Albert I van België werd geboren in Brussel en overleed in Marche-les-Dames, België. Hij was de derde koning der Belgen en droeg ook de titels hertog van Saksen en prins van Saksen-Coburg en Gotha. In 1905 werd hij troonopvolger van de Belgische kroon en in 1909 volgde hij zijn oom op. Hij regeerde tot zijn dood in 1934.
Op 2 oktober 1900 huwde hij Élisabeth van Beieren. Met haar deelde hij een humanistische en pacifistische visie op de samenleving, en samen vernieuwden zij de stijl van de monarchie. Tijdens de Eerste Wereldoorlog koos Albert I ervoor België te verdedigen tegen de Duitse invasie, waarmee hij het Belgische karakter van zijn dynastie bevestigde en de bijnamen King Soldier en King Knight verwierf. Na de wapenstilstand van 1918 mengde hij zich vaak in de Belgische politiek. Hij overtuigde Belgische politici in 1919 om het onvoorwaardelijke algemeen enkelvoudig kiesrecht voor mannen aan te nemen, en hij pleitte voor effectieve gelijkheid van de twee landstalen, de erkenning van de vrijheid van de vakbonden en de uitbreiding van de sociale wetgeving en de ontwikkeling van de wetenschappen. In 1919 reisde hij officieel en privé naar de Verenigde Staten.
- Hoe werd Albert I koning, en welke rol speelde hij tijdens en na de Eerste Wereldoorlog?
- Hoe verliepen de jeugd, opleiding en vroege publieke activiteit van Albert I van België?
- Hoe verliepen de huwelijksplannen van Albert I voordat hij trouwde?
- Hoe verliep de jeugd van Élisabeth en welke familiecontext had zij?
- Hoe verliepen het huwelijk van Albert I met Elisabeth en hun eerste jaren samen?
- Hoe groeide Albert I uit van kroonprins tot een vorst met een eigen koers?
- Hoe reageerde Albert I op de omstreden onderwijswet en de regeringscrisis die daarop volgde?
- Hoe verdedigde Albert I de Belgische belangen in Congo en welke rol speelde hij in de oprichting van het museum in Tervuren?
- Hoe verliep de begrafenis van de gravin van Vlaanderen en wie vertegenwoordigde de Duitse keizer?
- Hoe reageerde Albert I op de schending van de Belgische neutraliteit en de Duitse inval in 1914?
- Welke rol speelden de Belgische koloniale troepen en prins Leopold tijdens Albert I's bewind?
- Hoe reageerde Albert I tijdens de Eerste Wereldoorlog op politieke spanningen, militaire keuzes en vredespogingen?
- Hoe leidde Albert I de vorming van een nationale eenheidsregering en welke hervormingen stelde hij daarna voor?
- Hoe trad Albert I op tijdens en na de onderhandelingen op de Vredesconferentie van Parijs?
- Hoe reageerde Albert I op de opeenvolgende regeringscrisissen en politieke spanningen?
- Wat deden Albert I en Elisabeth tijdens hun verblijf in India?
- Hoe verliepen Albert I's publieke vieringen en de politieke herschikking van de regering onder zijn invloed?
- Hoe verliepen de bezoeken van Albert I aan Belgisch-Congo, en welke rol speelden die in zijn aandacht voor natuurbehoud?
- Hoe bemoeide Albert I zich in 1931 en 1932 met regeringscrisissen en gevoelige politieke kwesties?
- Hoe werd Alberts houding tegenover de grondwet en het parlement beschreven?
- Hoe hield Albert I zijn interesse voor bergsport levend en wat gebeurde er tijdens zijn laatste klimdag?
- Hoe hield Albert I zich bezig met wetenschap en onderzoek?
- Hoe werd Albert I van België politiek gekarakteriseerd en welke ideeën verdedigde hij?
- Hoe werd Albert I tijdens en na de Eerste Wereldoorlog voorgesteld en herdacht?
- Welke monumenten en bustes zijn ter nagedachtenis aan Albert I opgericht?
- Op welke plaatsen in België en Frankrijk wordt Albert I herdacht?
- Welke titels droeg Albert I van België, en hoe veranderden die tijdens zijn leven?
Troonsbestijging en koningschap
Albert I van België werd geboren in Brussel en droeg de titels hertog van Saksen en prins van Saksen-Coburg en Gotha. In 1900 trouwde hij met Elisabeth van Beieren, met wie hij een humanistische en pacifistische visie op de samenleving deelde. Samen met koningin Elisabeth vernieuwde hij de stijl van de monarchie. In 1905 werd hij troonopvolger van de Belgische kroon, en in 1909 volgde hij zijn oom op als derde koning der Belgen. Hij regeerde tot zijn dood in 1934.
Zijn afkomst was Germaans, en hij was getrouwd met een Duitse prinses, maar in 1914 koos hij ervoor België te verdedigen tegen de Duitse inval. Door in de Eerste Wereldoorlog te strijden, bevestigde hij het Belgische karakter van zijn dynastie. Dat leverde hem de bijnamen Koning-Soldaat en Koning-Ridder op. Na de wapenstilstand van 1918 greep hij vaak in in de Belgische politiek. In 1919 overtuigde hij Belgische politici om het algemeen mannenkiesrecht zonder voorwaarden aan te nemen. Hij pleitte ook voor een doeltreffende gelijkheid van de twee landstalen, steunde de erkenning van de vakbondsvrijheid en stimuleerde de uitbreiding van de sociale wetgeving en de ontwikkeling van de wetenschappen.
Jeugd, opleiding en eerste publieke rol
Albert I van België werd geboren in het paleis van zijn ouders aan de Regentschapsstraat in Brussel. Hij was de tweede zoon en het laatste kind van prins Philippe van België, graaf van Vlaanderen, en prinses Marie van Hohenzollern-Sigmaringen. Zijn broer Baudouin werd geboren in 1869, en zijn zussen Henriette en Jos?phine in 1870 en 1872. Het huwelijk van zijn ouders was in 1867 in Berlijn beslist, onder de auspiciën van koningin Victoria. Marie van Hohenzollern-Sigmaringen was een Pruisische prinses die gekozen werd om met prins Philippe te trouwen, de broer van de koning. In zijn jeugd werd Albert beïnvloed door zowel Belgische als Germaanse culturen. Omdat hij zijn grootouders van vaderskant niet kende, ontwikkelde hij nauwe banden met de familie Hohenzollern.
