Auguste Beernaert

Portret van Auguste Beernaert, Belgische premier
Portret van Auguste Beernaert, Belgische premier

Auguste Beernaert werd in 1829 geboren in Oostende als zoon van Bernard Beernaert en Euphrosine-Josèphe Royon. In 1835 verhuisde het gezin naar Namen door de bevordering van zijn vader. Hij volgde klassieke middelbare studies thuis, onder begeleiding van zijn ouders en op advies van een Franse pedagoog. Op zeventienjarige leeftijd begon hij aan de faculteit rechten van de Université catholique de Louvain. Na vijf jaar studeerde hij er af met de hoogste onderscheiding. Daarna kreeg hij een beurs van duizend frank om Europese universiteiten te bezoeken, in Parijs, Berlijn en Heidelberg. Uit die studie kwam een werk van 175 pagina’s voort over de vergelijking van rechtsopleidingen in Europa, waarin hij het Napoleontische centralisme bekritiseerde en de autonomie van Duitse universiteiten prees, terwijl hij de jaarlijkse examens in Franse instellingen goedkeurde.

Beernaert was een Belgisch staatsman van katholieke strekking en een Vlaams spreker van de Franse taal. Hij werd in 1873 lid van de regering en was van 1884 tot 1894 eerste minister voor koning Leopold II. Na zijn ontslag uit de regering verzette hij zich tegen het brutale Congo-beleid van Leopold II. Hij bleef levenslang lid van het parlement. In 1895 voerde hij sterke sociale wetgeving en het algemeen meervoudig stemrecht met verplichte stemming in. In 1909 ontving hij de Nobelprijs voor de Vrede voor zijn interparlementaire werk en voor de vredesconferenties van Den Haag in 1899 en 1907. Hij overleed in Luzern.

Politieke loopbaan en vredeswerk

Auguste Beernaert werd in Oostende geboren en was een Belgisch staatsman van katholieke strekking. Hij was een Vlaams spreker die Frans gebruikte. In 1873 werd hij lid van de regering en van 1884 tot 1894 was hij eerste minister onder koning Leopold II. In die periode zorgde hij voor een sterke sociale wetgeving en voerde hij in 1895 het algemeen meervoudig stemrecht met verplichte stemming in. Na zijn ontslag uit de regering verzette hij zich tegen het brutale Congo-beleid van koning Leopold II. Hij bleef zijn hele leven lid van het parlement. Voor zijn werk in het interparlementair overleg en voor de vredesconferenties van Den Haag in 1899 en 1907 kreeg hij in 1909 de Nobelprijs voor de Vrede. Hij overleed in Luzern.

Jeugd en studies

Auguste Beernaert werd in 1829 in Oostende geboren als zoon van Bernard Beernaert en Euphrosine-Josèphe Royon. In 1835 verhuisde het gezin naar Namen, nadat zijn vader was bevorderd. Beernaert volgde klassieke middelbare studies thuis, onder begeleiding van zijn ouders en volgens het advies van een Franse pedagoog. Zijn zus Euphrosine Beernaert werd later landschapsschilderes.

Op zeventienjarige leeftijd begon hij aan de faculteit rechten van de Université catholique de Louvain. Na vijf jaar studeerde hij af met de hoogste onderscheiding. Daarna kreeg hij een beurs van duizend frank om Europese universiteiten te bezoeken in Parijs, Berlijn en Heidelberg. Op basis daarvan schreef hij een studie van 175 pagina's waarin hij de methoden van juridische opleiding aan Europese universiteiten vergeleek. In die studie bekritiseerde hij het Napoleontische centralisme en prees hij de autonomie van de Duitse universiteiten. Hij keurde ook de jaarlijkse examens in Franse instellingen goed. De studie werd overgemaakt aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en later gepubliceerd.

Advocatuur en familie

Auguste Beernaert werd ingeschreven aan de balie van Brussel en legde zijn eed af na een stage bij Hubert Dolez. Samen met Pierre Sanfourche-Laporte domineerde hij de balie bij het Hof van Cassatie, waar hij zich specialiseerde in het fiscaal recht. Hij trad op als raadsman voor de Société générale de Belgique en voor prins Philippe de Belgique. Bij koninklijk besluit werd hij benoemd tot advocaat bij het Hof van Cassatie in de plaats van Auguste Van Dievoet. Later werd hij ook bâtonnier van de Orde van Advocaten.

