Prinses Stéphanie van België

Portret van prinses Stéphanie van België
Portret van prinses Stéphanie van België

Prinses Stéphanie van België werd op 21 mei 1864 geboren in Brussel als derde dochter van koning Leopold II van België en Maria Henriëtte van Oostenrijk. Door haar eerste huwelijk met kroonprins Rudolf van Oostenrijk-Hongarije werd zij erfprinses van een van de machtigste keizerrijken van Europa. Haar leven werd gekenmerkt door dynastieke verplichtingen, persoonlijk verdriet, hofintrigues en uiteindelijk een serene teruggetrokkenheid ver van de macht die haar ooit omringde.

Haar biografie omspant meer dan acht decennia en raakt aan enkele van de meest dramatische gebeurtenissen uit de Europese geschiedenis van de late negentiende en vroege twintigste eeuw — van de mysterieuze dood in Mayerling tot de Tweede Wereldoorlog. Dit artikel reconstrueert haar leven van geboorte tot overlijden op basis van historische feiten.

Geboorte en familieachtergrond

Prinses Stéphanie van België werd geboren op 21 mei 1864 in het Kasteel van Laken, tijdens het bewind van haar grootvader, koning Leopold I van België. Haar ouders waren de toekomstige koning Leopold II en Maria Henriëtte van Oostenrijk. Hun huwelijk werd in 1853 voltrokken als onderdeel van diplomatieke regelingen en had tot doel de dynastieke allianties voor het Koninkrijk België te versterken. Het was een verbintenis die tot stand was gekomen zonder dat het echtpaar zelf op doeltreffende wijze werd geconsulteerd. Haar vader gaf voorrang aan politieke en economische staatszaken, terwijl haar moeder zich bezighield met religieuze praktijken en activiteiten zoals paardrijden, hondenfokkerij en muziek.

Stéphanie had drie broers en zussen. Haar twee oudere siblings waren Louise, geboren in 1858, en Leopold, geboren in 1859. Haar jongere zuster Clementine werd geboren in 1872. Na de dood van Leopold I op 10 december 1865, na een regering van 34 jaar, besteeg haar vader de troon als Leopold II. In het gezin was de positie van haar broer Leopold van bijzonder belang als troonopvolger. Toen hij in het voorjaar van 1868 ernstig ziek werd nadat hij in de vijver van het Park van Laken was gevallen, verslechterde zijn gezondheid snel; hij overleed op 22 januari 1869. Stéphanie groeide op in een gezin dat door dynastieke plicht werd bepaald, en ook haar eigen toekomst zou door diezelfde dyniastieke logica worden gevormd.

Verloving en huwelijk met kroonprins Rudolf

Prinses Stéphanie bleef aanvankelijk in België, waar zij zich toelegde op haar opleiding en de zorg voor haar jongere zus Clementine. In de winter van 1878–1879 werd zij tijdens een tussenstop in Brussel voorgesteld aan keizerin Elisabeth van Oostenrijk. In heel Europa deden geruchten de ronde over een mogelijk huwelijk tussen Stéphanie en aartshertog Rudolf, de enige zoon van keizerin Elisabeth en keizer Frans Jozef I. Stéphanie voldeed aan de strenge criteria die Frans Jozef I had vastgesteld voor een geschikte echtgenote voor zijn troonopvolger.

In maart 1880 vroeg aartshertog Rudolf haar formeel ten huwelijk in België. De verloving werd officieel aangekondigd op 7 maart 1880. Daarna volgden intensieve onderhandelingen over het huwelijkscontract tussen beide hoven. Keizer Frans Jozef I keurde het contract goed; het werd opgesteld naar het voorbeeld van het huwelijkscontract van Charlotte van België en Maximiliaan van Mexico uit 1857. Het huwelijk was aanvankelijk gepland voor 15 februari 1881, maar werd uitgesteld vanwege Stéphanies leeftijd. Uiteindelijk trouwden Stéphanie en Rudolf op 10 mei 1881 in de Augustijnerkerk in Wenen. De plechtigheden waren buitengewoon luisterrijk: de kerk was zo vol dat de huwelijksstoet nauwelijks kon doorgaan.