De familie verbleef geregeld op het domein Amerois in de zuidelijke Belgische Ardennen, een groot kasteel met meer dan zeshonderd hectare grond, op tien kilometer van Bouillon. De graaf van Vlaanderen verwierf het domein zodat zijn echtgenote een sfeer kon ervaren die aan haar geboortestreek Zwaben herinnerde. Albert en zijn familie brachten er de hele zomer door en daarnaast ongeveer twee maanden op de Duitse bezittingen van de Hohenzollerns, waaronder Sigmaringen en Krauchenwies. Net als zijn broers en zussen kreeg hij thuis onderwijs. Zijn lessenrooster was zo zwaar dat koningin Victoria prins Philippe adviseerde zijn kinderen niet te overbelasten. Tijdens de vakanties op Amerois kreeg hij een iets lichter schoolprogramma. De gravin van Vlaanderen was streng op het vlak van onderwijs, instructie en godsdienst. Albert was minder plichtsbewust dan zijn broer Baudouin, die een begaafde en hardwerkende leerling was.
Vanaf het begin van 1888 kwam Albert onder toezicht van een militaire gouverneur, Harry Jungbluth, een protestant wiens levensopvatting een evenwicht bood tegenover de katholieke ideeën in de Vlaamse familie. Jungbluth vergezelde Albert op al zijn reizen, waaronder een bezoek aan de Eiffeltoren in 1889. In 1890 ontwikkelde Albert een passie voor fietsen, waardoor hij zich incognito in stad en platteland kon verplaatsen. De familiale harmonie werd abrupt onderbroken door de plotse dood van prins Baudouin aan longontsteking. Na diens overlijden werd Albert de tweede troonopvolger van België. Een koninklijk besluit kende hem en zijn gezin op een onbepaalde datum de titel van prins van België toe. Hij ging, net als zijn broer voor hem, naar de Koninklijke Militaire School en werd het jaar nadien tweede luitenant bij het Regiment Grenadiers.
Als neef vertegenwoordigde Albert zijn oom in België en in het buitenland. In 1896 woonde hij de kroning van tsaar Nicolaas II bij en bracht hij in Berlijn hulde aan de Duitse keizer Wilhelm II. Van 1893 tot 1909 hield hij als senator verschillende toespraken over verbeteringen aan de marine, de spoorwegen en de wegeninfrastructuur. In die jaren groeide ook zijn relatie met Jules Bosmans, voormalig tutor van prins Baudouin en licentiaat in de rechten van de Universiteit van Leuven. Bosmans werd Alberts vertrouwenspersoon en gids en maakte hem gevoeliger voor sociale kwesties. In 1895 schreef Albert een pamflet waarin hij economische principes analyseerde en oplossingen voorstelde om de proletarische klasse te verbeteren zonder socialisme. Hij bezocht geregeld een tavernetafel en ging in 1897 naar een koolmijn in Seraing, waar hij tot zeshonderd meter onder de grond afdaalde. Van 27 maart tot 22 juli 1898 maakte hij een reis van vier maanden door Noord-Amerika, met bezoeken aan Washington, New York, Boston, Philadelphia, Los Angeles, San Francisco, Salt Lake City, Denver, Chicago, Pittsburgh, Toronto, Ottawa en Quebec. Tijdens die reis ontmoette hij Amerikaanse politieke en financiële kringen en zag hij zowel de mate van industrialisatie als de natuurlijke schoonheid van de bezochte plaatsen.
Huwelijksplannen en ontmoetingen
Albert I van België ontmoette de toekomstige koningin Élisabeth eenmaal in Parijs, tijdens de uitvaart van de hertogin van Alençon, die was omgekomen bij de brand van de Bazar de la Charité. Hij werd verliefd op prinses Isabelle d'Orléans, maar de koning vetoede dat huwelijk om een conflict met de Franse regering te vermijden. Isabelle was immers de zus van Philippe d'Orléans, de orleanistische pretendent op de Franse troon. De koning dacht vervolgens dat zijn kleindochter aartshertogin Élisabeth-Marie, bijgenaamd Erzsi, een passende echtgenote voor Albert zou kunnen zijn, maar Albert wilde niet met haar trouwen. Later ontmoette hij in Neuilly-sur-Seine, in het huis van zijn zuster Henriette, twee Beierse prinsessen, Élisabeth en Marie-Gabrielle. Zij waren eerste nichten van Henriettes echtgenoot. De jongere zuster, Marie-Gabrielle, was al verloofd, zodat Albert vrij was om Élisabeth, de oudere zuster, ten huwelijk te vragen. Élisabeth was een jaar jonger dan Albert.
Jeugd en familiale achtergrond
Élisabeth bracht haar jeugd door bij haar ouders, Charles-Théodore, hertog in Beieren, en Marie-Josèphe, infante van Portugal. Na het vroeg overlijden van zijn eerste echtgenote legde Charles-Théodore zijn taken als cavalerieofficier neer om zich op de geneeskunde toe te leggen. Hij specialiseerde zich in de oogheelkunde en voerde meer dan 2.000 staaroperaties uit. Onder de aanmoediging van haar ouders leerde Élisabeth verschillende talen en ontwikkelde zij een belangstelling voor tennis en muziek. Zij behoorde tot het huis Wittelsbach en was nicht van de keizer, de erfgenaam van de groothertog van Luxemburg en de hertog van Parma.
Huwelijk en gezinsleven
De ouders van Albert I stonden niet bijzonder enthousiast tegenover een huwelijksverbintenis met de familie van Elisabeth, onder meer door haar excentrieke reputatie. Toch stelde Albert in het voorjaar van 1900 zelf een huwelijk voor, waarna de koning zijn goedkeuring gaf. Op 2 oktober 1900 werden Albert en Elisabeth verloofd in Fontainebleau. Daarna werd een huwelijkscontract ondertekend, waarin Albert een jaarlijkse toelage kreeg van 200.000 frank van zijn vader, boven op de koninklijke toelage van 100.000 frank.
Hun huwelijk vond plaats in München op 2 oktober 1900. Albert trouwde zonder ministerieel contraseign, wat strijdig was met de artikelen 85 en 106 van de grondwet. In 1909 beweerde Alfons Jonckx dat Albert door die onregelmatigheid zijn rechten op de troon had verloren, maar Auguste Beernaert corrigeerde die bewering en verduidelijkte de kwestie van de toestemming van Albert en de aanwezigheid van de ministers.
