
Charles Théodore Henri Antoine Meinrad, beter bekend als prins Karel, graaf van Vlaanderen, was een van de meest markante leden van de Belgische koninklijke familie in de twintigste eeuw. Geboren in Brussel, in het palais du marquis d’Assche, was hij de tweede zoon van koning Albert van België en koningin Elisabeth. Zijn voornaam ontleende hij aan zijn grootvader langs moederszijde, hertog Charles-Théodore in Beieren. Zijn oudere broer was koning Leopold III; zijn zus werd koningin Marie-José van Italië. In 1910 benoemde zijn vader hem tot graaf van Vlaanderen.
Na de Duitse invasie van België in augustus 1914 werd hij samen met zijn broers en zussen naar Engeland gestuurd, waar hij tijdens de Eerste Wereldoorlog verder studeerde en tot 1926 een militaire opleiding bij de Royal Navy volgde. In 1917 boden de Geallieerden hem de Griekse troon aan — zijn vader weigerde dat aanbod. Karel keerde in 1926 terug naar België. In de jaren 1930 begon hij met de aanleg van het domein van Raversyde aan de Belgische kust en liet hij de linkervleugel van het kasteel van Laken in Brussel herstellen. Zijn meest invloedrijke rol was echter het regentschap van het Koninkrijk België, dat hij uitoefende tijdens de periode waarin koning Leopold III niet kon regeren. Hij overleed in Oostende.
- Hoe verliepen de jeugd en oorlogsjaren van prins Karel?
- Welke rol speelde de Belgische regering in Londen tijdens de oorlog?
- Hoe verliep de aanstelling van prins Karel als regent?
- Welke politieke keuzes maakte prins Karel tijdens zijn regentschap?
- Hoe positioneerde België zich internationaal na de Tweede Wereldoorlog?
- Hoe leefde prins Karel na zijn regentschap?
- Had prins Karel een gezin of persoonlijke relaties?
- Hoe wordt prins Karel herdacht?
Jeugd, opleiding en oorlogstijd
Charles Théodore Henri Antoine Meinrad — volledig: prins van België, hertog van Saksen en prins van Saksen-Coburg-Gotha — werd geboren in het palais du marquis d’Assche in Brussel. Als tweede zoon van koning Albert van België en koningin Elisabeth groeide hij op in de schaduw van zijn oudere broer en troonopvolger Leopold. Zijn voornaam verwijst naar zijn grootvader langs moederszijde, hertog Charles-Théodore in Beieren, wat de sterke band met de Beierse tak van de familie benadrukt.
In 1910 werd hij door zijn vader officieel benoemd tot graaf van Vlaanderen. Toen Duitsland België in augustus 1914 binnenviel, stuurde het koninklijk paar zijn kinderen onmiddellijk naar Engeland. Prins Karel verbleef er gedurende de gehele Eerste Wereldoorlog en zette zijn studies voort. Na de wapenstilstand bleef hij in Groot-Brittannië om een militaire opleiding te volgen bij de Royal Navy — een traject dat hij afrondde in 1926, waarna hij terugkeerde naar België.
Een opmerkelijk historisch detail uit deze periode: in 1917 boden de Geallieerden hem, na het gedwongen vertrek van koning Constantijn I, de Griekse troon aan. Zijn vader wees dat voorstel echter resoluut van de hand. Terug in België stortte Karel zich op culturele en bouwkundige projecten: in de jaren 1930 begon hij met de aanleg van het domein van Raversyde aan de Belgische kust en liet hij de linkervleugel van het kasteel van Laken in Brussel herstellen.
De Belgische regering in Londen en de oorlogsinspanning
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte de Belgische regering in ballingschap vanuit Londen. Zij nam haar beslissingen collegiaal, zonder koninklijke tegenondertekening, en wachtte overeenkomstig de grondwettelijke procedure op parlementaire goedkeuring voor koninklijke verhindering. Om haar geloofwaardigheid bij de Geallieerden te versterken, organiseerde zij een ernstige en zichtbare oorlogsinspanning en bracht zij de Belgische vluchtelingen die Duitsland ontvlucht waren, samen. Tegelijk werd nadrukkelijk afstand genomen van de Belgische neutraliteitspolitiek die Leopold III vóór de inval had verdedigd.
