Giya Kancheli was een Sovjet- en Georgisch componist, auteur van symfonische muziek, muziek voor theater en muziek voor cinema. Hij werd geboren in Tbilisi en overleed er ook. Kancheli studeerde in 1959 af aan de geologische faculteit van de Universiteit van Tbilisi en behaalde in 1963 zijn diploma aan het Conservatorium van Tbilisi. Vanaf 1970 gaf hij er les in instrumentatie. In 1971 werd hij hoofd van de muziekafdeling van het Rustaveli-theater in Tbilisi. In 1976 ontving hij de Staatsprijs van de USSR voor de Vierde Symfonie, Memory of Michelangelo. Vanaf 1979 was hij secretaris van de Unie van Componisten van de Georgische SSR. Hij was ook lid van de Unie van Cinematografen van de Georgische SSR en academielid van de Russische Academie voor Cinematografische Kunst Nika. Kancheli was getrouwd en had twee kinderen. In maart 1980 trad hij toe tot de jury van het eerste officiële grootschalige rockfestival Spring Rhythms Tbilisi-80 en beoordeelde ondergrondse bands zoals Mashina Vremeni, Magnetic Band en Avtograf. Hij steunde het festival ondanks het ideologische schandaal rond de band Aquarium. Vanaf 1991 woonde hij in West-Europa.
- Welke soorten muziek schreef Giya Kancheli?
- Hoe verliep de opleiding en vroege professionele loopbaan van Giya Kancheli?
- Welke onderscheidingen kreeg Giya Kancheli en hoe verliepen zijn latere jaren?
- Hoe ontwikkelde Kancheli zijn symfonische stijl en wat maakt die bijzonder?
- Hoe kenmerken de eerste vijf symfonieen van Giya Kancheli zich?
- Hoe benadert Kancheli zijn symfonische oeuvre?
- Hoe past de Vijfde Symfonie in Kancheli’s rijpere scheppingsperiode?
- Hoe ziet de symfonische creatie van Giya Kancheli eruit en welke idee drukt ze uit?
- Hoe is de sonatevorm in Symfonische schepping opgebouwd tussen thesis en antithese?
- Hoe wordt de symfonische creativiteit van Giya Kancheli in deze werken opgebouwd en welke muzikale middelen gebruikt hij daarvoor?
Werk en muzikale veelzijdigheid
Giya Kancheli was een Sovjet- en Georgische componist. Hij schreef symfonische muziek en componeerde ook muziek voor theater. Daarnaast was hij actief als auteur van filmmuziek. Binnen dat werk leverde hij ook muziek voor de Oekraiense cinema. Kancheli werd geboren in Tbilisi en overleed er ook in Tbilisi.
Opleiding en vroege loopbaan
Giya Kancheli behaalde in 1959 zijn diploma aan de geologische faculteit van de Universiteit van Tbilisi. Daarna studeerde hij verder aan het Conservatorium van Tbilisi, waar hij in 1963 afstudeerde. Vanaf 1970 gaf hij les in de klas instrumentatie aan het Conservatorium van Tbilisi. Een jaar later, in 1971, werd hij hoofd van de muziekafdeling van het Rustaveli Theater in Tbilisi.
Erkenning, functies en latere jaren
In 1976 kreeg Giya Kancheli de USSR State Prize voor zijn vierde symfonie Memory of Michelangelo. Vanaf 1979 was hij secretaris van de Union of Composers van de Georgische SSR. Hij was ook lid van de Union of Cinematographers van de Georgische SSR en academicien van de Russian Academy of Cinematic Arts Nika. In maart 1980 trad hij toe tot de jury van het eerste officiële grootschalige rockfestival Spring Rhythms Tbilisi-80. Daar beoordeelde hij undergroundbands zoals Mashina Vremeni, Magnetic Band en Avtograf, en hij steunde het festival ondanks het ideologische schandaal rond de Leningrad-band Aquarium. Kancheli componeerde zeven symfonieen, waaronder de opera Music for the Living en koorwerken. Hij kreeg de titel People’s Artist of the USSR, de State Prize of Georgia, de Wolf Prize van Israel en de Georgian Order of Honor. Hij was gehuwd en had twee kinderen. Vanaf 1991 woonde hij in West-Europa. Daarna verbleef hij in Berlijn, waar hij een beurs kreeg van de Duitse Academie van Kunsten, en in 1995 verhuisde hij naar Antwerpen op uitnodiging van het Vlaams Koninklijk Symfonieorkest. Hij overleed op 2 oktober 2019 in Tbilisi aan een langdurige ziekte, op 84-jarige leeftijd.
Symfonische werken en stijl
Giya Kancheli wordt beschouwd als een van de meest opvallende symfonisten van de 20e eeuw. Voor hij zijn eerste symfonie schreef op 32-jarige leeftijd, verfijnde hij zijn compositorische vaardigheden in andere genres. Daarbij bestudeerde hij de symfonische prestaties van de eerste helft van de 20e eeuw en zette hij de modernistische zoektocht voort van onder meer Stravinsky, Britten, Ligeti, Varese, Lutoslawski en Penderecki.
Zijn muziek kan worden omschreven als postmodernistisch. In zijn symfonische werken komen zowel het ontstaan van het postmodernisme als zijn persoonlijke kenmerken duidelijk naar voren. Zijn partituren behoren tot vroege, rijpe en late creatieve periodes. Ook de Zesde Symfonie maakt deel uit van dit symfonische oeuvre. Zijn postmodernistische zoektocht richt zich op het ontwikkelen van fundamenteel nieuwe manieren om de muzikale vorm te organiseren.