Een jaar na hun huwelijk verlieten Albert en Elisabeth het paleis van de graaf van Vlaanderen en trokken zij naar het Hôtel van der Noot d'Assche. Nadien verbeterden de relaties met de graaf en gravin van Vlaanderen. Albert en Elisabeth kregen drie kinderen en leidden een eenvoudig leven zonder uiterlijk vertoon. Hun bezoeken waren populair in het land.
Van kroonprins tot koning
Na de dood van graaf Filips van Vlaanderen werd Albert I troonopvolger. Ter voorbereiding op zijn toekomstige rol las hij boeken over politieke economie, statistiek, sociologie en filosofie. Samen met Elisabeth ontwikkelde hij ook een duidelijk eigen standpunt tegenover koning Leopold II. Beiden zagen de koning vaak niet, omdat Leopold II geregeld in Frankrijk verbleef, en zij waren het niet eens met zijn opvattingen. Volgens hen deed de koning ook geen moeite om zijn populariteit te vergroten.
Het publieke beeld van Albert I en zijn gezin droeg sterk bij aan zijn populariteit. Hun kinderen namen al van jongs af aan deel aan populaire evenementen, zoals Longchamps Fleuri in Brussel. Ook op persoonlijk vlak liet Albert I zich zien als iemand met interesse voor moderne verplaatsingsmiddelen: in 1901 kocht hij een petroleumdriewieler en een automobiel, waarmee hij krachtig reed. Later volgden ook luchtvaartervaringen. Op 2 november 1909 maakte hij tijdens een reis naar Parijs zijn eerste vrije ballonvaart vanuit Saint-Cloud. Op 10 augustus 1910 vloog hij in een luchtschip over het vliegveld van Antwerpen.
In 1906 richtte Albert I de OEuvre royale IBIS op om het onderwijs voor kansarme wezen van vissers te verbeteren. Daarnaast steunde hij tuinstedelijke huisvesting als antwoord op de overbevolking in de Limburgse mijnstreek. Vanaf 1909 ondernam hij ook een meermaandse reis door Belgisch-Congo. Daarbij legde hij ongeveer 1200 kilometer af te voet, per fiets en per boot. Hij beperkte de formele protocollen tot een minimum en rapporteerde tijdens die tocht aan zijn oom, koning Leopold II. In zijn reisnotities bekritiseerde hij het Belgische koloniale uitbuitingsbeleid en vreesde hij de Britse expansie.
Na de dood van Leopold II in het Kasteel van Laken werd Albert I de derde Koning der Belgen. Hij legde de eed af om de grondwettelijke vorst te worden en hield op 23 december 1909 in Brussel een koninklijke begrafenis voor Leopold II. Voor de eedaflegging kreeg hij van de menigte in Brussel een bijzonder warm onthaal. Hij was ook de eerste vorst die de grondwettelijke eed in het Frans en het Nederlands aflegde. In het begin van zijn regering omschreef hij twee doelstellingen: meer menselijkheid tegenover de Congolese bevolking en meer sociale rechtvaardigheid.
De onderwijscrisis
Na Albert I van België zijn terugkeer ontstond in België onrust door de indiening van een omstreden onderwijswet, door het kabinet van Frans Schollaert spottend de "loi du bon scolaire" genoemd. De wet had tot doel de subsidies uit te breiden naar katholieke scholen en riep oude twisten tussen katholieken en socialisten over het onderwijs opnieuw op. Albert I raadpleegde Kamervoorzitter Gérard Cooreman en de ministers Auguste Beernaert en Charles Woeste om gematigdheid te bevorderen rond het wetsvoorstel. Hij had ook een geladen onderhoud met kabinetschef Frans Schollaert. Daags na dat gesprek werd de onderwijswet opgeborgen. Kort daarna nam het ministerie-Schollaert ontslag. Vervolgens probeerde Albert I Gérard Cooreman te laten aanduiden om een nieuwe regering te vormen, voordat hij zich tot Charles de Broqueville richtte.
Koloniaal beleid en erfgoed
Albert I van België verdedigde de kolonie Belgisch Congo krachtig tegen buitenlandse aanspraken. In dat verband liet hij twee missies uitsturen om de vervoersproblemen in de koper rijke provincie Katanga te onderzoeken. Hij kreeg rapporten die wezen op communicatieproblemen die het mineraaltransport in Katanga bemoeilijkten. Daarbij stelde hij vast dat het vervoer van de monding van de Congo naar Katanga meer dan zes overslagen vergde, gevolgd door een karavaantocht. Ook zag hij dat de uitvoerroute van Katanga van nature naar Zuid-Afrika liep, wat de Engelse kolonisten ten goede kwam.
Om een duidelijker beeld te krijgen van de situatie vroeg Albert I zijn chef van de staf om een heldere uitleg over de toestand van de spoorwegconcessiehouders. Daarnaast verkreeg hij een ministerieel rapport om de kortste spoorlijn voor het vervoer van koper te bepalen, namelijk de Benguela-spoorweg.
Albert I opende ook het Belgisch Congo Museum in het domein van Tervuren. Dat museum werd later hernoemd tot het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in 1960 en tot AfricaMuseum in 2018. Het door Albert I gestichte museum groeide uit tot een belangrijk onderzoekscentrum voor de Afrikaanse fauna.
In de internationale context verzette Albert I zich in 1911 tegen een Frans voorstel om de linkeroever van de Congo te verhuren in ruil voor Britse erkenning van de Belgische soevereiniteit. In 1912 greep hij in om de Belgische belangen te beschermen tegen een Duits-Brits hydrografisch syndicaat dat een kanaal tussen Stanley Pool en Matadi plande. Hij zorgde er toen ook voor dat Frankrijk deelnam in het kapitaal van dat syndicaat, om de Duitse invloed te compenseren.
De uitvaart van de gravin van Vlaanderen
Na het overlijden van de gravin van Vlaanderen, de moeder van Albert I van België, vond vier dagen later in Brussel de uitvaart plaats. De Duitse keizer stuurde zijn oudste zoon, de Kronprinz, om hem te vertegenwoordigen. Tijdens de uitvaartdienst sprak de Kronprinz herhaaldelijk met prins Rupprecht van Beieren, ondanks zijn nabijheid tot Albert I van België. Na de plechtigheid trok hij zich bij de ontvangst na de begrafenismaaltijd terug, hield daarbij zijn hand op zijn sabel en sprak met niemand.
