Henri de Man

Portret van Henri de Man rond 1935
Portret van Henri de Man rond 1935

Henri de Man, geboren als Hendrik de Man op 17 november 1885 in Antwerpen, was een Belgisch sociaal psycholoog en een theoreticus van het planisme. Na het behalen van zijn abitur studeerde hij wiskunde aan de Universiteit van Brussel en de Universiteit van Gent. In 1905 werd hij aan de Universiteit Gent uitgesloten wegens deelname aan een betoging voor Russische arbeiders, waarna hij naar Duitsland verhuisde. Daar werkte hij als correspondent voor socialistische Belgische kranten en werd hij redacteur van de Leipziger Volkszeitung. Hij vervolgde zijn studies aan de Universiteit van Leipzig, waar hij economie, geschiedenis, filosofie en psychologie studeerde en een doctorstitel in de wijsbegeerte behaalde. In 1907/08 verbleef hij ook een semester aan de Universiteit van Wenen. Van 1906 tot 1908 leidde hij samen met Karl Liebknecht en Ludwig Frank het internationale secretariaat van socialistische jeugdorganisaties. Later werd hij politicus van de Belgische Werkliedenpartij (POB/BWP), minister van Openbare Werken en Werkloosheidsbestrijding, minister van Financiën en partijvoorzitter van de POB/BWP. Hij werd ook genoemd als nazi-collaborateur en overleed op 20 juni 1953 nabij Murten, in het kanton Freiburg.

Politieke loopbaan en functies

Hendrik de Man was een Belgisch sociaal psycholoog, een theoreticus van het planisme en een politicus van de Belgische Werkliedenpartij (POB/BWP). In 1935 en 1936 was hij minister van Openbare Werken en Werkloosheidsbestrijding. Vervolgens bleef hij tot 1938 minister van Financiën van België. Daarnaast was hij van 1938/39 tot 1940 partijvoorzitter van de POB/BWP. Zijn loopbaan kreeg later ook een controversieel karakter doordat hij als nazi-collaborateur werd beschouwd.

Studie en politieke vorming

Na zijn Abitur begon Henri de Man wiskunde te studeren aan de Universiteit Brussel en de Universiteit Gent. In 1905 werd hij van de Universiteit Gent verwijderd wegens zijn deelname aan een betoging voor Russische arbeiders. Daarna verhuisde hij naar Duitsland, waar hij als correspondent voor socialistische Belgische kranten werkte en redacteur werd van de Leipziger Volkszeitung. In Leipzig volgde hij daarnaast colleges economie, geschiedenis, filosofie en psychologie, en behaalde er een doctoraat in de wijsbegeerte. In het academiejaar 1907/08 bracht hij nog één semester door aan de Universiteit van Wenen. Tijdens zijn verblijf in Leipzig kwam hij in persoonlijk contact met August Bebel, Karl Kautsky, Karl Radek, Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht. Van 1906 tot 1908 leidde hij samen met Karl Liebknecht en Ludwig Frank het internationale secretariaat van socialistische jeugdorganisaties. In 1910 sloot hij zich in Londen aan bij de Social Democratic Federation. Een jaar later zorgden zijn radicale standpunten bijna voor een splitsing in de Belgische Werkliedenpartij.

Reactie op Benito Mussolini en politieke vooruitzichten

Op 21 juli 1930 werd Henri de Man benaderd door Benito Mussolini naar aanleiding van de nieuwe editie van *Voorbij het marxisme*. Mussolini waardeerde dat werk en beschouwde De Mans kritiek op het marxisme als bijzonder relevant. Hij meende ook dat De Mans opmerking dat het Sovjetcommunisme bondgenootschappen aanging met nationalistische, militaristische en feodale revoluties, een verkeerde interpretatie van het fascisme inhield. In zijn antwoord van 23 augustus 1930 liet De Man weten dat hij het als een eer beschouwde door Mussolini opgemerkt te worden. Hij stelde dat de opmerkingen over nationalistische, militaristische en feodale tendensen niet op het fascisme sloegen, maar op de bondgenoten van Rusland in het Oosten. Tegelijk verklaarde hij geen fascist te zijn, maar een 'vrijheidslievende socialist' en een groot bewonderaar van Mussolini. Hij wenste de Italiaanse leider ook blijvende intellectuele energie toe en besloot met dankwoorden, een bevestiging van zijn liefde voor het Italiaanse volk en de vrijheid, en de hoop op de overwinning van het fascisme op de onvrijheid.

