Prince Philippe, graaf van Vlaanderen, werd geboren in Brussel op 24 maart 1837 en overleed er op 17 november 1905. Hij was het derde kind van koning Leopold I van België en Louise Marie van Orléans, en de eerste graaf van Vlaanderen uit het huis Saksen-Coburg en Gotha. Van 1840 tot 1905 droeg hij de titel graaf van Vlaanderen. Vanaf 1869 tot aan zijn dood was hij de vermoedelijke troonopvolger van België. In 1867 trouwde hij met prinses Marie van Hohenzollern-Sigmaringen. Hij was vader van koning Albert I van België en voorvader van alle huidige leden van de Belgische regerende dynastie. Ook was hij een voorvader van groothertog Hendrik van Luxemburg en van de pretendent op de Italiaanse troon. Philippe had vroegtijdige doofheid, was senator van rechtswege in 1855 maar zetelde nooit in de Senaat, en bekleedde van 1869 tot 1902 het ambt van opperbevelhebber van de cavalerie. Hij nam deel aan de Frans-Duitse Oorlog van 1870. Daarnaast weigerde hij verschillende vorstelijke aanbiedingen, waaronder de troon van Griekenland in 1863, het soevereiniteitschap van Roemenië in 1866 en een vestiging in Brazilië na een huwelijk met Isabel van Braganza. Vanaf 1885 trokken zijn rijkdom en levensstijl socialistische kritiek aan, terwijl hij ook konventionele genreschilders financieel ondersteunde.
- Welke titels en functies bekleedde prins Philippe van België, en welke plaats nam hij in binnen de dynastie?
- Hoe verliepen de jeugd en familiale achtergrond van prins Philippe, graaf van Vlaanderen?
- Hoe ontwikkelde prins Philippe zich in zijn jonge jaren en welke rol kreeg hij later aan het hof en in de politiek?
- Waarom werd prins Philippe meerdere keren genoemd als kandidaat voor buitenlandse of koninklijke rollen, en hoe reageerde hij daarop?
- Hoe verliep het huwelijk van prins Philippe met Maria van Hohenzollern-Sigmaringen en welke rol speelde hij binnen zijn gezin en aan het Belgische hof?
- Hoe verliep de militaire loopbaan van prins Philippe en welke verantwoordelijkheden nam hij op zich?
- Hoe leefde en handelde prins Filips als graaf van Vlaanderen in zijn residentie, bezittingen en publieke functies?
- Welke kunstenaars en welke soort kunst verzamelde prins Philippe, graaf van Vlaanderen?
- Hoe verliepen de laatste jaren van prins Philippe en wat gebeurde er rond zijn dood?
- Welke biografische bron wordt genoemd over Philippe, graaf van Vlaanderen?
Titel en rol binnen de Belgische monarchie
Prins Philippe, graaf van Vlaanderen, werd geboren in Brussel op 24 maart 1837 en overleed er op 17 november 1905. Hij was het derde kind van koning Leopold I van België en Louise Marie van Orléans. Vanaf 1840 droeg hij de titel van graaf van Vlaanderen, een titel die hij behield tot aan zijn dood, en hij was daarmee de eerste graaf van Vlaanderen uit het huis Saksen-Coburg en Gotha.
Sinds 1869 was hij de vermoedelijke troonopvolger van België, een positie die hij behield tot 1905. In 1855 werd hij senator van rechtswege, maar hij nam nooit zitting in de hogere kamer. In 1869 werd hij opperbevelhebber van de cavalerie; die functie bekleedde hij tot 1902. Hij nam ook deel aan de Frans-Duitse Oorlog van 1870.
Zijn leven werd daarnaast gekenmerkt door verschillende koninklijke aanbiedingen die hij afwees. Zo weigerde hij in 1863 de troon van Griekenland, in 1866 sloeg hij het aanbod af om vorst van de Roemeense vorstendommen te worden, en na de abdicatie van Alexander Johan Cuza in 1866 werd hij eveneens gekozen tot regerend vorst van de Roemeense vorstendommen, maar hij zette die benoeming niet verder. Ook weigerde hij het aanbod om zich in Brazilië te vestigen bij zijn huwelijk met Isabel van Braganza. In 1867 huwde hij prinses Marie van Hohenzollern-Sigmaringen.
Jeugd en familiebanden
Prince Philippe was het derde kind van koning Leopold I van België en prinses Louise-Marie van Orléans uit Frankrijk. Hij was een kleinzoon van koning Louis Philippe I van Frankrijk en een neef van koningin Victoria van het Verenigd Koninkrijk. Hij had twee oudere siblings: Louis Philippe, die in 1834 als baby stierf, en de latere koning Leopold II van België; daarnaast was er Charlotte, de latere keizerin van Mexico.
