Hubert Pierlot

Portret van Hubert Pierlot, Belgische premier in 1943
Portret van Hubert Pierlot, Belgische premier in 1943

Hubert Pierlot was een Belgisch politicus, jurist en advocaat, die tussen 1939 en 1945 premier van België was. Hij diende in de Eerste Wereldoorlog en begon nadien in de jaren 1920 aan een politieke loopbaan binnen de Katholieke Partij. In 1939 werd hij eerste minister.

Tijdens de Duitse inval in België in mei 1940 ontstond een conflict tussen Pierlot en koning Leopold III. Pierlot beschouwde de overgave van de koning als een schending van de grondwet en moedigde het parlement aan Leopold III onbekwaam te verklaren om te regeren. Die houding leidde tot blijvende vijandschap in royalistische en conservatieve kringen.

Tijdens de Duitse bezetting leidde hij de Belgische regering in ballingschap vanuit Frankrijk en later Groot-Brittannië. In Londen was hij tussen 1940 en 1944 premier en minister van Defensie. Hij speelde ook een belangrijke rol in de oorlogsonderhandelingen tussen de geallieerde machten en legde mee de basis voor de Belgische naoorlogse wederopbouw. Na de bevrijding van België in september 1944 keerde hij terug naar Brussel en stond hij tot februari 1945 aan het hoofd van een regering van nationale eenheid. In 1946 trok hij zich terug uit de politiek, in de context van de Koningskwestie. Hij stierf in 1963.

Oorlogsjaren en de breuk met Leopold III

Hubert Pierlot was jurist, advocaat en katholiek politicus. Hij had gediend in de Eerste Wereldoorlog en begon in de jaren 1920 aan zijn politieke loopbaan als lid van de Katholieke Partij. In 1939 werd hij premier van België. Tijdens de Duitse bezetting leidde hij de Belgische regering in ballingschap, eerst vanuit Frankrijk en later vanuit Groot-Brittannië. Tussen 1940 en 1944 was hij in Londen zowel eerste minister als minister van Defensie in ballingschap.

Bij de Duitse invasie van België in mei 1940 ontstond een zware meningsverschil tussen Pierlot en koning Leopold III. Pierlot beschouwde de capitulatie van Leopold III als een schending van de Grondwet. Hij moedigde het parlement aan om de koning onbekwaam te verklaren om te regeren. Die confrontatie met de conservatieven riep een blijvende vijandigheid op bij royalistische en conservatieve kringen.

In ballingschap speelde Pierlot ook een belangrijke rol in de onderhandelingen tussen de geallieerde mogendheden. Tegelijk legde hij de basis voor de Belgische wederopbouw na de oorlog. Na de bevrijding van België in september 1944 keerde hij terug naar Brussel en leidde hij een regering van nationale eenheid tot februari 1945. Daarna viel zijn regering en werd zij vervangen door Achille Van Acker.

Jeugd, opleiding en eerste oorlogsjaren

Hubert Pierlot werd op 23 december 1883 geboren in Cugnon, in de Belgische provincie Luxemburg. Hij kwam uit een voorname en welgestelde katholieke familie in België. Zijn broer Jean Pierlot werd later lid van het Belgische verzet en stierf in 1944 in een Duits concentratiekamp. Pierlot volgde zijn opleiding in religieuze scholen in Maredsous en aan het jezuïetencollege Collège Saint-Michel in Brussel. Daarna studeerde hij aan de Katholieke Universiteit Leuven, waar hij een licentie in de politieke wetenschappen en een doctoraat in de rechten behaalde. In die periode reisde hij ook naar de Verenigde Staten, Canada en het Verenigd Koninkrijk. Hij huwde Marie-Louise De Kinder en het echtpaar kreeg zeven kinderen. Na de Duitse inval in België in augustus 1914 meldde Pierlot zich als gewoon soldaat vrijwillig bij de Belgische infanterie. Hij diende aan de Slag aan de IJzer en aan het IJzerfront en werd onderscheiden voor dapperheid. Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog had hij de rang van luitenant bereikt en diende hij in het 20e Linieregiment.

Politieke opgang in het interbellum

Na de Eerste Wereldoorlog sloot Hubert Pierlot zich aan bij de Katholieke Partij. Op 23 december 1925 trad hij toe tot het parlement als lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers voor Neufchâteau-Virton, maar een week later verliet hij de Kamer om senator te worden. Van 1926 tot 1936 was hij provinciaal senator voor Luxemburg, en van 1936 tot 1946 was hij er rechtstreeks verkozen senator. In de late jaren 1920 verwierf hij een reputatie voor zijn welsprekendheid en persoonlijke oprechtheid. In de interbellumperiode bekleedde hij ook verschillende ministerposten: van 1934 tot 1935 was hij minister van Binnenlandse Zaken en tegelijk minister van Landbouw, een functie die hij later opnieuw vervulde van 1936 tot 1939. In 1939 werd hij minister van Buitenlandse Zaken. Daarnaast leidde hij coalitieregeringen van katholieken en socialisten, en later van katholieken en liberalen.

