Edward Schillebeeckx

Edward Schillebeeckx in Dominican habit, 1979
Edward Schillebeeckx in Dominican habit, 1979

Edward Schillebeeckx was het zesde kind uit een gezin van veertien kinderen. Tot 1934 volgde hij onderwijs aan een jezuïetenkostschool in Turnhout en in datzelfde jaar trad hij in bij de dominicanen. Tussen 1935 en 1938 studeerde hij filosofie in Gent, waarna hij van 1939 tot 1943 theologie studeerde aan de Katholieke Universiteit Leuven. In augustus 1941 werd hij tot priester gewijd. Van 1945 tot 1946 breidde hij zijn studies uit in Parijs, aan het studiecentrum Saulchoir, de Sorbonne en de École des hautes études en sciences sociales. In 1947 begon hij als docent dogmatische theologie aan de Katholieke Universiteit Leuven, waar hij tot 1957 bleef. Hij nam deel aan de naoorlogse theologische vernieuwing en leverde vooral bijdragen aan de cultuurtheologie. Ook vernieuwde hij het thomistische denken door een synthese te zoeken tussen fenomenologie en tomisme. Zijn theologische proefschrift, De sacrementele heilseconomie, werd in 1951 gedeeltelijk gepubliceerd en had een belangrijke invloed op de Nederlandse theologie en op de vernieuwing van de sacramentstheologie. Hij was bovendien een van de inspiratoren van de Nederlandse Catechismus. In 1958 werd hij hoogleraar dogmatische en historische theologie aan de Universiteit van Nijmegen in Nederland, waar hij tot zijn pensioen in 1983 bleef. Daar betekende zijn werk een breuk met de neoscholastiek, omdat hij de geschiedenis wilde analyseren om Gods heilshandelen te ontdekken in plaats van de leer te beperken tot een systeem van doctrines.

Opleiding en academische loopbaan

Edward Schillebeeckx was het zesde kind uit een gezin van veertien kinderen. Hij volgde tot 1934 onderwijs aan een jezuïetenkostschool in Turnhout en trad in datzelfde jaar in bij een dominicaans noviciaat. Daarna studeerde hij filosofie in Gent van 1935 tot 1938 en theologie aan de Katholieke Universiteit Leuven van 1939 tot 1943. In augustus 1941 werd hij tot priester gewijd. Vervolgens breidde hij zijn studies uit in Parijs, van 1945 tot 1946, aan het studiecentrum Saulchoir, de Sorbonne-universiteit en de École des hautes études en sciences sociales. In 1947 begon hij zijn onderwijscarrière aan de Katholieke Universiteit Leuven, waar hij dogmatische theologie doceerde.

Theologische vernieuwing en universitaire loopbaan

Edward Schillebeeckx nam na de oorlog actief deel aan de theologische vernieuwing. Hij leverde vooral een bijdrage aan de cultuurtheologie en vernieuwde het thomistische denken door een synthese te zoeken tussen fenomenologie en thomisme. Tot 1957 bleef hij aan de Katholieke Universiteit van Leuven, waar zijn theologische proefschrift, "De sacramentele heilseconomie", gedeeltelijk werd gepubliceerd in 1951. Dat werk had een belangrijke invloed op de Nederlandse theologie en op de vernieuwing van de sacramentenleer.

In 1958 werd Schillebeeckx hoogleraar dogmatische en historische theologie aan de Universiteit van Nijmegen, waar hij tot zijn emeritaat in 1983 verbonden bleef. Daar betekende zijn werk een breuk met het neoscholastieke denken. Hij koos er niet voor om de leer te beperken tot een geheel van stellingen, maar om de geschiedenis te analyseren om Gods heilshandelen te ontdekken. Aan de universiteit gaf hij vooral les aan postdoctorale studenten en hield hij zich intensief bezig met theologisch onderzoek.

Naast zijn academische werk speelde hij een actieve rol in het Nederlandse kerkelijke pastoraal leven. Zijn doctoraatsproefschrift, "Le Christ, sacrement de la rencontre avec Dieu", verscheen in 1960. Hij legde contact met de dominicaan Yves Congar en Marie-Dominique Chenu, verwierf internationale bekendheid en werd uitgenodigd voor congressen in Europa en de Verenigde Staten. In 1960 hielp hij mee aan de oprichting van het Tijdschrift voor Theologie en was hij hoofdredacteur. Tijdens het Tweede Vaticaans Concilie trad hij op als theologisch adviseur van de Nederlandse kardinaal Bernardus Alfrink en nam hij actief deel aan verschillende conferenties in Rome voor bisschoppen. Vanaf de tweede zittingsperiode woonde hij ook bijeenkomsten bij in Domus Mariae. In 1965 was hij medeoprichter van het internationale tijdschrift Concilium, samen met Yves Congar, Karl Rahner, Johann Baptist Metz en Hans Küng. In deze periode distantieerde hij zich van het neothomisme van de dominicanen van Leuven en baande hij de weg voor een hermeneutisch paradigma in de theologie.