De derde zwangerschap van koningin Louise-Marie verliep delicaat, en in oktober 1836 bestond er vrees voor een miskraam. Philippe werd echter gezond geboren in het kasteel van Laken op 24 maart 1837. Koning Leopold I voegde aan zijn doopnamen twee historisch symbolische voornamen toe, met de bedoeling de jonge Belgische dynastie stevig te verankeren in het land waar zij nog geen zes jaar regeerde. Tussen de broers werd een hiërarchie vastgelegd, met Leopold als de oudste en troonopvolger.
Philippe verbleef tijdens de zomers geregeld in Oostende en bracht lange vakanties door bij zijn grootouders van moederskant in Franse koninklijke residenties. Koningin Louise-Marie hield persoonlijk toezicht op de opvoeding van de koninklijke kinderen. Toen zij in 1850 stierf, was Philippe dertien jaar oud. Daarna vermeed koning Leopold I Laken en had hij weinig contact met de prinsen. Koningin Victoria raadde hem aan dichter bij zijn familie te staan.
Opleiding, interesses en vroege publieke rol
Philippe en zijn broer stonden onder het toezicht van een opeenvolging van militaire gouverneurs, die probeerden gezag op de prinsen op te leggen. Van jongs af aan kon Philippe zich mondeling en schriftelijk uitdrukken in het Frans, Engels en Duits. Hendrik Conscience werd weliswaar aangesteld als ere-tutor, maar Philippe leerde nooit Nederlands. Koning Leopold I eiste bovendien dat zijn kinderen vaak gewetensonderzoek deden.
Op achttienjarige leeftijd kwam er een nieuwe wending in zijn leven. In 1855 voltooide hij officieel zijn studies. Datzelfde jaar maakte de Belgische Grondwet het hem mogelijk om senator te worden, maar hij nam nooit plaats in de hogere kamer van de Belgische Senaat. Al sinds 1852 nam hij deel aan militaire manoeuvres op het terrein van Beverlo, en vanaf 1855 trad Théobald Burnell op als aide-de-camp van de koning; in de loop van de tijd werd Burnell Philippe's beste vriend.
Philippe had een sterke belangstelling voor de mechanismen die het Belgische politieke stelsel regelden en voerde politieke gesprekken met een broer. Toch besteedde hij liever tijd aan jacht en ontspanning dan aan het uitwerken van projecten of wereldreizen. Hij werd beschouwd als een kleinewildjager die sportiviteit belangrijker vond dan het sociale aspect. Ook voelde hij zich vaak weinig bezig; hij klaagde regelmatig over een gebrek aan activiteit.
In februari 1858 benoemde de koning hem tot militair en maritiem referent, maar ook die functie vulde zijn leven niet volledig. Hij maakte wandelingen, verzamelde boeken en woonde bals en concerten in Brussel bij. In de zomer van 1860 ondernam hij een lange reis naar Denemarken, Zweden, Noorwegen en Sint-Petersburg, met diplomatieke en politieke aspecten. In Moskou ontmoette hij de keizerlijke familie en industriëlen die de Belgische industrie bevorderden.
Vorsten en voorgestelde kronen
In 1861 bezocht Philippe, graaf van Vlaanderen, tweemaal Pruisen: eenmaal voor de begrafenis van koning Frederik Willem IV en later voor de kroning van Wilhelm I in Königsberg. Koning Leopold I ried hem intussen aan om bij buitenlandse hofbezoeken geen mening te vragen aan onbekende Europese vorsten. Ook andere reizen en mogelijke opdrachten maakten deel uit van deze jaren. In de zomer van 1863 trok Philippe naar Parijs, waar keizer Napoleon III hem persoonlijk ontving bij aankomst. Napoleon III steunde Philippe mede omdat aartshertog Maximiliaan, Philippe’s schoonbroer, op 10 april 1864 was uitgenodigd om in Mexico te regeren.
Binnen België bleef Philippe door de geboorte van zijn neef Leopold op 12 juni 1859 derde in de opvolging van de Belgische troon. Hoewel hij meermaals werd opgeroepen, heeft hij nooit de wens uitgesproken om koning van België te worden. Koning Leopold I overwoog eind 1860 zelfs om Philippe naar Brazilië te sturen, gezien de uitstekende commerciële en diplomatieke relaties. Philippe, die vrijgezel was, kon er eventueel trouwen met een van de twee dochters van keizer Pedro II, wat Belgische investeringen en een uitbreiding van de invloed zou kunnen bevorderen. Keizer Pedro II wilde bovendien Europese kolonisten uitgestrekte gebieden schenken als huwelijksgeschenk voor zijn toekomstige schoonzonen.