Regering in oorlogstijd en ballingschap

Als eerste minister leidde Hubert Pierlot tijdens de Phoney War een tripartiete nationale regering van katholieken, liberalen en socialisten. Die regering bleef aan de macht tot de Duitse inval in mei 1940. Tijdens de gevechten raakte zij in conflict met koning Leopold III, omdat men vreesde dat de koning buiten zijn grondwettelijke bevoegdheden handelde. Op 24 mei volgde een laatste ontmoeting met Leopold III in het Kasteel van Wijnendale, waar de regering hem opriep om als symbool van verzet met haar in ballingschap te gaan. Nog diezelfde dag verliet de regering het land en ging in ballingschap naar Frankrijk.

Na de Belgische capitulatie werd Pierlot door de Britse en Franse pers verantwoordelijk gehouden voor de militaire toestand. Op 26 mei woonde hij in Parijs een bijeenkomst van de Belgische regering bij, waar artikel 82 van de Grondwet werd ingeroepen. Hij werd er ervan beschuldigd ongrondwettelijk te handelen en sympathie voor de Duitsers te hebben. In een radiotoespraak werd hij bovendien fel veroordeeld, waardoor hij publieke steun verloor en zich vervreemd zag van zijn aanhang en partij.

De regering kwam daarna samen in Limoges en trok vervolgens verder naar Poitiers en Bordeaux. Binnen de regering ontstond verdeeldheid over de vraag of men in Frankrijk moest blijven of naar het Verenigd Koninkrijk moest uitwijken. Pierlot liet minister van Koloniën Albert de Vleeschauwer vertrekken, maar bleef zelf in Frankrijk. Na een ontmoeting in Le Perthus op de Frans-Spaanse grens weigerde hij zich bij De Vleeschauwer in Londen aan te sluiten. Ook onderhandelingen met de nieuwe Vichy-regering van Philippe Pétain leverden niets op.

In augustus 1940 verslechterde de situatie verder toen Frankrijk onder Duitse druk de diplomatieke betrekkingen met de Belgische regering verbrak. Op 22 augustus kreeg Pierlot samen met minister Paul-Henri Spaak toestemming om naar Londen te vertrekken. Via Francoist Spanje trok hij met Spaak en zijn gezin verder, maar in Barcelona werd hij gearresteerd en onder huisarrest geplaatst in een hotel. Op 18 oktober ontsnapte hij en reisde hij via Portugal naar Londen, waar hij op 22 oktober aankwam. Zijn aankomst markeerde het begin van de regering van vier met Pierlot, Spaak, Gutt en De Vleeschauwer. De Foreign Office wantrouwde hem evenwel omdat hij Frankrijk niet eerder had verlaten.

Regering in ballingschap en oorlogsinspanningen

Als laatste verkozen premier gaf Pierlots status zijn officiële regering in ballingschap extra legitimiteit. De geallieerde landen erkenden deze regering dan ook volledig. Ze werd ondergebracht in Eaton Square in de wijk Belgravia in Londen, terwijl andere regeringsdiensten waren gevestigd in Hobart Place, Belgrave Square en Knightsbridge. Tegen mei 1941 werkten bijna 750 mensen voor de regering in Londen.

Vanuit ballingschap stuurde Pierlots regering de oprichting van de Vrije Belgische Strijdkrachten aan en onderhandelde zij met het verzet en met andere geallieerde regeringen. De regering controleerde ook een groot deel van de Belgische goudreserves en leende die uit aan Britse en Amerikaanse regeringen. Daarnaast coördineerde zij de oorlogsinspanning van Belgisch-Congo, dat grondstoffen zoals uranium aan de geallieerden leverde. Via tussenpersonen kon de regering ook contact leggen met Leopold, zonder dat dit tot een volledige verzoening leidde.

In deze periode werd Pierlot ook persoonlijk getroffen toen zijn twee oudste kinderen op 28 april 1941 omkwamen bij een treinbrand nabij Westborough in Lincolnshire. Na de oorlog bleef hij de vorming van een Benelux-douane-unie steunen, die in september 1944 werd onderhandeld met Nederlandse en Luxemburgse regeringen in ballingschap en ondertekend. Hij steunde ook een trans-Atlantische alliantie met de Verenigde Staten om de Belgische onafhankelijkheid na de oorlog te waarborgen.

Defensie en militaire spanningen

In oktober 1942 ontsloeg Hubert Pierlot Henri Rolin als minister van Defensie. Hij verweet Rolin dat die zich had ingelaten met factionele interne politiek binnen het leger. Daarna nam Pierlot die portefeuille zelf op zich. Hij begon een grote herstructurering van de bevelsstructuur van de infanterie om muiterig gedrag aan te pakken. In november 1942 onderdrukte hij ook een kleine muiterij onder soldaten van een artilleriebatterij. Tijdens de krijgsraad tegen de muiters in januari 1943 kreeg hij veel kritiek van de Britse pers.