Zoals hofhistorici opmerken, was het huwelijk tussen Stéphanie en Rudolf in de eerste plaats een dynastiek instrument — een verbintenis die minder door persoonlijke keuze dan door staatsbelang werd bepaald, en waarvan de gevolgen voor beide partijen verstrekkend zouden blijken.

Hofleven en moederschap

Na haar huwelijk begon prinses Stéphanie het hofleven in Wenen van nabij te ervaren. De huwelijksnacht in het kasteel van Luxemburg liet onprettige herinneringen na, en ook de eerste verplichte officiële diners brachten weinig gemak. Zij stond voortdurend onder het onderzoekende oog van haar nieuwe familie. Haar schoonmoeder, keizerin Elisabeth, gaf haar zelfs de weinig vleiende bijnaam “de afschuwelijke kameel”. Toch begon Stéphanie geleidelijk de voordelen van haar positie als kroonprinses te waarderen.

Tijdens een officieel bezoek aan Hongarije in mei 1881 werd zij uitbundig toegejuicht. Dat bezoek deed haar beseffen dat haar rang ook erkenning en invloed kon betekenen. In het begin van hun huwelijk was er geen sprake van romantische liefde, maar het echtpaar bouwde vanuit wederzijds respect en genegenheid. Zij spraken elkaar aan met tedere koosnamen: “Coco” voor Rudolf en “Coceuse” voor Stéphanie. Zij noemde Rudolf aanvankelijk een voorbeeldige echtgenoot. Tegelijk merkte zij dat hij wantrouwig werd en haar bewegingsvrijheid beperkte; zij stond onder strenge bewaking en gebruikte die gedwongen rust om zich aan tekenen en schilderen te wijden.

Vanaf oktober 1881 nam Stéphanie in de officiële ontvangsten de ceremoniële taken van keizerin Elisabeth over. Op verzoek van haar schoonmoeder vergezelde zij de keizer en de kroonprins op officiële reizen, ontving buitenlandse vorsten, trad op als gastvrouw bij staatsdiners en zat naast haar schoonvader in de balzalen. De keizerin trok zich intussen steeds verder terug uit het hofleven. Tegelijkertijd verwijderde Rudolf zich geleidelijk van Stéphanie en toonde hij steeds minder genegenheid.

In de herfst van 1881 dacht Stéphanie dat zij zwanger was, maar de dokters hadden het mis. De zwangerschap werd pas in het voorjaar van 1883 bevestigd. Keizer Frans Jozef was bijzonder verheugd. Beiden verwachtten een zoon en hadden al een naam gekozen: “Wenceslaus”. Op 8 augustus 1883 bezocht koningin Maria Henriëtte haar dochter ter voorbereiding van de bevalling. Op 2 september 1883 beviel Stéphanie van een dochter, aartshertogin Elisabeth Marie, bijgenaamd “Erzsi”. Rudolf was teleurgesteld dat het kind een meisje was, maar aanvaardde zijn vaderrol. De bevalling markeerde tegelijk het begin van ernstige huwelijksproblemen.

De ziekte van kroonprins Rudolf en de gevolgen voor Stéphanie

Kroonprins Rudolf leidde een extravagante levensstijl en had meerdere buitenechtelijke relaties. Begin 1886 werd hij ernstig ziek. Om de ware aard van zijn toestand te verbergen, sprak men officieel over cystitis of maagpijn. Volgens de beschikbare historische bronnen had hij tijdens zijn buitenechtelijke affaires een venerische ziekte opgelopen, vermoedelijk gonorroe. Artsen behandelden een mogelijke syfilis met onder meer opium, brandewijn, morfine en kwik; hoge doses kwik konden ernstige neurologische en psychologische bijwerkingen veroorzaken.