Vroege symfonische aanpak
De eerste vijf symfonieen van Kancheli wijken af van de klassieke symfonische opbouw. Zij vermijden de sonatevorm en ook de kenmerken van de sonate-symfonische cyclus. Hoewel deze werken ongeveer twintig minuten duren, zijn ze noch programmatisch, noch kamermuziek. Daardoor krijgen ze een eigen plaats binnen zijn symfonische productie.
Symfonische benadering
Zijn symfonische scheppingskracht vermijdt de volledigheid van muzikale gedachten en duidelijke contrasten tussen thematische secties. De ontwikkeling steunt op een synthese van oude Georgische muzieklaag en symfonische schrijftechnieken. Daarbij sluit deze benadering niet los van de verwezenlijkingen van de symfoniek uit de twintigste eeuw, maar neemt ze vooral concepten over en geen muzikale ideeën. Het thematisme is eerder vocaal dan sonoor, en een muzikaal thema wordt gezien als een middel om materie uit te beelden als een constante en dynamische entiteit. Zo ontstaat een nieuw dramaturgisch principe van onstabiele stabiliteit, gericht op een enkele, centrale climax.
Vijfde symfonie
De Vijfde Symfonie markeert het einde van de rijpere scheppingsperiode en werd geschreven op vraag van de uitgever. Kancheli voltooide de partituur in 1977 en droeg het werk op aan de nagedachtenis van zijn ouders, Agnessa en Alexander. Een jaar na de voltooiing ging de symfonie in Tbilisi in première.
Symfonische vernieuwing
Giya Kancheli schreef een werk voor een atypisch symfonisch orkest. De bezetting omvat onder meer altfluit, basklarinet en contrafagot, samen met vier hoorns en vier trompetten, drie trombones en een tuba. Het slagwerk telt tien instrumenten, waaronder tamboerijn, Turkse trommel, tamtam, bellen, klokkenspel en klavecimbel. Het gaat om een avant-gardistische partituur die niet programmatisch is, maar wel de filosofische idee van de onvermijdelijkheid van de tijd onthult. Daarnaast herinterpreteert het werk de sonatevorm.
Twee muzikale werelden in de sonatevorm
In Symfonische schepping berust de sonatevorm op het conflict tussen twee figuurlijke sferen. Beide sferen worden weergegeven door motieven die aan thesis en antithese doen denken. Het thesis-motief wordt gespeeld door het klavecimbel. Het staat in C majeur, beweegt met een quintuple stap van de eerste naar de vijfde graad en vertoont overeenkomsten met vormen als sarabande, passacaglia, pasodoble en basso ostinato. Door de vele herhalingen en kleine ornamenten krijgt het motief een uitgesproken karakter. Het roept een idyllisch beeld op van een vreugdevolle, warme kindertijd, terwijl de klankkleur contrasteert met de algemene heldere sonoriteit, alsof het om een zwart-witfoto gaat.
Het antithese-thema onderbreekt dit thesis-motief scherp en wordt het tijds- en noodlotsthema genoemd. In het tutti-orchester klinkt het doordringend en onverbiddelijk. Dit thema bestaat uit een drieklank met niet-akkoordtonen die dalend verlopen en een duur van 128 hebben. Het loopt parallel met barokke retorische figuren zoals anabasis, die hier symbool staan voor dood, verval en tragedie. In de expositie keert het thesis-motief bovendien meerdere keren terug, waardoor het contrast tussen beide sferen nog sterker wordt.
Symfonische dramaturgie en thematische opbouw
In deze symfonische creativiteit werkt Kancheli met een sonatevorm die aanleunt bij het model van een symfonisch gedicht. De thematische opbouw vertrekt van thesis en antithesis, die grotendeels als rondothema’s functioneren en meermaals worden herhaald voordat de tweede ontwikkelingsfase begint. Daarbij verdringt de antithesis uiteindelijk het herinneringsthema. De ontwikkeling zelf wordt gecentreerd rond een monumentale presentatie van een getransformeerde middeleeuwse sequentie uit het requiem Dies irae, gespeeld door trombones en tubas.
De dramaturgie wordt verder opgebouwd via contrasten tussen stilte en geluid, en via een collageprincipe dat de dynamische ontwikkeling en het cinematografische karakter versterkt. De harmonische taal is gebaseerd op uitgebreide tonaliteit, terwijl de vorming van de lagen polyfoon verloopt. Een contrapuntische groep speelt horuli, en fragmentgrenzen worden afgebakend door harmonische pedalen in de lage strijkers. Ook de techniek van dynamische statiek, die eveneens voorkomt in het werk rond het nationale thema … niibi duduuki, speelt een belangrijke rol.
Binnen deze context verschijnen verschillende verwijzingen en allusies: naar 19e- en 20e-eeuwse requiems, naar de orthodoxe liturgie God, ontferm U, en naar muziek die de componist van zijn ouders kende en liefhad. Een tedere adagio, een dialoog tussen harp en pizzicato cello, en een altfluitsolo met een combinatie van flurrato en glissando op mormorando dragen bij tot de bijzondere klankwereld. Kancheli creëert daarbij de indruk van een onwerkelijk orkest als product van het bewustzijn, in een symfonisch drama dat de onbewuste en bewuste ervaringen van verlies van naasten verbeeldt.