Het Pierlot-plan voor het leger

In 1944 werkte Hubert Pierlot, als eerste minister, plannen uit voor de herorganisatie van het Belgische leger na de bevrijding. Dit werd bekend als het Pierlot-plan. Het voorzag onmiddellijk na de bevrijding in de vorming van twee infanteriebrigades, zes bataljons fusiliers en logistieke en ondersteunende eenheden. De nieuwe troepen moesten samen met de geallieerde strijdkrachten vechten tijdens een invasie van Duitsland. Tegelijk moesten zij de kern vormen van een nieuwe divisie, met het oog op verdere uitbreiding.

Terugkeer en val van de regering

Op 8 september 1944 keerden Hubert Pierlot en de regering in ballingschap per vliegtuig terug naar Brussel. Die terugkeer werd door de bevolking met algemene onverschilligheid onthaald. Op 19 september gaf Pierlot in het parlement een overzicht van wat de regering tijdens de bezetting in Groot-Brittannië had gedaan. Een dag later werd prins Charles tot prins-regent benoemd. Op 26 september bleef Pierlot aan het hoofd van de nieuwe bevrijdingsregering van nationale eenheid, die ontstond bij gebrek aan voldoende kandidaten. Voor het eerst zaten ook leden van de Communistische Partij van België in de regering.

De regering stond vervolgens voor de moeilijke bevrijding van heel België, al werd die vertraagd door een Duits offensief in de Ardennen in de winter van 1944. Tegelijk verzwakte de regering door problemen met de nationale voedselvoorziening, wat tot ongenoegen bij de bevolking leidde. Ze voerde ook het monetair hervormingsplan van Gutt in en werkte mee aan de ontwapening van het verzet als onderdeel van de overgang naar stabiliteit. Dat bracht Pierlot in conflict met de communisten, omdat Front de l'Indépendance en de Partisans Armés weigerden zich te ontbinden en te ontwapenen. Uiteindelijk namen drie communistische ministers ontslag en kwam er communistische agitatie tegen het kabinet. Het parlement keurde noodbevoegdheden goed, waardoor de rijkswacht het verzet met geweld mocht ontwapenen.

De regering voerde ook belangrijke hervormingen van de sociale zekerheid door, maar kreeg zware kritiek in de pers door de voedselproblemen en onpopulaire maatregelen. In februari 1945 werd ze verder gedestabiliseerd door stakingen in heel België. Pierlot verdedigde de regeringsoptreden op 7 februari 1945 in het parlement, maar maakte daar weinig indruk. Nog in februari viel zijn regering en werd ze vervangen door een kortstondige regering van nationale unie onder Achille Van Acker.

Laatste jaren, controverse en overlijden

Hubert Pierlot keerde na de oorlog terug naar zijn zetel als senator voor de arrondissementen Arlon, Marche-en-Famenne, Bastogne, Neufchâteau en Virton, en behield die functie tot aan de verkiezingen van februari 1946. In september 1945 werd hij door Charles benoemd tot Minister van Staat. Kort na de verkiezingen van 1946 kreeg hij de titel van graaf. Tijdens de Koninklijke Kwestie werd hij door de Christelijke Sociale Partij gemeden, omdat hij als anti-Leopoldist werd beschouwd.

Daarna trok Pierlot zich terug uit de politiek en hervatte hij zijn advocatenpraktijk in Brussel. In 1946 publiceerde hij in Le Soir een veel verspreide reeks artikelen als antwoord op het boek Livre Blanc. Ondanks deze publieke tussenkomst bleef hij een omstreden figuur. Hij kreeg ook geen audiëntie van koning Boudewijn in het paleis. Na 1947 weigerde hij terug te keren naar de politiek of publiek te reageren op kritiek.

Hubert Pierlot overleed in Ukkel op 13 december 1963 en werd begraven in Cugnon. In 1966 werd de Fondation Hubert Pierlot opgericht. Zijn echtgenote Marie-Louise stierf in 1980, op 85-jarige leeftijd.

Postume rehabilitatie

Na zijn dood werd Hubert Pierlots politieke reputatie door historici opnieuw bekeken. Daarbij werden ook de beslissingen onderzocht die hij tijdens de oorlogsjaren als regeringsleider nam. In die latere beoordeling kreeg Pierlot bovendien lof van Paul-Henri Spaak, die hem in zijn memoires uit 1969 prees. Spaak was op dat moment zelf een vooraanstaande internationale figuur: hij werd de eerste voorzitter van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, secretaris-generaal van de NAVO en een van de grondleggers van de Europese Unie.

Scroll naar boven