In januari 1931 schetste De Man drie mogelijke ontwikkelingen voor de wereldwijde economische crisis en de gevolgen daarvan voor fascisme en socialisme. In het eerste scenario zou de crisis eindigen, zou het fascisme mislukken, zou de democratie standhouden en zou het socialisme vooruitgaan dankzij toenemende welvaart. In een tweede mogelijkheid zou de crisis voortduren, zou het fascisme de macht grijpen, zou een socialistische tegenaanval mislukken en zouden de gevolgen 'apocalyptisch' zijn. Een derde scenario voorzag een voortgezette crisis waarbij het fascisme de macht zou nemen, maar waarbij een zegevierende tegenaanval van reformistische sociaal-democratische partijen tot een tegen-dictatuur zou leiden. Nadat de nationaalsocialisten in 1933 aan de macht kwamen, verloor De Man zijn onderwijstoelating.

Het Plan van de Arbeid en het planisme

Na zijn terugkeer naar België werkte Henri de Man het Plan van de Man uit, ook bekend als het Plan van de Arbeid. Hij stelde dit plan voor als een middel om te verhinderen dat het corporatisme door de fascisten gemonopoliseerd werd. Tegelijk wilde hij fascistische economische politiek integreren in de socialistische beweging. Volgens de door hem geformuleerde doelstellingen moest het plan de werkloosheid bestrijden via een geplande economie en verschillende arbeidersorganisaties uitschakelen. De Man beklemtoonde ook dat het plan de ‘muur van geld’ moest doorbreken, bewaakt door ‘137 families’ die een ‘neofeodalisme van het rente-kapitaal’ zouden uitoefenen. Daartegenover wilde hij een ‘nationaal socialisme’ tot stand brengen, opgevat als socialisme dat de nationale realiteit erkent in plaats van te vluchten in internationalisme. In een interview met *De Onafhankelijke Belg* verwees hij daarbij naar de ideeën van Paul-Henri Spaak over nationaal socialisme. Het Plan van de Man kreeg steun van de Belgische Werkliedenpartij, maar riep ook scherpe kritiek op van talrijke communisten en socialisten, onder wie Leo Trotski.

Uit het Plan van de Man groeide het planisme, een ideologie die zich tegen het marxisme en het reformisme keerde. Het planisme wordt doorgaans met het neosocialisme verbonden en staat dicht bij de Franse variant daarvan. De Man beïnvloedde verschillende vooraanstaande Franse neosocialisten, onder wie René Belin. Hij organiseerde ook een conferentie over het planisme in de abdij van Pontigny, bijgewoond door Europese politieke verantwoordelijken en denkers, onder wie René Belin en Robert Lacoste. In 1935 beïnvloedde het planisme social-democratische programma’s in Zwitserland, en later ook de programma’s van de Nationale Raad van het Verzet van 15 maart 1944 en de Nationale Revolutie van het Vichy-regime.

De oorspronkelijke impulsen van het planisme omvatten het socialiseren van het bank- en kredietstelsel tot gemeenschappelijk bezit, het socialiseren van de kapitalistische zware industrie, en het onteigenen van grootgrondbezitters in landen waar nog een omvangrijke grootgrondbezittersklasse bestond. Daarnaast moest het de financiële ministeries versterken voor een snelle uitvoering van plannen en voor een concentratie van bevoegdheden. Op de conferentie van 1934 werd het planisme aangepast in de richting van nationaal socialisme, waarbij de nationale uitvoeringsdoelstelling voorrang kreeg op de internationale. Ook werd de nadruk verlegd van de overdracht van eigendom naar de overdracht van macht bij socialisering. De concrete doelstelling van het planisme werd zo de bestrijding van het marxisme en van politieke instabiliteit.