Die oorlogsinspanning nam diverse concrete vormen aan:
- België leverde 29 piloten tijdens de Slag om Engeland (1940) en drie Belgische squadrons maakten deel uit van de Royal Air Force.
- De Belgische strijdkrachten in Groot-Brittannië werden opnieuw samengesteld en getraind.
- In de Abessijnse campagne ondersteunden Belgische koloniale troepen Britse eenheden. Luitenant-generaal Auguste-Edouard Gilliaert en kolonel Edmond Van der Mersch namen de Italiaanse overgave te Asosa in ontvangst, na de gevechten bij Gambela en Bortaï en de beslissende overwinning van Saïo.
Een cruciale rol was weggelegd voor Belgisch-Congo. De kolonie bleef tijdens de oorlog volledig onder de autoriteit van de Belgische regering in ballingschap en leverde niet alleen financiële middelen op — via Congolees goud en een deel van de Belgische schatkist dat naar de Verenigde Staten was geëvacueerd — maar ook strategische grondstoffen zoals granen, rubber en uranium. De Belgische koopvaardijvloot ontsnapte aan Duitse controle en speelde een sleutelrol bij de levering van die grondstoffen onder de Belgisch-Amerikaanse akkoorden van 1941.
Zoals historici van het Belgisch koningshuis opmerken, was de positie van Belgisch-Congo tijdens de Tweede Wereldoorlog niet louter een koloniale kwestie: het uranium dat via Congo beschikbaar werd gesteld, kreeg later een wereldhistorische betekenis als grondstof voor het Manhattanproject.
Tegelijk lagen de verhoudingen binnen de koninklijke familie gespannen. Bij de capitulatie in mei 1940 had Leopold III geprobeerd de Belgische koloniale ruimte te neutraliseren en Congo te beschermen tegen Engelse invloed. Hij gebruikte daarvoor zijn Engelse adellijke contacten. De biografie wijst er bovendien op dat de Britse premier Chamberlain in 1938 overwogen had Belgisch-Congo met Duitsland te delen als onderdeel van een appeasementpolitiek — een voornemen dat, samen met de Münchense akkoorden waarbij Tsjechoslowakije aan Hitler werd afgestaan, de Belgische soevereiniteit in het gedrang bracht.
De aanstelling en het begin van het regentschap
Na de bevrijding van België in september 1944 moest de leemte in de koninklijke macht zo snel mogelijk worden opgevuld. Koning Leopold III bevond zich buiten het land en kon zijn functie niet uitoefenen. De regering vroeg het parlement dan ook om goedkeuring van haar beleid van vier en een half jaar ballingschap en stelde voor het regentschap toe te vertrouwen aan prins Karel.
De vergadering van het parlement was de eerste sedert de bezetting. Van de 369 parlementsleden waren er 264 aanwezig. De afwezigen: een aantal zat gevangen in Duitsland, anderen verbleven in het nog niet bevrijde deel van het land, sommigen waren collaborateurs op de vlucht en een deel was als gevolg van oorlogsfeiten overleden. Uiteindelijk stemden 217 parlementsleden vóór de aanstelling van prins Karel als regent; 47 onthielden zich.
Prins Karel legde vervolgens de grondwettelijke eed af als regent. Zijn eerste daad was het bekrachtigen van de parlementaire goedkeuring van het regeringsbeleid dat tijdens de oorlog in Londen was gevoerd. Tot de terugkeer van Leopold III oefende Karel de koninklijke prerogatieven uit. Kort na het begin van zijn regentschap maakte Leopold III zijn politieke wil bekend aan de nieuwe regering-Pierlot — een regering die het vertrouwen van het parlement genoot en waarbij eerste minister Pierlot zichzelf opvolgde na vier jaar in de regering van Londen. Die politieke wilsverklaring bekritiseerde de handelsakkoorden die tijdens de oorlogsinspanning waren gesloten, en eiste excuses van de ministers die naar Londen waren gevlucht nadat zij de koning ervan hadden beticht in België te willen blijven.