Naast zijn juridische werk kreeg hij van het Huis van Orléans de opdracht om hun financiële belangen te behartigen in de Brusselse liberale krant L'Étoile belge. In zijn privéleven verloofde hij zich met Mathilde Borel, de dochter van de Zwitserse consul, en hij huwde met haar in Brussel. Het echtpaar kreeg geen kinderen. Mathilde Borel was de zus van Jules-François-Auguste Borel de Bitche, advocaat, consul-generaal van de Kongo Vrijstaat en Zwitserland, en lid van de Hoge Raad van Congo. Een andere zus, Julie Borel, huwde met Michel Mourlon, geoloog en paleontoloog, conservator aan het Koninklijk Museum voor Natuurwetenschappen en lid van de Belgische Academie van Wetenschappen. Bij koninklijk besluit mochten Georges Mourlon en Pierre Mourlon hun familienaam veranderen in Mourlon Beernaert.

Werk als minister van Openbare Werken

In 1873 werd Auguste Beernaert door Jules Malou aangesteld om het ministerie van Openbare Werken, Spoorwegen en Verkeer te leiden. Hij volgde François Moncheur op, die om gezondheidsredenen ontslag had genomen. In die functie speelde Beernaert een belangrijke rol in de ontwikkeling van de infrastructuur. Hij liet het kanaal Gent-Terneuzen uitbreiden, liet nieuwe dokken aanleggen in Antwerpen en Oostende, en liet het Kanaal du Centre uitgraven. Ook de spoorwegen werden verder ontwikkeld.

Daarnaast stond hij mee aan het hoofd van verschillende bouwwerken in Brussel. Zo leidde hij de werken voor het Koninklijk Museum voor Oude Kunst, de verlenging van de Regentschapsstraat, en de verdere bouw van het Justitiepaleis. Hij hield ook toezicht op de oprichting van het conservatorium en de Grote Synagoge, en regelde de ontwikkeling van de Kleine Zavel. In 1874 werd Beernaert verkozen tot volksvertegenwoordiger voor Tielt, een mandaat dat hij behield tot aan zijn dood.

Politieke activiteiten in de jaren 1878-1884

In 1878 werd Beernaert door de katholieke partij naar Rome gezonden om bij paus Leo XIII de veroordeling van de ultramontaanse Charles Périn te verkrijgen. In datzelfde jaar stelde hij in het parlement voor om de minimumleeftijd voor kinderarbeid op te trekken, maar dat voorstel werd verworpen. Tijdens de eerste schoolstrijd keerde hij zich tegen de zogenoemde loi de malheur. Hij onderhandelde ook met de paus om de dreiging van weigering van het doopsel door de bisschoppen in te trekken.

In 1884 werd Beernaert benoemd tot voorzitter van de federatie en de vereniging van katholieke kringen. In die hoedanigheid organiseerde hij de kiescampagne van 1884. In Marche-en-Famenne sprak hij een programmarede uit waarin hij herstel van grieven, belastingverlaging en gematigdheid in het bestuur beloofde. De verkiezingen van 1884 leverden de katholieke partij een grote meerderheid op, waarna Jules Malou een nieuwe regering vormde.

Eerste regeringsjaren en schoolstrijd

Na de verkiezingen van 1884 nam Auguste Beernaert opnieuw de functies van minister van Openbare Werken en minister van Landbouw op zich. In de schoolkwestie steunde hij de vergeldingspolitiek van zijn collega’s, maar tegelijk probeerde hij een gematigde lijn te volgen. Voor die matiging kreeg hij ook steun.

Na het ontslag van Malou werd Beernaert gevraagd om de regering te leiden. Hij weigerde echter de vraag van de koning om gematigde liberale figuren in de regering op te nemen en om de schoolwet te wijzigen. Vervolgens stelde hij een nieuw kabinet samen met Joseph Devolder als minister van Justitie, Jean-Joseph Thonissen als minister van Binnenlandse Zaken, Alphonse de Moreau als minister van Landbouw en Openbare Werken, en Joseph de Riquet de Caraman als minister van Buitenlandse Zaken. Beernaert domineerde het kabinet, dat grotendeels uit weinig ervaren ministers bestond, en nam zelf het departement van Financiën op zich.