Neutraliteit, mobilisatie en verzet
In 1913 bezocht Albert I Frankrijk in april en Duitsland in november om de buurlanden te herinneren aan de Belgische neutraliteit. Hij waarschuwde toen ook dat België zijn grondgebied zou verdedigen als dat door andere landen werd geschonden. Op de opmerking van de Duitse keizer over zijn Germaanse afkomst antwoordde hij dat hij in de eerste plaats Belg was.
In dezelfde periode versterkte hij de militaire voorbereiding van het land. Met steun van kabinetschef Charles de Broqueville legde hij de autonomie van het hoge legercommando op. In november breidde hij de verplichte militaire dienst uit tot iedereen, als uitbreiding van de wet van 1909 die slechts voor een zoon per gezin gold, waardoor het legercontingent werd verhoogd. Tijdens de algemene staking voor het algemeen stemrecht greep hij niet in, ondanks oproepen in de socialistische pers.
Toen Oostenrijk-Hongarije drie dagen na de oorlogsverklaring aan Servie de spanningen in Europa verder opdreef, vroeg Albert I onmiddellijk om algemene mobilisatie voor de Raad van Ministers. Hij kreeg daarbij steun van kabinetschef Prosper Poullet en minister Paul Segers. Op een avond schreef hij, met hulp van de koningin, een brief in het Duits. Toen de Duitse keizer vervolgens een ultimatum stuurde waarin vrije doortocht voor Duitse troepen door Belgie werd geeist, verklaarde Albert I dat dat onaanvaardbaar was en dat Belgie zich moest verdedigen. Samen met Charles de Broqueville besliste hij het ultimatum te weigeren. Hij en zijn ministers kozen ervoor om weerstand te bieden en, bij schending van de grens, een beroep te doen op de mogendheden die de Belgische neutraliteit garandeerden.
Albert I ondersteunde ook Pierre Orts, secretaris-generaal van het Ministerie van Kolonien, bij het beheer van de Belgische defensiepolitiek in Afrika. De Congo-kolonie werd in staat van paraatheid gebracht, met overgehevelde middelen en mobilisatie van de Force Publique.
Op 4 augustus was Albert I om negen uur aanwezig toen Duitse troepen het Belgische grondgebied binnentrokken en zo de neutraliteit schonden. Gekleed in een veldmaarschalksuniform trok hij te paard door Brussel en sprak om elf uur voor het parlement, waar hij door alle volksvertegenwoordigers werd toegejuicht. Zijn verzet tegen de Duitse invaller verraste een groot deel van Europa, ondanks zijn familiale banden met het Duitse vorstenhuis. Na die toespraak sloot hij zich aan bij het groot hoofdkwartier en nam hij effectief het bevel over het leger op zich.
Het Belgische leger bood weerstand in de gevechten voor de forten van Luik. Het hield vijandelijke soldaten vast, waardoor de Duitse legerleiding troepen miste voor het offensief tegen Frankrijk. Na het verlaten van de forten van Luik behaalde het leger een overwinning bij de Slag bij Haelen en trok het zich eind augustus terug naar de versterkte stad Antwerpen. Die stad stond bekend als een van de doeltreffendste in Europa, met drie concentrische gordels van forten. De veldtroepen voerden er drie uitvallen uit, vertrouwend op de forten om het Duitse leger tegen te houden.
Militaire acties in Duits Oost-Afrika
In 1915 en 1916 behaalden Belgische koloniale troepen onder Albert I van België zelfstandig overwinningen bij Tabora en Mahenge in Duits Oost-Afrika. Terwijl Britse troepen het noorden en oosten van Duits Oost-Afrika innamen, wonnen de Belgische troepen in het westen. Albert I gaf ook toestemming aan zijn zoon prins Leopold om zich op dertienjarige leeftijd aan te sluiten bij het 2de Regiment Jagers te Voet. Prins Leopold diende daar zes maanden als korporaal.
Oorlog, politiek en onderhandelingen
Albert I van België toonde al vroeg steun voor een uitbreiding van de regering met liberale en socialistische oppositieleden. Op 28 augustus 1916 aanvaardde Charles de Broqueville de toetreding van oppositieministers van staat tot zijn regering. Toen twee katholieke ministers, Joris Helleputte en Armand Hubert, hun ontslag aanboden aan Albert I, weigerde hij dat ontslag te aanvaarden.
Tijdens de Duitse bezetting, toen negen tiende van België bezet was, vaardigden de Duitse bezetters de administratieve opsplitsing tussen Vlaanderen en Wallonië uit. De door hen ingestelde Vlaamse Raad riep in 1917 de afzetting van Albert I uit. Op 28 april 1917 stuurden leden van de Frontbeweging hem een open brief met de eis van taalhervorming in het leger, maar Albert I voerde die hervorming niet door omdat hervorming in oorlogstijd volgens hem onmogelijk was.
In 1915 en 1916 nam Albert I in het geheim contact op met zijn schoonbroer graaf Hans Veit zu Toerring-Jettenbach om de Duitse bedoelingen te leren kennen. Via prins Sixte van Bourbon-Parme en François-Xavier van Bourbon-Parme ondernam hij ook pogingen rond oorlogszaken. In 1916 vroeg Spanje een onderhoud voor de Spaanse ambassadeur markies de Villalobar, en rijkskanselier Bethmann Hollweg bood via diezelfde diplomaat een afzonderlijke vrede met België aan. Albert I weigerde de Spaanse diplomaat te ontvangen, in lijn met de trouw aan de Geallieerden, en hij vond een afzonderlijke vrede met Duitsland in de praktijk onhaalbaar.
Op 26 augustus 1917 ontving hij Lord George Curzon en Sir Douglas Haig in De Panne. Zij stelden een plan voor om België te heroveren met steun van het Britse leger en beschieting door de Royal Navy, maar Albert I verzette zich tegen dit plan met Britse omsingeling en kustbombardementen. Hij twijfelde tot het einde van 1918 aan de zekerheid van een geallieerde overwinning, onder meer door mislukte offensieven. Daarom weigerde hij zich tot 1918 aan te sluiten bij het verenigde intergeallieerde commando en nam hij niet deel aan de grote, dodelijke offensieven aan de Somme, Verdun en Passendale. Daardoor bleef de sterftegraad in het Belgische leger beperkt.