Philippe stelde zijn eerste plannen voor een reis naar Brazilië uit om mogelijke prinsessen te beoordelen. In oktober 1862 drong zijn zuster Carlota erop aan dat hij Brazilië zou bezoeken en prinses Isabel zou ontmoeten, maar Philippe wees dat advies af en liet tegen april 1863 alle Braziliaanse plannen varen. Eerder, in maart 1862, meldde de Amerikaanse ambassade in Madrid aan de Amerikaanse regering dat een mogelijk huwelijk van de graaf van Vlaanderen met Maria Isabel de Orleans werd overwogen; dat gold als een voorfase van de kandidatuur van prins Felipe als soeverein van Mexico. In Londen verklaarde John Russel, Brits staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, dat Groot-Brittannië geen enkele kandidatuur in Mexico zou steunen.
In de herfst van 1862 vernam koning Leopold I dat kanselarijen zijn zoon Philippe voorstelden voor de opengekomen Griekse troon. Leopold I stelde daarover een memorandum op met de voor- en nadelen van de Helleense kroon voor zijn jongere zoon. Philippe zelf zag geen reden om zich kandidaat te stellen voor Griekenland wegens de instabiele situatie. Hij gaf aan dat de voorkeur voor zijn kandidatuur boven die van een Deense prins samenhing met de positie van de koning en van België, maar hij vond de nadelen van Griekenland zwaarwegend en beschouwde het idee om het Oosten te revolutioneren als het werk van een avonturier. Op 23 februari 1866 verkoos het parlement van de Roemeense vorstendommen Philippe, graaf van Vlaanderen, unaniem tot vorst, maar ook die rol had hij nooit gevraagd en hij weigerde de Roemeense troon. Ondanks die herhaalde aanbiedingen bleef hij liever in België, mede omdat hij de voorkeur gaf aan een relatief vrij bestaan en sinds zijn jeugd doof was.
Huwelijk, gezin en rol aan het hof
Na de politieke moeilijkheden in Mexico, waar zijn broer keizer Maximilian slechts twee jaar regeerde, bevond Philippe zich in een periode van instabiliteit. Nadat Napoleon III militaire en financiële steun had geweigerd, vergezelde Philippe zijn echtgenote Carlota op haar reis terug naar Europa in augustus 1866, op zoek naar steun in Parijs. Ook daar veranderde zij Napoleons houding niet. In september 1866 vroeg Carlota vervolgens hulp aan paus Pius IX, maar ook dat leverde geen steun op. Toen haar gedrag steeds vreemder werd, stuurde koning Leopold II Philippe op 8 oktober 1866 naar Rome. Philippe stelde vast dat zijn zuster geobsedeerd was door het idee dat men haar wilde vergiftigen. In Rome raadpleegde hij de Weense alienist Josef Gottfried von Riedel, die haar diagnoseerde met waanzin en vervolgingsideeën. Daarna werd de keizerin ondergebracht in het Gartenhaus-paviljoen van Miramar, waar zij negen maanden verbleef voor zij naar België terugkeerde.
Intussen was ook Philippe zelf betrokken bij dynastieke plannen in België. Leopold II maakte zich sinds december 1865 zorgen over de veiligheid van België, dat tussen Frankrijk en Pruisen lag. Daarom werd Philippe’s huwelijk met een Pruisische prinses gepland als een mogelijke alliantie voor België. Leopold vroeg daarbij de hulp van koningin Victoria om het huwelijk met prinses Maria van Hohenzollern-Sigmaringen te regelen. Philippe reisde in december 1866 naar Berlijn om Maria te ontmoeten, keerde er in februari 1867 nogmaals terug en vroeg haar toen ten huwelijk. Het huwelijk vond plaats op 25 april 1867 in de Sint-Eduwigskathedraal in Berlijn. Philippe en Maria kregen vijf kinderen.
Binnen het gezin liet Philippe veel verantwoordelijkheid aan Maria over. Hij had een pragmatisch en zwijgzaam karakter, terwijl Maria artistieke interesses en een vastberaden temperament had. Philippe zocht zelf vaak veilingzalen af op zoek naar antiek, maar de organisatie en verantwoordelijkheid voor de opvoeding van de kinderen liet hij volledig aan zijn vrouw over. Maria organiseerde bovendien uitbundige sociale avonden in hun paleis. Wanneer zij gescheiden waren, reisde Philippe vaak apart naar Parijs, landen rond de Middellandse Zee, Italië en Turkije, terwijl Maria naar Duitsland en Auvergne trok om zich in het graveren te oefenen. Tijdens hun afzonderlijke reizen schreven zij elkaar dagelijks brieven, waarin zij hun stemmingen en politieke analyses deelden.