Ministeriële functies en partijleiderschap

In maart 1935 trad Henri de Man toe tot de eerste regering van Paul van Zeeland als minister van Openbare Werken en Werkloosheidsbestrijding. In mei 1936 nam hij in de tweede regering-Van Zeeland het ministerie van Financiën over, een functie die hij behield in het kabinet van eerste minister Paul-Émile Janson tot mei 1938. In 1938 werd hij door koning Leopold III benoemd tot minister zonder portefeuille, in een poging België buiten de nakende oorlog te houden.

Naast zijn regeringsmandaten speelde De Man ook een belangrijke rol binnen de Belgische Werkliedenpartij. Sinds 1933 was hij ondervoorzitter van de partij. Eind december 1938 volgde hij de overleden partijvoorzitter Emile Vandervelde op, en in mei 1939 werd hij officieel verkozen tot voorzitter van de POB/BWP. De feitelijke operationele leiding van de partij berustte intussen bij de secretarissen August De Block en Ernest Piot.

Bezetting en collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog

Na de bezetting van België door de Duitse Wehrmacht raadde Henri de Man de koning aan om de regering niet te volgen in ballingschap. In een manifest van 28 juni 1940 verwelkomde hij de capitulatie, die hij beschouwde als de nederlaag van het parlementaire regime en van de kapitalistische plutocratie. Hij zag de bezetting als een kans voor neutrale socialistische en economische actie. In die context ontbond hij de Belgische Werkliedenpartij (POB-BWP) en hielp hij mee aan de oprichting van een door het nazi-regime gedoogde eenheidsvakbond, naar het model van de DAF. Wegens zijn steun aan Belgische belangen kreeg hij een spreek- en verschijningsverbod. Daarna verliet hij België en ging hij naar Parijs om zich aan te sluiten bij de kring rond Ernst Jünger. Na de bevrijding van Parijs trok hij zich terug in een hut in La Clusaz, in het departement Hoge-Savoie, waar hij het werk *Verzaming en cultuurverval* schreef.

Posthistorie

Henri De Man bedacht de term posthistorie in *Vermassung und Kulturverfall*. Hij omschreef posthistorie als het idee dat de huidige werkelijkheid zich afspeelt nadat de geschiedenis is afgelopen. Die gedachte oefende invloed uit op de Nieuw Links-beweging en op conservatieve denkers zoals Arnold Gehlen. Ook Leo Löwenthal werd erdoor geïnspireerd en besprak posthistorie indirect in een interview. Löwenthal noemde het begrip een verklaring voor het einde van de Verlichting. Tegelijk karakteriseerde hij posthistorie als een irrationeel en neomythisch niet-begrip, als een gedachteloze en onverantwoorde keuze van willekeurige onderwerpen, en als iets zonder wortels in enige rationele of morele traditie.

Ballingschap en veroordeling in afwezigheid

Na een verblijf in Haute-Savoie vluchtte Henri de Man naar Zwitserland. Een ideologisch sympathiserende kameraad verkreeg daar politiek asiel voor hem. Op 12 september 1946 werd De Man bij verstek veroordeeld door een Belgisch militair gerecht. Het vonnis legde hem 20 jaar gevangenisstraf op en een schadevergoeding van 10 miljoen frank. Hij werd schuldig bevonden op grond van artikel 118bis van het Belgisch Strafwetboek, wegens kwaadwillige militaire collaboratie.

De Man schreef twee verdedigingsgeschriften, gedateerd 20 januari 1945 en 30 september 1947, en richtte die aan Romain Moyersoen, voorzitter van de Belgische Senaat. Deze teksten bleven ongepubliceerd. In het memorandum van 30 september 1947 nam hij het volledige vonnis op. Zijn pogingen tot rehabilitatie slaagden niet tijdens zijn leven.

Op 20 juni 1953 kwamen Henri de Man en zijn echtgenote om het leven toen hun auto aan een overweg bij Murten door een trein werd geraakt.

Familie en privéleven

Henri De Man was een kleinzoon van de Vlaamse dichter Jan Van Beers. In 1940 regelde hij voor zijn neef Paul De Man een baan als redacteur bij de krant Le Soir. In zijn vrije tijd viste hij en hij schreef twee boeken over vissen.

Scroll naar boven