Secularisering en verhouding tussen Kerk en wereld

In zijn theologische denken richtte Edward Schillebeeckx zich sterk op secularisering en op de verhouding tussen Kerk en wereld. Hij verdedigde de relevantie van de evangelische boodschap in contexten van hypersecularisme en van de zogenaamde dood van God. Daarbij probeerde hij de Openbaring opnieuw te duiden, in overeenstemming met een nieuwe fase in de geschiedenis van het denken. Zijn theologie vertrok van een correlatie tussen de ervaring van de vroegchristelijke gemeenschap en de historische ervaring van de hedendaagse mens. In dat verband werd hij ook bekend om de stelling dat er “buiten de wereld geen heil is”, als tegenhanger van “buiten de Kerk is geen heil”.

Tussen 1966 en 1967 bezocht Schillebeeckx tweemaal de Verenigde Staten. Daar kwam hij in contact met theologen als A. Dulles, H. Cox, Mc Kenzie en C. Smith, en hij sprak met verschillende universiteiten en studenten. Tijdens die reizen werd hij geconfronteerd met een radicaal secularisme, wat mee leidde tot een nieuwe hermeneutisch-kritische fase in zijn denken.

Van 1972 tot 1984 werd zijn werk gekenmerkt door een groeiende belangstelling voor de christologie. In 1974 publiceerde hij Jezus, een geschiedenis van een levende, en in 1977 Christus en de christenen. Toen hij in 1982 zijn leerstoel verliet, bleef hij actief in het onderzoek en in de Nederlandse kerk. Omwille van de breedte en draagwijdte van zijn werk wordt hij beschouwd als een van de grootste theologen van de twintigste eeuw.

Theologische vernieuwing en hermeneutiek

Edward Schillebeeckx zocht een theologie die geschikt was voor de moderniteit en de postmoderniteit, en wilde tegelijk een ernstige crisis in de Nederlandse Kerk helpen overwinnen. Zijn werk wordt gewoonlijk in twee periodes verdeeld. De eerste periode, van 1946 tot 1967, vertoont kenmerken van een open thomisme. In die fase publiceerde hij onder meer *De sacramentele heilseconomie* in 1951 en *Christus, sacrament van de ontmoeting met God* in 1958.

Na het Tweede Vaticaans Concilie begon zijn tweede periode, waarin hermeneutische problemen op de voorgrond kwamen. Schillebeeckx hield zich bezig met de interpretatie van openbaringsteksten en stelde dat Gods woord alleen toegankelijk is via een interpreterende antwoordbeweging. Volgens hem wordt die interpretatie al getuigd in het Oude en het Nieuwe Testament. Ook benadrukte hij dat het christendom een geloofservaring is die tot boodschap wordt, binnen een hermeneutische cirkel van vragen en antwoorden. Toegang tot de oude waarheid zag hij als een voortdurende herformulering.

In 1971 publiceerde hij samen met Piet Schoonemberg *Geloof en interpretatie*. Later volgde zijn driedelige werk: *Jezus, het verhaal van een levende* in 1974, *De Christus, het verhaal van een nieuwe praxis* in 1977 en *Mensen, het verhaal van God* in 1989. In de laatste delen richtte hij zich op de kern van het evangelie en de christelijke religie. Hij stelde dat mensen Gods geschiedenis onder ons zijn en dat redding niet buiten de menselijke geschiedenis kan gebeuren. Tegelijk toonde hij zich positief over religieus pluralisme, dat hij zag als een beginsel dat nooit zal verdwijnen.

Theologische visie en hermeneutiek

Edward Schillebeeckx beklemtoonde dat de christelijke boodschap altijd onderhevig is aan interpretatie, in samenhang met de menselijke historische ervaring. Voor hem was het christendom in de eerste plaats een geloofservaring die verkondigd moet worden, eerder dan een boodschap die louter moet worden aanvaard. De betekenis van de Openbaring moest volgens hem bepaald worden door de menselijke geest in een bepaalde historische periode. Daarbij wilde hij trouw blijven aan het geloof dat inzicht zoekt, in de lijn van Thomas van Aquino.

