren in het departement Wouden, toen deel van het Franse Keizerrijk, als oudste van vier kinderen. Zijn familie had banden met Luxemburg: zijn grootvader Jean-Pierre Nothomb was schepen van de stad Luxemburg. Nothomb volgde middelbaar onderwijs aan het Atheneum van Luxemburg en studeerde van 1822 tot 1826 rechten aan de Universiteit van Luik, waar hij een doctoraat behaalde. Daarna schreef hij zich in bij de balie van Luxemburg. Hij werkte als journalist voor de Courrier des Pays-Bas en werd later directeur van de Gazette des tribunaux in Brussel. Tijdens de Belgische Revolutie verbleef hij in Petingen en trok hij in september 1830 naar Brussel. Kort daarna werd hij directeur van de Courrier des Pays-Bas, persorgaan van de voorlopige Belgische regering, en in oktober 1830 secretaris van de commissie die de Belgische Grondwet voorbereidde. Nothomb verdedigde de constitutionele monarchie, het tweekamerstelsel en de Luxemburgse belangen. Hij was een uitgesproken voorstander van het unionisme en was regeringsleider van 1841 tot 1845.
- Welke politieke rol vervulde Jean-Baptiste Nothomb?
- Hoe verliepen de afkomst, studie en eerste carrière van Jean-Baptiste Nothomb?
- Welke rol speelde Jean-Baptiste Nothomb tijdens de Belgische Revolutie en bij het opstellen van de grondwet?
- Hoe speelde Jean-Baptiste Nothomb een rol in de Belgische onderhandelingen over Luxemburg en in de eerste regeringen?
- Welke maatregelen trof de regering van Jean-Baptiste Nothomb op het vlak van het lager onderwijs?
- Hoe ontwikkelde Jean-Baptiste Nothombs loopbaan zich na zijn premierschap?
- Hoe verhield Jean-Baptiste Nothomb zich tot de vrijmetselarij en de Belgische Academie?
Politieke loopbaan
Jean-Baptiste Nothomb was een Belgisch politicus van Luxemburgse afkomst. Hij had een liberale politieke strekking en was een vurige voorstander van unionisme. Van 1841 tot 1845 stond hij aan het hoofd van de regering.
Afkomst, opleiding en vroege loopbaan
Jean-Baptiste Nothomb werd geboren in het departement Wouden, in het Franse Keizerrijk. Hij was de oudste van vier kinderen van Jean-Baptiste en Hélène Schouweiler. Zijn gezin telde verder een dochter, Cécile (1780-1869), en twee zonen, Jean Pierre (1785) en Dominique Antoine (1789-1844). Via zijn grootvader Jean-Pierre Nothomb, die in Differdange was geboren en schepen van de stad Luxemburg was geweest in de periode van de Oostenrijkse Nederlanden, was de familie al verbonden met het groothertogdom. De familie kocht een hoeve in Niderkorn en liet het familieverblijf in Petingen bouwen.
Nothomb volgde zijn middelbaar onderwijs aan het Atheneum van Luxemburg. Daarna studeerde hij van 1822 tot 1826 aan de Universiteit van Luik, waar hij promoveerde tot doctor in de rechten. Na zijn universitaire studies liet hij zich inschrijven aan de balie van Luxemburg. Vervolgens werkte hij als journalist voor de Courrier des Pays-Bas en werd hij later directeur van de Gazette des tribunaux in Brussel.
Hij huwde met Wilhelmine Boch, dochter van industrieel Jean-François Boch uit Septfontaine. Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren: Hélène (1837-1919), Eugène (1840-1930) en Isabelle (1846-1925).
Rol in de Belgische Revolutie en de grondwet
Tijdens de Belgische Revolutie verbleef Jean-Baptiste Nothomb op vakantie in Pétange. In september 1830 sloot hij zich aan in Brussel. Nog in 1830 werd hij directeur van de «Courrier des Pays-Bas», het persorgaan van de Belgische voorlopige regering, en in oktober van dat jaar secretaris van de commissie die de Belgische Grondwet voorbereidde. Nothomb verdedigde een constitutionele monarchie en een tweekamerstelsel, en hij steunde de belangen van Luxemburg. Vanuit Brussel gaf hij op 1 oktober 1830 toestemming voor de vorming van een Luxemburgs vrijwilligerskorps. Hij voerde ook actief campagne voor de annexatie van Luxemburg door België, die in oktober 1830 werd uitgeroepen. Daarnaast nam hij deel aan het vastleggen van de regels voor de verkiezing van het Belgisch Nationaal Congres en stelde hij een minimumleeftijd van vijfentwintig jaar voor om verkiesbaar te zijn.