Prinses Stéphanie begeleidde Rudolf naar het herstellingsoord Lokrum, zonder op de hoogte te zijn gesteld van de ware aard van zijn ziekte. Toen zij zelf symptomen ontwikkelde, stelden artsen peritonitis vast. Door de besmetting met de geslachtsziekte die Rudolf op haar had overgedragen, werd Stéphanie vóór haar tweeëntwintigste onvruchtbaar. Dit veroorzaakte diepe bitterheid en wrok jegens Rudolf. Zij weigerde het huwelijksleven met hem te hervatten wegens zijn gedrag, en ondanks zijn pogingen tot verzoening groeide de vervreemding tussen hen tot een onoverbrugbare kloof.

Aspect Situatie Rudolf Gevolg voor Stéphanie
Geslachtsziekte (vermoedelijk gonorroe) Opgelopen via buitenechtelijke relaties, ca. 1886 Onvruchtbaarheid vóór haar 22e levensjaar
Medische behandeling Opium, morfine, kwik — zware bijwerkingen Psychische instabiliteit bij Rudolf, verwijdering in huwelijk
Echtelijke breuk Rudolf weigerde verzoening Stéphanie weigerde huwelijksleven te hervatten

Het drama van Mayerling en het weduwschap

Vanaf de lente van 1887 was Stéphanie getuige van verontrustende veranderingen in Rudolfs gedrag. Zij zag hoe hij zijn zelfbeheersing verloor, melancholische perioden doormaakte en aan anderen voorspellingen deed over zijn naderende dood. In de zomer van 1888 namen zijn stemmingswisselingen toe en barstte hij uit in gewelddadige woede-aanvallen. In oktober 1888 waarschuwde Stéphanie keizer Frans Jozef I persoonlijk voor Rudolfs depressieve en suïcidale neigingen, maar zij slaagde er niet in hem dezelfde bezorgdheid te laten delen.

Stéphanie wist ook dat Rudolf andere relaties onderhield, onder meer met barones Maria Vetsera. Zij vernam dat Vetsera in april 1888 een ontmoeting met Rudolf had bijgewoond ter gelegenheid van haar zeventiende verjaardag. Op 30 januari 1889 werd Stéphanie op vierentwintigjarige leeftijd weduwe: Rudolf en barones Maria Vetsera werden dood aangetroffen met schotwonden in het jachthuis van Mayerling, in wat een zelfmoordpact leek. Rudolfs dood trof haar diep. Zij ontving bovendien een ongedateerde afscheidsbrief die hij voor haar had achtergelaten.

Na Rudolfs dood wilde Stéphanie Wenen en de hofatmosfeer zo snel mogelijk verlaten, maar zowel koning Leopold II als keizer Frans Jozef I verhinderden haar vertrek. De keizer eiste dat zij in de nabijheid bleef van haar vijfjarige dochter aartshertogin Elisabeth Marie. Uiteindelijk kreeg zij toestemming om vier maanden door te brengen in het kasteel van Miramare bij Trieste. Zij behield haar titel van kroonprinses, maar verloor haar officiële taken en haar recht op hofvertegenwoordiging. Aan het Weense hof ondervond zij kilheid van keizerin Elisabeth en een afstandelijke houding van Frans Jozef I.

Voor zij weduwe was geworden, had Stéphanie al een relatie aangeknoopt met de Poolse aristocraat Artur Władysław Potocki. Zij ontmoette hem in 1887 en gaf hem de bijnaam “Hamlet”. Potocki was sinds 1881 weduwnaar, kamerheer aan het Weense hof en levenslang lid van het Hogerhuis van Oostenrijk-Hongarije. Alleen haar zus Louise wist van deze verhouding. Na Rudolfs dood bleef Potocki dicht bij haar, maar in maart 1890 verloor hij zijn spraak na een operatie aan de tong en overleed hij kort daarna.