In het onderwijsbeleid voerde hij strikte maatregelen in. Hij verbood gemeenten om buitenlandse leerkrachten aan te werven in vrije scholen. Daarnaast herstelde hij de vrijstelling van militaire dienst voor seminaristen en behield hij die vrijstelling voor alle studenten van de normaalscholen. Om demonstraties te vermijden, liet hij de aankomst van de nieuwe nuntius Domenico Ferrata uitstellen tot na de begrafenis van Charles Rogier.

Financiën, Congo en sociale hervormingen

In 1885 slaagde Beernaert erin het nationaal tekort terug te brengen tot 350 miljoen frank. Het jaar daarop werd zelfs een begrotingsoverschot van 18 miljoen frank gerealiseerd, en deze begroting kreeg unanieme goedkeuring in de Kamer. In dezelfde periode werd hij gevraagd een motie aan het Parlement voor te leggen om de vorst toe te laten heerser te worden van de Onafhankelijke Congostaat. Beernaert verdedigde die motie voor de vergadering op basis van het principe van de volledige scheiding tussen België en de Onafhankelijke Staat.

Ook op financieel vlak rond Congo speelde zijn regering een belangrijke rol. Hij kreeg de opdracht om bij het Parlement toestemming te vragen voor een lening van 150 miljoen Belgische frank met progressieve interest, en die toestemming werd effectief verkregen. Nadat de leningsmarkt instortte, stelde Beernaert de koning zelfs een belangrijke persoonlijke lening voor, maar die weigerde. Later verkreeg hij ook parlementaire machtiging om tien miljoen frank te investeren in de Congolese spoorwegmaatschappij. Daarnaast ondertekende hij een conventie die aan de Onafhankelijke Congostaat een renteloze lening van 25 miljoen frank over tien jaar toekende. Hij publiceerde ook een brief van de vorst waarin sprake was van een testamentaire legaat van Congo aan België.

Binnenlandspolitiek bleef zijn katholieke partij in 1886, ondanks onrust in Luik en andere regio's, twaalf zetels winnen, zodat Beernaert minister-president bleef. De regering kreeg te maken met rellen, waarop generaal Alfred van der Smissen werd belast met de onderdrukking ervan. Intussen werden de eerste sociale wetten ingevoerd, waaronder de oprichting van een commissie om maatregelen voor te stellen ter verbetering van de arbeidsomstandigheden. Samen met Alphonse de Moreau ondertekende Beernaert een koninklijk besluit dat zo'n commissie oprichtte. In de troonrede kondigde hij verdere wetgevende ontwikkelingen aan, die later leidden tot de instelling van industrie- en arbeidsraden. In 1887 verbood het Parlement het trucksysteem en regelde het loonbeslag en de vrijwillige loonoverdracht. In 1889 volgden nieuwe wetten over vrouwen- en kinderarbeid, werkplaatsreglementering, minimumloon en arbeidershuisvesting.

Electorale hervormingen en spanningen

Vanaf 1890 begon Beernaert zich uitdrukkelijk te keren naar een uitbreiding van het kiesrecht en naar evenredige vertegenwoordiging. Hij stemde daarmee in onder voorwaarden, waaronder de oprichting van een staatspolitie en de invoering van een koninklijk referendum. Die voorstellen verdedigde hij later ook, al deed hij dat met weinig overtuiging. In dezelfde periode was hij ontevreden over de buitensporige methoden van ivoorverzameling en grondverwerving in Congo, en hij wist de vorst te beïnvloeden om het Afrikabeleid te matigen.

In 1892 kreeg hij de Kamer zover om de herziening van de grondwetsartikelen 26 en 47 goed te keuren, maar de herziening van artikel 48 raakte toen nog niet aangenomen. Beernaert bleef echter aandringen en verkreeg, met steun van Woeste en vóór de ontbinding van de Kamers, alsnog de goedkeuring van artikel 48. Na de verkiezingen beschikten hij en de katholieke partij niet over een tweederdemeerderheid en moesten zij samenwerken met de liberale oppositie.