Op 1 juni 1918 diende Charles de Broqueville het ontslag van zijn kabinet in, waarschijnlijk wegens ongenoegen van de koning. Hij liet Albert I ook weten dat het legercommando een regeringsbevoegdheid was waarvoor een ministeriële medeondertekening nodig was. In het begin van 1918 ontving de koning van hem een boodschap waarin hij dank uitdrukte voor de verleende diensten. Vervolgens droeg Albert I Gérard Cooreman op een nieuw kabinet te vormen. Cooreman aanvaardde uit vaderlandsliefde en wilde na het einde van de vijandelijkheden ontslag nemen. Hij liet Albert I ook toe de militaire zaken zelfstandig te voeren.
Toen Albert I uiteindelijk overtuigd raakte van de geallieerde eindoverwinning, aanvaardde hij het verenigde intergeallieerde commando. In een onbekende maand van 1918 beval hij een offensief tegen het Duitse leger in Vlaanderen. Na twee maanden strijd trokken hij en het Belgische leger Gent binnen, waarna de vijand tot daar werd teruggedrongen. In Gent vernam Albert I ook dat Duitsland de wapenstilstand van Compiègne had ondertekend. Hij noteerde Belgische militaire en burgerlijke verliezen, waaronder 38.000 doden in 1918. Nadien ontving hij op het kasteel van Loppem Gérard Cooreman, Paul-Émile Janson en Édouard Anseele, en hij vroeg Cooreman om politieke en invloedrijke personen samen te brengen die tijdens de oorlog in België waren gebleven.
Regeringsvorming en hervormingen na de oorlog
Na de oorlog trad Albert I vaker op in de politiek en zette hij verschillende initiatieven op om de wederopbouw en het economisch herstel van het land te bevorderen. Hij vormde een regering op een ongenoemde datum met het doel het land te reconstrueren en de grondwet te hervormen. Daarbij stelde hij Léon Delacroix voor om een nationale eenheidsregering te leiden voor een hernieuwbaar mandaat van een jaar. Alle raadgevers stemden in met dat voorstel, waarna Albert I aan Léon Delacroix de titel van eerste premier van België verleende. Op uitdrukkelijke vraag van de koning kreeg Charles de Broqueville het departement Binnenlandse Zaken toegewezen.
Albert I had al voor de Eerste Wereldoorlog steun gegeven aan het algemeen stemrecht vanaf de leeftijd van eenentwintig jaar. Hij gaf de nieuwe regering ook de opdracht om hoger onderwijs in het Nederlands tot stand te brengen. Toen hij samen met de koninklijke familie terugkeerde naar Brussel, werd hij door een enthousiaste menigte onthaald. Daarna ging hij naar het Paleis der Natie en kondigde hij aan dat de regering algemeen stemrecht zou aannemen, een Vlaamse universiteit zou oprichten, arbeiderscoalities zou toelaten en de sociale wetten zou uitbreiden. In zijn troonrede legde hij bovendien de nadruk op sociale hygiëne, de strijd tegen alcoholisme en de nood aan een rechtvaardiger verdeling van de rijkdom.
Het parlement stemde vervolgens unaniem voor een 'wet van de omstandigheden', waardoor Belgische mannelijke burgers van 25 jaar en ouder stemrecht kregen onder zuiver en eenvoudig algemeen stemrecht. De daaropvolgende wetgevende verkiezingen vonden plaats onder de bepalingen die door de regering van Albert I waren vastgelegd. Toch werd achteraf opgemerkt dat een strikte eerbiediging van de grondwet deze verkiezingen met meervoudig stemrecht en een grondwetsherziening door de nieuwe vergadering had moeten laten doorgaan. De conservatieve katholieken noemden dit tijdens zijn regering het 'Lophem-coup'.
Na de Vredesconferentie van Parijs
In april 1919 kreeg Albert I een oproep van Paul Hymans, de minister van Buitenlandse Zaken, tijdens de onderhandelingen van de Vredesconferentie van Parijs. Hij reisde daarop zonder verwijl naar Parijs, waar hij van 2 april af deelnam aan de besprekingen. Tijdens die conferentie eiste hij oorlogsschattingen en een herziening van de verdragsartikelen over de status van de Schelde. Tegelijk vroeg hij niet om Limburg, Luxemburg, Eupen of Malmedy. De conferentie kende België wel de oostelijke kantons toe die van Duitsland waren losgemaakt, evenals het mandaat over Ruanda-Urundi, en een voorrangsschadevergoeding van twee en een half miljard mark.
Albert I verzette zich echter tegen een beleid van buitensporige vernedering van Duitsland. Ook stond hij terughoudend tegenover Belgische deelname aan de bezetting van de linkeroever van de Rijn, al gebeurde die bezetting in coördinatie met de Fransen. Verder weigerde hij de Duitse wreedheden te gebruiken voor Belgische diplomatieke doeleinden en achtte hij het nuttig om de economische betrekkingen met Duitsland te herstellen.
Naast deze houding op de conferentie vroeg Albert I dat de Amerikaanse legatie in België, die sinds 1832 bestond, tot ambassade zou worden verheven als erkenning voor de oorlogsverdiensten. In diezelfde periode ontving hij in de Isleta Indian pueblo in New Mexico een zilveren en turkooizen kruis van de Tiwas-indianen, via pater Anton Docher, aan wie hij ook de Orde van Leopold verleende.
Regeringswissels en politieke keuzes
Na zijn terugkeer van een reis naar Brazilië ontving Albert I het ontslag van het kabinet-Delacroix. Hij vroeg daarop Paul Segers om een regering te vormen, maar die weigerde. Vervolgens koos Albert I Henry Carton de Wiart om die opdracht op zich te nemen. In die periode steunde de koning ook minister van Arbeid Joseph Wauters bij de stemming over de uitbreiding van de achturendag. Die wet bracht de arbeidsduurbeperking tot in alle sectoren van de secundaire industrie en de openbare sector, zonder loonvermindering.
Na de verkiezingen bood Henry Carton de Wiart zijn ontslag aan. Albert I wees toen Georges Theunis aan als eerste minister. Theunis vertegenwoordigde België op de Vredesconferentie van Parijs in 1919. In juni 1921 reisde Albert I samen met de koningin naar Algerije en Marokko, en zij keerden per vliegtuig naar Europa terug via de route Casablanca-Toulouse, op een vlucht die was geregeld door maarschalk Lyautey.