Politieke keuzes en spanningen tijdens het regentschap
Als prins-regent moest Karel zijn medeondertekening verlenen aan beleidsbeslissingen van de uitvoerende macht. Intussen verbleef Leopold III in gedwongen ballingschap in Zwitserland, in afwachting van een parlementaire oplossing voor de koninklijke onmogelijkheid om te regeren. Dat leidde tot gespannen ontmoetingen in 1945 en 1946 tussen de koning, de prins-regent en Belgische ministers.
Leopold III verzette zich tegen zijn broer, die hij te toegeeflijk vond tegenover de naoorlogse regeringen. In het bijzonder keurde hij de steun van de regent aan het beleid van de regering in ballingschap af. Bovendien vermoedde Leopold dat Karel de bedoeling had hem als staatshoofd te vervangen om tegemoet te komen aan de wensen van de Verenigde Staten.
Concreet nam prins Karel de volgende significante beslissingen:
- Hij behandelde economische akkoorden met de Geallieerden die bijdroegen aan de economische ontwikkeling van Congo.
- Hij positioneerde België nadrukkelijk aan de zijde van de geallieerde landen.
- Hij keurde in 1946 een beleid goed dat gericht was op een snelle terugkeer naar economische welvaart.
- Hij stemde in met de Belgische aansluiting bij het westerse kamp, waarmee definitief een einde kwam aan de neutraliteitspolitiek.
Bij de bevolking genoot Karel ondertussen een groot prestige. De terugkeer van Leopold III naar Brussel na het referendum van 1950 — waarbij 56 procent zich voor zijn terugkeer uitsprak — lokte hevige oppositiebewegingen uit. Uiteindelijk deed Leopold III afstand van de troon ten voordele van zijn oudste zoon, prins Boudewijn, die prins-royal en later regent werd. Daarmee eindigde ook het regentschap van Karel.
Belgische internationale positie na de Tweede Wereldoorlog
In 1945 nam België deel aan de oprichting van de Verenigde Naties. De Belgische minister van Buitenlandse Zaken, Paul-Henri Spaak, zat de oprichtingszitting voor — een erkenning van de actieve rol die België tijdens de oorlog in ballingschap had gespeeld. Spaak had sedert 1939 onafgebroken gediend in de vrije Belgische regering.
In de jaren die volgden bevestigde België zijn internationale engagementen:
| Jaar | Internationaal engagement |
|---|---|
| 1945 | Oprichting van de Verenigde Naties; België medeoprichter |
| 1948 | Deelname aan de stichting van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) |
| 1949 | Deelname aan de oprichting van de Raad van Europa |
De aansluiting bij de NAVO had directe militaire gevolgen: door de Koude Oorlog volgde een belangrijke herbewapening van het Belgische leger. Het Belgische leger bezette bovendien een NAVO-sector in Duitsland, langs de grens met het IJzeren Gordijn. Historisch opmerkelijk: België was daarmee de enige kleine mogendheid die in 1940 door Duitsland was aangevallen en later desondanks een eigen sector in Duitsland bezette als NAVO-partner.
Latere jaren: kunst, landgoed en overlijden
Na zijn terugtrekking als regent vestigde prins Karel zich op zijn landgoed in Raversyde, bij Oostende. Hij verbrak het contact met zijn broer Leopold III en leidde voortaan een teruggetrokken bestaan. Hij legde zich toe op de schilderkunst, waaronder hij optrad onder de naam Karel van Vlaanderen. Vanaf 1973 organiseerde hij twintig tentoonstellingen, waarmee hij een bescheiden maar erkende reputatie als kunstenaar opbouwde.