Tijdens de herzieningsbesprekingen steunde Beernaert het stelsel van stemcombinatie en het principe van meervoudig stemrecht. Begin 1893 kreeg hij te maken met een algemene staking en onlusten die algemeen stemrecht eisten, waarna het leger moest ingrijpen. Nadien liet hij een wet aannemen die stemmen verplicht maakte en verkreeg hij goedkeuring voor een wijziging van artikel 48 ten gunste van de evenredige vertegenwoordiging. Het koninklijk referendum werd afgewezen, terwijl de conservatieve rol van de Senaat gedeeltelijk werd versterkt. Een wetsontwerp over evenredige vertegenwoordiging zelf werd vervolgens met grote meerderheid verworpen. Na afkeuring binnen zijn partij nam Beernaert ontslag als eerste minister. Later werd hij benoemd tot minister van staat.

Politieke en internationale rol

In 1899 nam Auguste Beernaert het voorzitterschap van de Kamer op zich, maar hij legde dat ambt al in 1900 weer neer. Dat jaar vertegenwoordigde hij België ook op de eerste Haagse conferentie. Daarna werd hij opnieuw eenvoudig volksvertegenwoordiger en hervatte hij zijn juridische loopbaan.

In dezelfde periode bleef hij zich ook uitspreken over koloniale en internationale kwesties. Hij verzette zich tegen de uitbating in Congo en stelde een amendement voor dat onmiddellijke annexatie van Congo en een onderzoekscommissie vroeg. Hij schreef daarover een brief aan Charles Woeste om kritiek op het Afrikabeleid te weerleggen. Nadat Woeste die brief in de Kamer had voorgelezen, trok Beernaert zijn amendement in. Beernaert was bovendien voorzitter van de Vereniging voor Koloniale Studiën en streed tegen de slavernij.

In 1905 verzette hij zich, toen de koning hem daartoe uitnodigde, tegen de koninklijke visie op grote havenwerken in Antwerpen en Zeebrugge. In 1907 vertegenwoordigde hij België opnieuw op de tweede Haagse conferentie, waar hij de terugroeping van de Belgische delegatie vroeg. Voor zijn werk in het internationaal recht ontving hij in 1909 de Nobelprijs voor de Vrede. In de herfst van 1912 nam hij nog deel aan de interparlementaire conferentie in Genève. Kort na zijn terugkeer daaruit overleed hij in Luzern om gezondheidsredenen.

Nalatenschap en herdenking

Auguste Beernaert liet op verschillende manieren een blijvende nalatenschap na. Hij was verzamelaar van Vlaamse primitieven en hedendaagse kunst, en schonk die collectie aan Belgische musea. Daarnaast maakte hij een schenking om de Franstalige Belgische literatuur te stimuleren; die werd aanvaard bij koninklijk besluit, ondertekend door Albert. Zijn correspondentie wordt bewaard in het Koninklijk Museum van Mariemont.

Ook in het publieke en artistieke geheugen bleef hij aanwezig. In Brugge bevindt zich een portret van hem door Jacques de Lalaing in het Groeningemuseum, en in de Senaat staat een buste van hem van Paul De Vigne. Verder kreeg hij een Belgische postzegel ter ere van hem, en op de Marie-Joséplein in Oostende werd een monument aan hem opgedragen. In Berchem, De Haan, Knokke-Heist, Oostende, Watermaal-Bosvoorde en Zeebrugge dragen straten zijn naam.

Zijn naam leeft ook voort in instellingen en objecten. De Koninklijke Belgisch-Argentijnse Maatschappij gaf een stoomschip de naam Ministre Beernaert, en de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde van België creëerde in 1925 de Auguste Beernaert-prijs, die om de vier jaar voor literatuur werd toegekend en na 2017 werd stopgezet.

Ook zijn persoonlijke sporen zijn bekend gebleven: zijn laatste verblijfplaats, Villa Miravalle in Boitsfort, bestaat nog steeds maar werd gerenoveerd. Hij is begraven op het kerkhof van Boitsfort, samen met zijn echtgenote en zuster.

Scroll naar boven