In 1923 besloot de regering, tegen het advies van Albert I in, deel te nemen aan de bezetting van het Ruhrgebied. België en Frankrijk kregen daarbij internationale kritiek voor hun agressieve beleid. Tijdens die periode schreef Albert I een openbare brief ter ondersteuning van de uitbreiding van de militaire dienst. Later diende Georges Theunis zijn ontslag in nadat het parlement het Frans-Belgische handelsverdrag had verworpen. Albert I weigerde dat ontslag en hield hem aan als eerste minister na een herschikking van het kabinet. Hij beloofde Theunis ook de Kamers te ontbinden en in 1925 verkiezingen uit te schrijven.
Na die verkiezingen nam Theunis opnieuw ontslag. Albert I vroeg vervolgens Emile Vandervelde om een regering te vormen, maar die slaagde er niet in socialisten, progressieven onder de liberalen en katholieken samen te brengen. Daarna riep Albert I Charles de Broqueville terug, maar die gaf de regeringsopdracht na enkele dagen op. Uiteindelijk benoemde Albert I Aloys Van de Vyvere, die een homogeen katholiek kabinet vormde. Tien dagen later zette het parlement die regering alweer af, waarna Albert I Prosper Poullet uitnodigde om een katholiek-socialistische regering te vormen.
Reis naar India
Albert I van Belgie bood Elisabeth een reis naar India aan. Het koningspaar verbleef er meerdere weken, ter gelegenheid van hun zilveren huwelijksverjaardag. Tijdens hun verblijf ontmoetten Albert I en Elisabeth de dichter Rabindranath Tagore. Ze ontdekten ook steden en plaatsen zoals Bombay en Calcutta. Vanuit Calcutta stuurden ze bovendien een prentkaart naar Rudyard Kipling.
Politieke scharniermomenten en familiale vieringen
Bij de verjaardag van Albert I en Elisabeth werden zij toegejuicht door honderdduizend Belgen. Die viering kreeg ook in de pers ruime aandacht, met talrijke geïllustreerde bijlagen. In dezelfde periode kende Albert I belangrijke politieke ontwikkelingen. Bij het begin van een jaar diende de regering-Poullet haar ontslag in. Albert I vroeg Émile Brunet om een regering te vormen, maar dat mislukte. Daarna riep hij Émile Vandervelde, Paul Hymans en Aloys Van de Vyvere samen in het paleis in Brussel. Hij wist hen te overtuigen om een regering van nationale eenheid te steunen, waarna hij Henri Jaspar belastte met de leiding van die regering.
Albert I stuurde vervolgens een openbare brief aan de regering van Jaspar. In die brief wenste hij haar succes toe en riep hij op tot eenheid rond de regering. Die boodschap beïnvloedde de publieke opinie en gaf de nieuwe regering meer legitimiteit, mede door positieve reacties in de pers.
Later werd ook binnen de koninklijke familie een belangrijk moment geregistreerd. Albert I's oudste zoon, Leopold, huwde prinses Astrid van Zweden. Enkele maanden na dat huwelijk werd het bedrag van de civiele lijst aangepast. Artikel 77 van de grondwet bepaalde dat de civiele lijst aan het begin van elke regering wordt vastgelegd. Ondanks een zevenvoudige daling van de waarde van de Belgische frank sinds 1909 besloten de afgevaardigden unaniem om de civiele lijst te verhogen. Albert I aanvaardde om die te verdrievoudigen.
Nog later werd Albert I voor het eerst grootvader door de geboorte van Josefine-Charlotte, het kind van de hertog van Brabant en prinses Astrid. Op politiek vlak sprak Albert I zich ook uit voor versterking van het leger, in tegenstelling tot het voorstel van Emile Vandervelde om de militaire dienst te verminderen. Dat leidde ertoe dat socialistische ministers de regering onder Jaspar verlieten. Albert I gaf Jaspar daarop de opdracht om een tweepartijenregering van katholieken en liberalen te vormen, zonder socialisten, en stelde het programma van die nieuwe regering vast.
Bezoeken aan Belgisch-Congo en aandacht voor natuurbehoud
Albert I en het vorstenpaar brachten van 6 juni tot 21 juni 1928 officieel voor het eerst een bezoek aan Belgisch-Congo als regerend vorst. Tijdens dat bezoek woonde hij de inhuldiging bij van de spoorlijn die Beneden-Congo met Katanga verbond. Ook opende hij in Leopoldstad een ruiterstandbeeld in replica van Leopold II.
In 1933 volgde een tweede reis naar Belgisch-Congo, ditmaal als privaat wetenschappelijk bezoek, van 28 februari tot 28 maart, samen met paleontoloog Victor Van Straelen. Albert I reisde daarbij gedeeltelijk per watervliegtuig naar de streek van de Uele en de goudmijnen van Kilo-Moto in Ituri. Vooraf ontmoette hij ook herpetoloog Gaston-Francois de Witte, voor diens expeditie. Tijdens die reis beklom hij de berg Mikeno in het nationale park dat sinds 1925 Parc Albert heette.
Zijn belangstelling ging daarbij ook uit naar het behoud van natuur. Hij vroeg de gouverneur-generaal van Congo om een hooggeplaatste parkwachter aan te stellen en duidde kolonel Henri-Martin Hackars aan als conservator voor de bescherming van fauna en flora in Belgisch-Congo. Zijn bezoek droeg later bij tot de oprichting van het Instituut van Nationale Parken van Belgisch-Congo, eind 1934.
Politieke tussenkomst en regeringscrises
In 1931 ontving Albert I het ontslag van eerste minister Jaspar, nadat een oplossing voor de problemen rond het tweetalig onderwijs was uitgebleven. Hij bood vervolgens de regeringsopdracht aan Prosper Poullet aan, maar die weigerde. Daarna wendde de koning zich tot Jules Renkin met de opdracht een coalitie te vormen waarin alle katholieken zouden worden opgenomen.
Tijdens de conferentie van Lausanne richtte Albert I op 16 juni 1932 een openbare brief aan zijn eerste minister. Daarin stelde hij dat alleen een gecoördineerde internationale actie de wereldwijde economische problemen kon oplossen, en hij riep op tot internationale solidariteit. Later kwam het tot spanningen over onpopulaire economische maatregelen. Albert I stemde ermee in met liberalen en katholieken om de Kamers te ontbinden vóór een stemming over die maatregelen, en hij trachtte Jules Renkin met verscheidene brieven te overtuigen om de Kamers te ontbinden. Renkin bleef echter bij zijn standpunt.