Weduwschap, schilderkunst en reizen

In de jaren na Rudolfs dood wijdde Stéphanie zich intensief aan reizen en schilderen. Haar waterverven, gemaakt tijdens verblijven op Lokrum, werden in 1892 in een album gepubliceerd. Tijdens verblijven in Laxenburg en de Hofburg oefende zij ook zang en woonde zij theater- en concertvoorstellingen bij. Tot 1898 ondernam zij jaarlijks lange reizen door Europa en de Middellandse Zee:

  • 1892: Corfu, Malta, Tunis en Sicilië
  • 1893: de Scandinavische landen
  • 1894: Noord-Afrika, de Balearen en Corsica
  • 1895: Griekenland en Palestina
  • 1897: Rusland

In maart 1898 moest zij haar reizen onderbreken wegens ziekte: zij leed aan longontsteking en pleuritis en bleef langdurig bedlegerig. Medische bulletins deden vrezen voor haar leven, maar zij herstelde onverwacht. Op 10 september 1898 werd keizerin Elisabeth in Genève vermoord; Stéphanie werd diep getroffen door die plotselinge dood.

Voorbereiding op het tweede huwelijk: Elemér Lónyay

Prinses Stéphanie werd ooit overwogen als mogelijke echtgenote voor aartshertog Franz Ferdinand, een optie die zowel keizer Frans Jozef I als koning Leopold II in overweging namen. Franz Ferdinand koos echter zelf voor gravin Sophie Chotek, een hofdame aan het Habsburgse hof. Intussen had Stéphanie haar blik gericht op Elemér Lónyay van Nagy-Lónya, een Hongaarse edelman van lagere rang en protestantse geloofsovertuiging.

Lónyay was een jaar ouder dan Stéphanie. Hij had rechten gestudeerd in Boedapest en trad daarna in diplomatieke dienst. In 1886 werd hij benoemd tot legatieraad; hij diende achtereenvolgens in Boekarest, Sint-Petersburg en Brussel. In 1890 werd hij keizerlijk en koninklijk kamerheer aan het Oostenrijkse hof. Twee jaar later volgde een bevordering tot ambassadesecretaris, waarna hij in Sint-Petersburg, Parijs, Londen en Stuttgart werkte. Later nam hij een jaar verlof om te reizen in Afrika en rond de Middellandse Zee. In 1895 vergezelde hij aartshertog Ludwig Viktor van Oostenrijk naar de kroning van tsaar Nicolaas II in Sint-Petersburg als lid van de keizerlijke legatie. In 1896 werden hij en zijn broer Gábor verheven tot graaf. Een jaar later nam hij ontslag uit de diplomatieke dienst. Om met prinses Stéphanie te kunnen trouwen, bekeerde hij zich tot het katholicisme.

Het tweede huwelijk en de breuk met het hof

In oktober 1899 schreef Stéphanie aan koningin Victoria van het Verenigd Koninkrijk over haar huwelijksplannen. Haar vader, koning Leopold II, weigerde echter zijn toestemming: hij stuurde een harde brief waarin hij zijn instemming expliciet onthield, omdat hij een huwelijk met iemand van lagere sociale rang onaanvaardbaar achtte. Ook een persoonlijke brief van koningin Victoria veranderde niets aan zijn beslissing. Leopold II reageerde bovendien scherp op Victoria om elke buitenlandse inmenging in Belgische aangelegenheden af te raden.

De Belgische vorsten verbrak de betrekkingen met Stéphanie en verbood haar terugkeer naar België. Leopold II overwoog zelfs haar titel van Koninklijke Hoogheid in te trekken, maar kreeg te horen dat dit juridisch onmogelijk was. Hij verbood zijn dochter Clementine nog langer met Stéphanie te corresponderen en dreigde haar jaarlijks pensioen van vijftigduizend frank stop te zetten. Keizer Frans Jozef raadde Leopold II echter af om dit pensioen daadwerkelijk te schrappen.