Van het Nationaal Congres tot de Luxemburgse kwestie
Jean-Baptiste Nothomb werd verkozen tot het Nationaal Congres voor het district Aarlen en schaarde zich achter de kandidatuur van Leopold van Saksen-Coburg en Gotha. Hij maakte deel uit van de delegatie die naar Londen werd gezonden om de kroon aan Leopold aan te bieden. Tijdens de Londense Conferentie werd hij opgenomen in een commissie om de Luxemburgse kwestie te regelen. Nothomb ontwikkelde daarbij een interpretatie van het Verdrag van de Achttien Artikelen die een territoriale ruil voor België mogelijk moest maken. Hij sprak met Charles Grey, die het beginsel van die ruil aanvaardde, maar bij zijn verdediging van het verdrag voor het Congres uitte Nothomb ook bedenkingen bij de kansen op slagen van dit plan. Na de Tiendaagse Veldtocht werd hij opnieuw naar Londen gezonden, maar door de Belgische nederlaag werd zijn onderhandelingsruimte kleiner. Onder druk van koning Lodewijk-Philips aanvaardde de Conferentie uiteindelijk dat Aarlen aan België bleef, ondanks de ligging in het Duitse deel van Luxemburg waar Nothomb verkozen was. Hij verdedigde vervolgens de bekrachtiging van het nieuwe verdrag in het Belgische parlement.
Intussen was Nothomb snel benoemd tot lid van het diplomatiek comité onder de Belgische voorlopige regering. Van 1831 tot 1837 was hij secretaris-generaal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, ook in het eerste kabinet van regent Surlet de Chokier. Hij bleef die functie behouden terwijl hij in 1837 minister van Openbare Werken werd in de regering van Barthélémy de Theux de Meylandt. In die hoedanigheid werkte hij mee aan de ontwikkeling van de spoorweg. In 1838 steunde hij samen met Barthélémy de Theux en Jean-Pierre Willmar de definitieve bekrachtiging van het Verdrag van de Vierentwintig Artikelen. Dat stemgedrag, en de daaruit voortvloeiende verdeling van Luxemburg, werd door veel Luxemburgers als een verraad beschouwd.
Onderwijsbeleid
De regering van Jean-Baptiste Nothomb voerde in 1842 een wet op het lager onderwijs in die kosteloos, maar niet verplicht onderwijs invoerde. Daarnaast moest in elke gemeente minstens één katholieke school aanwezig zijn. De regering legde ook vast dat de staat en de provincies scholen moesten oprichten in arme gemeenten.
Ministeriële hervormingen en diplomatieke loopbaan
Tussen 1840 en 1841 werd de biografie naar Frankfurt gezonden. Tijdens zijn regering slaagde die regering er niet in om de rechtsbekwaamheid aan de Katholieke Universiteit Leuven toe te kennen. Op een niet nader vermelde datum nam Nothomb naast het ambt van eerste minister ook het ministerie van Justitie op zich, ter vervanging van Van Volxem. Na de verkiezingen van 1843 volgde een herschikking van het kabinet, waarbij onder meer Albert Goblet d’Alviella, Édouard Mercier, Pierre Dupont, Jules d’Anethan en Adolphe Dechamps werden opgenomen; Jules d’Anethan werd later ook zijn opvolger als minister van Justitie.
In dezelfde periode liet Nothomb wetten goedkeuren die de bevoegdheden van de kroon en de regering uitbreidden. Zo kon de koning voortaan de burgemeester buiten de gemeenteraad kiezen, en kreeg de regering de bevoegdheid om de leden van de universitaire examenjury’s aan te wijzen in plaats van het Parlement. De apostolische nuntius Pecci verzette zich tegen die laatste maatregel. Daarnaast wees zijn regering de aanbiedingen af voor een douane-unie met Frankrijk en met de Duitse Bond.
Na de liberale winst bij de verkiezingen van 1845 nam Nothomb ontslag. Vervolgens werd hij gezant in Berlijn, terwijl hij tot 1848 ook volksvertegenwoordiger bleef. In 1848 verbood een wet hem om beide functies tegelijk uit te oefenen. Hij stierf later in Berlijn aan een beroerte, terwijl hij er gevolmachtigd minister was.
Vrijmetselarij en academische activiteit
Jean-Baptiste Nothomb werd kort na zijn rechtenstudies in Luik in een loge in Luxemburg ingewijd. Hij was vrijmetselaar, maar nam later afstand van de vrijmetselarij na de veroordeling ervan door de Belgische bisschoppen. In 1845 debatteerde hij met Defacqz, grootmeester van het Groot Oosten van België. Daarnaast was hij sinds een niet nader bepaalde datum lid van de literaire afdeling van de Koninklijke Academie van België. Na zijn overlijden werd hij begraven in het familiegraf in Luxemburg-Rollingergrund, nabij de faïencefabriek van Boech.