Hij probeerde het evangelische boodschap relevant te maken in een context van hypersecularisering en de zogenaamde dood van God. Daarom achtte hij een herinterpretatie van de Openbaring dringend, aangepast aan een nieuwe fase in de geschiedenis van het denken. Zijn theologie vertrok uit een kritische correlatie tussen de ervaring van de vroegchristelijke gemeenschap en de moderne historische menselijke ervaring. Moderne exegese moest volgens hem de fundamentele elementen van beide ervaringswerelden onderscheiden en daarbij ook rekening houden met fenomenologie, taalwetenschappen, psychologie, sociologie en kritische sociale theorie.

Na uitvoerig historisch onderzoek naar Jezus van Nazaret werkte hij een pre-dogmatische, verhalende christologie uit. Daarbij stelde hij dat de soteriologie vóór de christologie moet komen. De grote dogma’s van de kerkelijke traditie over Christus de Heer verwierp hij niet, maar hij wilde ze herinterpreteren vanuit de gegevens over de historische Jezus. Ook benadrukte hij dat de Kerk werkelijk het sacrament van het heil is, maar dat ook de menselijke geschiedenis, met haar culturen, bevrijdingsbewegingen en religies, een sacrament van het heil kan zijn. In dat verband verwierp hij de contrareformatorische stelling dat er buiten de Kerk geen heil is, en stelde hij daartegenover: buiten de wereld is er geen heil.

Theologische evolutie en kerkelijke processen

Edward Schillebeeckx werd tijdens zijn loopbaan drie keer ondervraagd door de Congregatie voor de Geloofsleer. Het eerste proces vond plaats in 1969 en had betrekking op secularisatievraagstukken. Een tweede proces begon in 1976 en richtte zich op zijn christologie en op zijn boek uit 1974, « Jezus, de geschiedenis van een levend wezen ». Het derde proces, in 1984, betrof zijn standpunten over kerkelijke ambten, zoals die onder meer aan bod kwamen in zijn werk uit 1980, « Dienst van voorzitterschap in de gemeenschap van Jezus Christus ». Ook moest hij vragen beantwoorden over het priesterlijk celibaat en over gewijde ambten in samenkomsten zonder priester. Schillebeeckx reageerde nauwkeurig op de vragen van de Congregatie en werd nooit veroordeeld.

In zijn theologische arbeid probeerde hij te beantwoorden hoe het Rijk van God als heil voor de mens in de actuele situatie kon worden verkondigd. In interviews behandelde hij onderzoeksthema's als christologie, schepping, eschatologie, ethiek en kerkelijke ambten. In 2005 schreef hij in « Angelicum » dat hij een optimistische gelovige bleef in een levende God, die hij beschreef als een « God humanissimus ».

Een kerk met een menselijk gelaat

Edward Schillebeeckx beschreef God als een levende werkelijkheid die mensen bevrijdt. Volgens hem is God geen godheid die mensen verplettert of als marionetten gebruikt. Tegelijk stelde hij dat God soms ervaren wordt als ver, zwijgend, ondoorgrondelijk en verborgen, maar dat die zwijgende God toch nabij blijft. Die stilte roept mensen voortdurend op tot gratuitheid en tot zelfgave aan anderen.

In 1985 schreef Schillebeeckx ook *Voor een kerk met een menselijk gelaat*, waarin hij een meer menselijke kerk centraal stelde. Hij zag religies en kerken als dragers van een levende herinnering aan Gods universele heilswil. Tegelijk vond hij dat de kerk geen toekomst heeft als ze het supernaturalisme en de zelfgerichtheid niet aflegt. De kerk moet zich volgens hem toewijden aan anderen en aan de mensheid die in de wereld leeft.

Daarbij verwees hij naar *Evangelii nuntiandi* van paus Paulus VI, waarin de kerk wordt opgeroepen zichzelf te evangeliseren. Schillebeeckx benadrukte dat de kerk voortdurend moet blijven luisteren naar wat zij moet geloven, naar de redenen van haar hoop en naar het nieuwe gebod van de liefde. Alleen zo kan zij zich zuiveren en uitgroeien tot een nieuwe gemeenschap die het transcendente en tegelijk menselijke gelaat van God zichtbaar maakt.

Scroll naar boven