Ondanks al deze tegenstand werd het huwelijk uiteindelijk voltrokken. Op 22 maart 1900 trouwde Stéphanie met Elemér Lónyay in Miramare Castle, na elf jaar weduwe te zijn geweest. Door dit tweede huwelijk verloor zij haar hofpositie en haar keizerlijke titels. Haar dochter Elisabeth Marie bleef aan het keizerlijke hof. Keizer Frans Jozef beval de ontbinding van Stéphanies huishouding en ontsloeg alle leden van haar hofhouding, al werden sommige personeelsleden overgeplaatst naar Elisabeth Marie. Daarnaast werden Stéphanies patronages ingetrokken. Zij ontving wel een jaarlijks pensioen van honderdduizend florijnen; Elemér Lónyay had een eigen jaarlijks inkomen van vijftigduizend florijnen. In de Oostenrijkse pers, met name in Die Presse, werd het huwelijk omschreven als een romantische gebeurtenis. Het echtpaar vestigde zich aanvankelijk in de Villa Zichy in Wenen.

Familieconflicten en erfeniskwesties

In september 1902 vernam Stéphanie in Londen het overlijden van haar moeder, koningin Marie Henriëtte. Zij reisde naar Spa om haar laatste eer te betuigen, maar koning Leopold II weigerde haar te ontvangen. Daardoor was zij genoodzaakt de begrafenis van haar moeder over te slaan en keerde zij kort daarna terug naar Groot-Brittannië.

Enkele jaren later deed zich opnieuw een pijnlijke confrontatie voor. Twee dagen voor de dood van Leopold II, op 17 december 1909, werd Stéphanie een laatste ontmoeting met haar vader geweigerd. Na zijn dood keerde haar zus Louise terug naar België. Leopold II had een aanzienlijk deel van zijn bezittingen verborgen via tussenbedrijven in Duitsland en Frankrijk, met als doel zijn dochters van die activa te beroven.

De Belgische Staat stelde vervolgens een financiële regeling voor aan de drie dochters van Leopold II — waaronder Stéphanie — waarbij elk twee miljoen frank zou ontvangen. Stéphanie aanvaardde dit aanbod aanvankelijk. Vanaf 1910 steunde zij haar zus Louise in juridische stappen tegen de Belgische Staat. Voor april 1913 wezen Stéphanie en Louise een nieuw buitengerechtelijk akkoord van de hand. Uiteindelijk ontvingen Stéphanie en haar zussen na een definitief akkoord op 22 januari 1914 iets meer dan vijf miljoen frank uit het vermogen van hun vader.

Het leven op kasteel Oroszvár en de Eerste Wereldoorlog

In januari 1906 verwierven Stéphanie en Elemér Lónyay het Kasteel van Oroszvár in Hongarije. Het domein besloeg meer dan 2.400 hectare en omvatte een park in Engelse landschapsstijl dat zich over beide oevers van de Donau uitstrekte. Het echtpaar liet het kasteel verbouwen naar eigen smaak: Elemér stelde er kunstcollecties tentoon met antiek meubilair, schilderijen van oude meesters en werken van moderne kunstenaars. Samen legden zij drie tuinen aan: een rozentuin, een alpentuin en een op Nederland geïnspireerde tuin. Stéphanie vervulde er meerdere rollen tegelijk: huisvrouw, domeinsbeherder, landschapsarchitecte en gastvrouw. Onder hun gasten bevond zich ook aartshertog Franz Ferdinand van Oostenrijk met zijn vrouw Sophie Chotek.

Op 28 juni 1914 vernam Stéphanie de moord op aartshertog Franz Ferdinand en zijn vrouw in Sarajevo. Zij was ervan overtuigd dat de dood van de troonopvolger door de keizer was gewenst en beweerde de slachtoffers te hebben gewaarschuwd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog richtte zij in haar kasteel een geïmproviseerde kliniek in en werkte er als verpleegster, terwijl Elemér een leidende rol opnam in het Oostenrijkse Rode Kruis. In november 1916 reisde Stéphanie naar Wenen toen de gezondheid van keizer Frans Jozef achteruitging. Negen dagen na diens overlijden woonden zij en haar dochter Elisabeth Marie de staatsbegrafenis bij in de Sint-Stefanuskathedraal in Wenen, waar zij op de derde rij plaatsnamen.