Na de gemeenteraadsverkiezingen eisten de liberalen krachtig de ontbinding van het Parlement. Albert I schreef daarop een brief aan Renkin waarin hij meedeelde dat deze zijn vertrouwen had verloren. Renkin diende vervolgens zijn ontslag in als eerste minister, zonder de reden ervan mee te delen aan de leden van de regering. De koning riep Charles de Broqueville terug aan de macht en zorgde ervoor dat deze de ontbinding van het Parlement verkreeg. Albert I gaf daarna ook beslissende openbare steun aan de regering van De Broqueville.
Later kwam de parlementaire meerderheid opnieuw onder druk te staan door de betwiste benoeming van de burgemeester van Hastière door de liberalen. Albert I weigerde toen het ontslagaanbod van het ministerieel kabinet. Op 4 april schreef hij een verzoenende brief aan de regering, waarin hij stelde dat er geen voldoende reden was voor hun ontslag. De ministers bleven aan en de Kamer verleende vertrouwen aan zijn regering.
Autoritaire visie op de grondwet
Louis Wodon stuurde een document met een autoritaire interpretatie van de grondwet naar bepaalde ministers, waarschijnlijk met de instemming van Albert I van België. In dat document staat dat de koninklijke eed om de integriteit van het grondgebied te bewaren boven elke andere overweging staat. Wodon stelde ook dat het parlementaire systeem niet langer overeenkomt met het publiek recht en bekritiseerde bemoeizuchtige parlementaire groepen in de uitvoerende macht. Daarnaast stelde hij voor dat de vorst een einde zou kunnen maken aan parlementaire debatten zodra het parlement minstens veertig dagen had vergaderd.
Klimmen en de laatste tocht
Albert I van België bleef tot op hoge leeftijd met bergsport bezig. In zijn jeugd las hij de Alpine Journal die zijn vader, prins Philippe van België, graaf van Vlaanderen, ontving. In 1902 maakte Charles Lefébure hem tijdens een congres over alpinisme vertrouwd met het bergbeklimmen. Daarna begon Albert bergwandelingen te maken in de Dolomieten om zich met de discipline vertrouwd te maken. Van 1905 tot aan de Eerste Wereldoorlog trok hij elke zomer naar de Valais en de Dolomieten om er samen met gidsen en Charles Lefébure te klimmen. Met die gidsen opende hij privé nieuwe routes van grote moeilijkheidsgraad. Soms gingen prinses Elisabeth en later ook zijn kinderen mee op beklimmingen. Van 1919 tot 1921 klom hij in het Mont-Blancmassief en keerde daarna terug naar de Dolomieten. Vanaf 1924 verkoos hij klimmen zonder gidsen. In de jaren 1930 trainde hij op nieuwe klimroutes op Belgische rotsen samen met zijn zoon Leopold III, die hij zelf in het rotsklimmen introduceerde. In 1934 leek hij vaak gedesillusioneerd, maar wanneer zijn agenda het toeliet, zocht hij nog steeds zijn ontspanning in bergwandelingen. Hij trainde op Belgische kliffen als voorbereiding op latere tochten in de Alpen of de Dolomieten. Op een dag in 1934 begon hij om 11.15 uur met rotsklimmen in Marche-les-Dames, in de Maasvallei bij Namen. Rond het middaguur verliet hij het paleis met alleen zijn valet Théophile Van Dyck en reed met zijn Ford naar het Land van Namen. Hij liet zijn auto achter in een weide in Boninne en vroeg Van Dyck daar te wachten. Na ongeveer een uur keerde hij terug en meldde dat hij een tweede beklimming zou maken. Rond 16.00 uur begon Van Dyck zich zorgen te maken omdat Albert niet was teruggekeerd voor het avondprogramma in Brussel. Albert keerde nooit terug van die tweede beklimming. Zijn lichaam werd rond 1.30 uur de volgende ochtend gevonden.
Wetenschap en onderzoek
Albert I begon in 1891 aan de Koninklijke Militaire School. Daar viel hij bijzonder op door zijn vlijt in het scheikundig laboratorium. Zijn belangstelling voor wetenschap bleef ook later duidelijk aanwezig. In 1910 woonde hij het congres bij van de Vereniging van Ingenieurs en Industrielen, onder voorzitterschap van Ernest Solvay. Tijdens de Eerste Wereldoorlog bezocht hij in 1917 Marie Curie aan de Belgische grens.
Op 28 augustus 1920 sprak Albert I in de Cockerillhallen in Seraing, naar aanleiding van de 110e verjaardag van de fabriek. In die rede beschreef hij de Belgische laboratoria als gebrekkig en riep hij op tot vrijgevigheid van de privésector. Die toespraak leidde tot de oprichting van het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek. Op 24 februari 1922 kondigde hij in het Paleis der Academiën de stichting van dat fonds officieel aan.
Ook nadien volgde hij de werking ervan nauwgezet. Hij hield zich bezig met initiatieven rond aerostatica, fysica, zoölogie, botanie en geologie die door het fonds werden gesteund. In 1932 observeerde hij geografische expedities in Congo, in hetzelfde jaar waarin hij ook de Congolese kolonie bezocht. Verder ondernam hij in 1930 archeologische opgravingen in Apamea in Syrië. Tijdens hun laatste vliegtuigreis trokken hij en de koningin in de lente van 1933 naar Apamea, Libanon en Palestina. Aan het hof in Laken ontving hij onder meer Auguste Piccard, Albert Einstein en andere wetenschappers.
Politieke houding en ideeën
Jacques Willequet beschrijft Albert I van België als een kosmopolitische aristocraat die zich niet Belgisch voelde, maar wel verbonden was door zijn eed. Volgens hem steunde hij vrede van het type statu quo ante bellum, geleid door het Europese machtsevenwicht. Willequet vermeldt ook dat Albert I zich uitsprak voor de vorming van een kabinet van nationale eenheid en de invoering van het algemeen stemrecht. Marie-Rose Thielemans noemt hem een bekwame conservatief die zijn ware gevoelens verbergt, maar tegelijk een staatsman die zich laat leiden door nationale neutraliteit en eenheid. Zij ziet hem ook als een pacifist en herinnert aan zijn steun voor kapitein Dreyfus in 1898; Albert I stuurde toen een postkaart aan Jules Bosmans met het opschrift un Dreyfusard. Luc Schepens stelt dat zijn taalbeleid onduidelijk is, maar wel gericht op nationale eenheid. Laurence Van Ypersele bevestigt dat zijn ideeën aansluiten bij het liberalisme. Albert I beschouwde democratie als een beperking waaraan men zich moest houden, en hij drong aan op algemeen stemrecht niet omdat hij het als een op zich goed zag, maar omdat hij het nodig achtte voor de nationale stabiliteit.