In 1869 werd Philippe erfgenaam van de Belgische troon na de dood van prins Leopold, hertog van Brabant. Hun eerste zoon, Balduin, werd geboren in juni 1869 en stond tweede in de opvolgingsorde. Balduin stierf in 1891 aan longontsteking op eenentwintigjarige leeftijd.
Militaire loopbaan en verantwoordelijkheden
Prins Philippe volgde geen opleiding aan de Koninklijke Militaire School, maar oefende wel militaire tactische manoeuvres rond het kasteel van Laken. Op negenjarige leeftijd trad hij toe tot het Regiment der Gidsen. Op 16 december 1846 werd hij er benoemd tot onderluitenant. Daarna volgden snelle bevorderingen: in 1851 werd hij luitenant, in 1852 kapitein-commandant, in 1853 eerst majoor en daarna luitenant-kolonel, in 1854 kolonel en in 1855 generaal-majoor. Op 22 juni 1865 werd hij bevorderd tot luitenant-generaal. Op 10 februari 1859 werd hij in de orde van de grote cavalerie van de brigade graaf van Vlaanderen. Op 11 november 1869 werd hij benoemd tot opperbevelhebber van de cavalerie, een functie die hij behield tot zijn ontslag in 1902.
In januari 1865 sprak hij zijn bezorgdheid uit over annexationistische opvattingen in de buurlanden. Hij pleitte toen voor de uitbouw van het leger als antwoord op bedreigingen tegen het koninkrijk. Tijdens de Frans-Pruisische Oorlog van 1870 voerde hij het bevel over het Observatiekorps van het IIe Leger. Dat korps bestond uit de 4e en 5e divisie en een cavaleriebrigade.
Residentie, bezit en publieke rol
Vanaf mei 1868 woonde de graaf van Vlaanderen met zijn familie in het Paleis van Vlaanderen, op de hoek van het Koninklijk Paleis en de Regentschapsstraat in Brussel. In dat huis verbleven ook ongeveer 70 personen in dienst. Hij verzamelde er antiquiteiten, kunstwerken en waardevolle paarden. In het Paleis van Vlaanderen liet hij bovendien een opmerkelijke bibliotheek samenstellen met 30.000 ingebonden volumes en bijna 1,2 km aan boekenplanken. Die bibliotheek wordt sinds het vertrek van de Arenbergfamilie beschouwd als de mooiste particuliere bibliotheek van België en zelfs van Europa.
De graaf van Vlaanderen was ook een grote landeigenaar. Hij bezat sinds 1857 het geseculariseerde 'bien noir' van de Abdij van Postel in België, waarvan de gronden 4.452 km besloegen en delen omvatten van de gemeenten Rhéty, Mol, Gheel en Dessel. In 1858 liet hij in Postel een neoklassiek jachtverblijf bouwen. In 1868 kocht hij ook het Muno-bos, grenzend aan het domein Amerois in de Ardennen. Later verwierf hij in december 1898 Villa Haslihorn, een verblijf in Horw in Zwitserland, aan het meer van Luzern, en in 1900 kocht hij 'la Casa del Rey' in Eupen, om dichter bij de Hertogenwaldbossen te zijn.
Ook financieel stond hij sterk. Volgens de gegeven feiten ontving prins Filips sinds 1856 een jaarlijkse toelage van de Staat, aanvankelijk 150.000 frank, en vanaf zijn huwelijk in 1867 200.000 frank. Hij was de meest zwaar belaste Belg voor zijn vermogensbelasting. Daarnaast was hij aandeelhouder van Cockerill en investeerde hij vijf miljoen frank in dat bedrijf, naast andere investeringen in uiteenlopende ondernemingen. Bij zijn overlijden bedroeg de nalatenschap van de graaf van Vlaanderen ongeveer 39.000.000 frank.