De totstandkoming van haar memoires

In 1923 begon Stéphanie plannen te maken voor haar memoires. Zij koos aanvankelijk voor een samenwerking met de historicus Egon Corti, die haar residentie in Rusovce elf keer bezocht. In 1933 verbrak Stéphanie de samenwerking abrupt. In een brief aan Corti liet zij weten haar memoires te willen beperken tot persoonlijke notities. Na zijn uitsluiting zocht Corti contact met graaf en gravin Gatterburg; zij dienden een manuscript in 1933 in bij een uitgever in Leipzig, maar die achtte het onvolledig en weigerde publicatie. Ook de Londense uitgever John Murray wees het van de hand.

Uiteindelijk stemde Koehler & Amelang in Leipzig in met de publicatie. Het contract werd ondertekend op 24 april 1934. Stéphanie stelde de verschijning vervolgens uit tot oktober 1935. Haar memoires, Ich sollte Kaiserin werden, verschenen in dat jaar in de Duitse boekhandels. In Oostenrijk werd het boek echter gecensureerd: de politie nam exemplaren in beslag uit boekhandels in Wenen. In het boek publiceerde Stéphanie ook de laatste brief die Rudolf aan haar had gericht — een historisch document dat decennialang onbekend was gebleven voor het grote publiek.

Laatste jaren en overlijden

In haar latere jaren trok Stéphanie zich geleidelijk terug op haar eigendom en wijdde zij zich steeds meer aan religieuze activiteiten. Vanaf 1944 behoorde kapelaan Géza Karsai tot haar nauwe kring; hij was germanist, universiteitsprofessor en monnik van de abdij van Pannonhalma. In juli 1944 stelde zij haar testament op, waarbij zij haar dochter onterfd achterliet — zij had Elisabeth Marie voor het laatst gezien in 1925, en had haar in 1944 formeel verstoten nadat die was gescheiden en samenleefde met een socialistisch volksvertegenwoordiger. Alle onroerende goederen liet zij na aan de Orde van de Benedictijnen, die zich verbond tot het betalen van alle schulden van de familie Lónyay en het beheer van hun bezittingen.

De oorlogsjaren brachten grote onzekerheid. Het Duitse leger plande in 1944 om haar residentie in Rusovce om te vormen tot militair hospitaal, maar het project werd op het laatste moment geannuleerd. In het najaar van 1944 vestigde Edmund Veesenmayer zich in Rusovce, onderzocht de residentiearchieven en nam historische documenten in beslag — waaronder brieven van kroonprins Rudolf. Stéphanie en Elemér werden beperkt tot enkele kamers terwijl de bezetters het grootste deel van het kasteel innamen.

Eind maart 1945 trokken de Duitsers westwaarts terug door de opmars van het Rode Leger. Op 2 april 1945 bereikte het Rode Leger het landgoed van Rusovce. Het echtpaar bleef er tijdens de eerste weken van de Sovjetbezetting. In mei 1945 verliet Stéphanie Rusovce wegens hartproblemen en zocht zij haar toevlucht in de abdij van Pannonhalma, waar zij onder de bescherming stond van het Internationale Comité van het Rode Kruis.

Zij overleed op 23 augustus 1945 aan een beroerte, op 81-jarige leeftijd. Haar dochter en nakomelingen waren afwezig bij de uitvaart. Prinses Stéphanie werd bijgezet in de crypte van de abdij van Pannonhalma. Elemér overleefde haar minder dan een jaar: hij stierf op 29 juli 1946 en werd naast haar begraven.

Scroll naar boven