De opbouw van de mythe rond Albert I
Vanaf het begin van 1914 stelden Belgische journalisten en schrijvers Albert I voor als de belichaming van België en als verdediger van de eer. Tijdens de Eerste Wereldoorlog nam de Britse propaganda zijn beeld over om de bevolking te mobiliseren voor de verdediging van een klein en onschuldig land, terwijl zij tegelijk de pragmatische redenen voor de oorlog, zoals de Duitse bedreiging van het Britse Rijk en zijn vloot, probeerde te verdoezelen. Ook de Franse propaganda verspreidde later internationaal die mythe. In december 1914 liet The Daily Telegraph door Hall Caine teksten samenstellen die België en Albert I prezen in King Albert's Book, waardoor de benaming King Knight verder verspreid raakte. Albert I zelf hield niet van die bijnaam, en tijdgenoten waren het erover eens dat hij oprecht bescheiden was. Volgens Pierre Orts werd hij gekenmerkt door ernst, plichtsbesef, reflectie, voorzichtigheid, gevoel voor mogelijkheden en geduld. Patrick Roegiers beschreef hem dan weer als een middelmatige ruiter.
Tijdens de oorlog gebruikte men zijn beeltenis ook op gouden stukken als sieraden in bezet België. Albert I ontmoette Clemenceau bij Duinkerke, en diens indruk over hem was dat zijn bekwaamheid en gezond verstand sterk opvielen. Na de Eerste Wereldoorlog werden porseleinen voorwerpen, postkaarten en biscuitdozen met Albert I in uniform op de markt gebracht. Hij liet zich ook door kunstenaars portretteren, wat mee hielp aan de opbouw van zijn legende. Onder de kunstenaars bevond zich Camille Saint-Saens, die een portret van hem maakte. Vicente Blasco Ibanez, ondanks zijn antimonarchistische houding, schreef eveneens over Albert I.
Na zijn tragische en onverwachte dood werden straten en pleinen naar hem genoemd. Er verrezen talrijke standbeelden, vaak strijdvaardig voorgesteld, met Albert I gehuld in helm en te paard. In Frankrijk ontstond kort na zijn dood een golf van sympathie. Daar werden ook standbeelden opgericht en vele straten naar hem genoemd. Rond diezelfde tijd vreesde Frankrijk dat Belgie de Frans-Belgische militaire overeenkomst van 1920 zou aanklagen. In 1934 gaf een gedicht van Rodan in Le Courrier de l'Armee hem nog tal van eretitels, waaronder Albert l'Inoubliable, Albert le Modeste, Albert le Charitable, Albert le Sage, Albert le Bon, le Roi Sublime, le Roi Martyr, le Roi Viril, Albert le Grand en Albert le Bien-Aime. De klas van 1933-1935 van de Ecole militaire de Saint-Cyr werd bovendien naar hem genoemd, en de stad Parijs bood hem een erezwaard aan.
Herdenkingen in België en Frankrijk
Ter nagedachtenis aan Albert I van België werden op verschillende plaatsen monumenten en bustes opgericht. In Nieuport, in de provincie West-Vlaanderen, staat een monument. Verder zijn er een helmvormige buste in Gembloux, in de provincie Namen, en een helmvormige buste in Chimay, in de provincie Henegouwen. In Jemappes, eveneens in de provincie Henegouwen, staat een helmvormige buste in natuursteen. Ook in Ottignies, in de provincie Waals-Brabant, is een buste te vinden. Buiten België staat er een buste in Givet, in het Franse departement Ardennes. Op de plek waar Albert I dood werd aangetroffen in Marche-les-Dames, in de provincie Namen, staat een stenen kruis.
Plaatsen en eerbetoon
Albert I van België wordt op vele plaatsen herdacht met straatnamen, lanen, boulevards, pleinen en parken. In België dragen onder meer steden als Gent, Kortrijk en Brugge namen ter ere van hem. Ook is er in Brussel de Albertinabibliotheek, die naar hem is genoemd, en bestaat er in België een kanaal dat zijn naam draagt.
Buiten België komt zijn naam eveneens veel voor, vooral in Frankrijk. In Maissin, een dorp in de Belgische Ardennen dat getroffen werd door de Slag aan de grenzen, is een avenue naar hem genoemd. In Duinkerke zijn er sinds een bepaalde datum een straat en een brug die zijn naam dragen. Verder heeft Albert I onder meer een avenue in Grenoble, Le Havre, Rueil-Malmaison, Béziers, Thionville, Valenciennes en La Rochelle. Ook zijn er een straat in Blois, een boulevard in Bordeaux en een boulevard in Nancy naar hem genoemd.
Daarnaast zijn er in Frankrijk nog andere verwijzingen naar zijn naam, zoals een square in La Roche-sur-Yon, een Albert-tuin in Nice, en een plaats met dezelfde naam, samen met tramwaystations in Montpellier. In Metz staat een monument dat aan hem herinnert. In Caen is er een avenue Albert- , dicht bij de vroegere kazerne die in 1914 door het Belgische leger werd bezet, en op diezelfde avenue bevindt zich ook een woonvoorziening voor ouderen die naar hem is genoemd.
Zijn herdenking beperkt zich niet tot België en Frankrijk: Albert I wordt ook in vele andere plaatsen in Europa en wereldwijd geëerd, vooral in geallieerde landen tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Titels en koninklijke positie
Bij zijn geboorte droeg Albert I de titels hertog van Saksen en prins van Saksen-Coburg en Gotha. Een koninklijk besluit kende hem en zijn familie ook de titel prins van België toe. Na zijn troonsbestijging in 1909 voerde hij de titel koning der Belgen. Na de Eerste Wereldoorlog stopte hij met het gebruik van de titels hertog van Saksen en prins van Saksen-Coburg en Gotha. Toch komen deze titels nog voor op sommige officiële documenten van Albert I.