In 1981 zag hij af van zijn parlementaire toelage, omdat hij na het regentschap geen officiële activiteit meer uitoefende. Later vroeg hij die toelage opnieuw aan wegens financiële moeilijkheden. Zijn laatste levensjaren werden ook gekenmerkt door juridische geschillen met voormalige financieel adviseurs, die hem van fraude beschuldigden.
Het landgoed in Raversyde werd in 1981, op voorstel van de stad Oostende, door de Belgische staat aangekocht. Na zijn dood werd er een herdenkingsruimte voor prins Karel ingericht, beheerd door de provincie West-Vlaanderen.
Prins Karel overleed in het ziekenhuis van Oostende. Een week later kreeg hij een nationaal eerbetoon in Brussel — al waren koning Leopold III en prinses Lilian van België daarbij niet aanwezig. Daarna werd hij bijgezet bij zijn voorouders in de koninklijke crypte van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Laken in Brussel. Hij was officieel ongehuwd en kinderloos.
Persoonlijke relaties en buitenechtelijke afstamming
Na zijn overlijden werd bevestigd dat prins Karel de biologische vader was van een buitenechtelijke dochter: Isabelle Wybo, geboren in 1939. Zij was het kind van Jacqueline Wehrli, de dochter van een bakker uit Brussel. Haar bestaan bleef grotendeels onbekend bij het grote publiek tot de publicatie van een biografie in 2003. In 2012 verscheen Isabelle Wybo voor het eerst officieel in het openbaar, samen met haar neef prins Laurent.
Naast deze relatie had prins Karel ook een langdurige en diepgaande band met Jacqueline Peyrebrune, een vrouw die tijdens de Tweede Wereldoorlog actief was geweest in het verzet. Hun relatie bleef ook na de oorlog voortduren, hoewel Jacqueline Peyrebrune van 1943 tot het overlijden van haar echtgenoot in 1977 gehuwd was met Georges Schaack.
Na de dood van Schaack trouwden Karel en Jacqueline Peyrebrune in een strikt religieuze ceremonie in de Sint-Pieterskerk in Montrouge, Parijs. Zij beschouwden dit huwelijk als volledig privé en uitsluitend voor God bestemd. Er bestaan geen foto’s van de plechtigheid waarop beide partijen te zien zijn. De huwelijksakte werd opgemaakt door celebrant pater Carcelino Carrera en pater Alfred Keller, priester van de Sint-Pieterskerk. Vanuit canoniek oogpunt erkent de Kerk een huwelijk enkel als geldig sacrament — en niet als een loutere zegen. Naar Belgisch recht vereist een religieus huwelijk bovendien een voorafgaand burgerlijk huwelijk om rechtsgeldig te zijn; aan die voorwaarde werd niet voldaan.
Nagedachtenis en publicaties
Na het overlijden van prins Karel bleef Jacqueline Peyrebrune elk jaar op de verjaardag van zijn dood een krans neerleggen op zijn graf in de koninklijke crypte van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Laken in Brussel. Op die krans stonden de woorden: „La femme qui t’a tant aimé” — een stille maar veelzeggende getuigenis van hun levenslange verbondenheid.
In 1991 publiceerde Jacqueline Peyrebrune haar memoires onder haar eigen naam, getiteld Un amour dans l’ombre. Het boek verscheen ook in het Engels onder de titel Love in Shadow, uitgegeven door Éditions Tarmeye. De publicatie wierp voor het eerst licht op de persoonlijke levenssfeer van de regent, die hij zijn hele leven angstvallig had afgeschermd van de publieke opinie.
Het landgoed van Raversyde, dat de provincie West-Vlaanderen na zijn dood inrichtte als herdenkingsruimte, vormt vandaag de tastbare erfenis van een man die in de officiële geschiedschrijving lang in de schaduw van de koninnskwestie is gebleven, maar wiens regentschap van 1944 tot 1950 de continuïteit van de Belgische staat in een van haar meest turbulente periodes heeft gewaarborgd.