Tijdens de Frans-Duitse Oorlog speelde hij een militaire rol in dienst van de Belgische neutraliteit. Leopold II mobiliseerde op 15 juli 1870 het Belgische leger om die neutraliteit te bewaren. De graaf van Vlaanderen voerde tijdens de oorlog regelmatig briefwisseling met Leopold II en volgde zijn richtlijnen. Hij vestigde zijn hoofdkwartier in Philippeville om de Frans-Belgische grens te bewaken en ervoor te zorgen dat de Belgische neutraliteit werd gerespecteerd. Na de Slag bij Sedan in september 1870 was hij verantwoordelijk voor de organisatie van de opvang en verzorging van gewonde Franse en Duitse soldaten. Generaal Chazal verklaarde dat zijn militaire tactieken België van grote rampen hadden gered door op de vlucht geslagen bevolkingsgroepen tijdens de oorlog tegen te houden en te ontwapenen.
Kunstvoorkeuren en collectie
Biografië had een duidelijke voorkeur voor conventionele genreschilders, zoals de Nederlandse Jozef Israels. Ook toonde hij belangstelling voor de Brusselse schilder Charles Hermans, die het kloosterleven afbeeldde, en waardeerde hij de Gentse schilder Adolphe Dillens, bekend om zijn door Zeeland geinspireerde thema's. Met de oriëntalist en postromantische schilder Jean-Francois Portaels onderhield hij vriendschappelijke relaties. Portaels versierde bovendien de eetkamer van het paleis en trad op als tussenpersoon tussen Biografië en kunstenaars voor de paleisdecoraties aan de Regentschapsstraat.
De prinselijke verzameling omvatte ongeveer 600 schilderijen. Daarin bevonden zich werken van meesters uit de Germaanse wereld, maar het grootste deel bestond uit eigentijdse Belgische producties. De collectie bevatte genretaferelen, familieportretten, landschappen en stadsgezichten. Ook de stoffering gaf het paleis een uitgesproken aangeklede uitstraling, met onder meer plafonds die beschilderd werden door Xavier Mellery en Joseph Stallaert. Volgens kunsthistorica Judith Ogonovszky bevond de collectie van de graaf van Vlaanderen zich tussen de artistieke bekommernissen van de dominante klasse en koninklijke aanspraken.
Laatste jaren en overlijden
Na de dood van zijn zoon Balduino in 1891 kreeg prins Philippe last van melancholische aanvallen. Zijn dochters Josefina en Enriqueta trouwden respectievelijk in 1894 en 1896 en vestigden zich daarna in het buitenland: Enriqueta in Neuilly-sur-Seine in Frankrijk, Josefina eerst in Potsdam en later in Berlijn in Duitsland. Zijn zoon Alberto verliet een jaar na zijn huwelijk met prinses Isabel Gabriela de Baviera in 1901 het paleis van zijn ouders. In dezelfde periode verslechterde zijn verhouding met koning Leopold II steeds meer, tot die bijna onbestaande werd. Ook op politiek vlak werd hij vaker bekritiseerd, onder meer nadat het pluraliteitsstemrecht van 1894 had geleid tot 28 vertegenwoordigers van de Belgische Werkliedenpartij in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Zelfs zijn jaarlijkse investituur kreeg kritiek in de wetgevende kamer. Philippe wilde zijn emolumenten afstaan, maar koning Leopold II weigerde dat om geen precedent te scheppen.
In 1902 verzette Philippe zich samen met Leopold II tegen de benoeming van een nieuwe militaire commandant van de Brusselse divisie. Op 23 juni 1902 nam hij ontslag als bevelhebber van de cavalerie, een functie die hij sinds 1869 had bekleed. Hij was aanwezig bij de aanslag op Leopold II op 15 november 1902, tijdens de uitvaart van koningin Maria Henrietta, en kreeg drie dagen later een cerebrale congestie. Zijn gezondheid ging vervolgens gedurende drie jaar achteruit. In 1905 bezocht hij de Universele Tentoonstelling in Luik en de vieringen van de 75ste verjaardag van de Belgische onafhankelijkheid. Die zomer verbleef hij in Ameois en op een Zwitsers goed, en op 6 oktober keerde hij terug. Op 14 november 1905 kreeg hij het bevel om te rusten, en op 16 november werd een zware ontsteking van de ademhalingswegen vastgesteld. Hij stierf op 17 november 1905 in het paleis aan de Regentschapsstraat, in Brussel, op de 60ste verjaardag van zijn echtgenote. Na zijn dood werd zijn zoon Alberto troonopvolger. Philippe werd begraven in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in Laken.
Bibliografie
De genoemde biografische bron over Philippe, graaf van Vlaanderen, is van Damien Bilteryst. Zijn werk draagt de titel Philippe Comte de Flandre en maakt deel uit van de reeks of vermelding Frère de Léopold II. Het boek werd gepubliceerd in Brussel door Editions Racine in juni 2014. De uitgave telt 336 pagina's en heeft ISBN 978-2-87386-894-9.