Willy Vandersteen werd geboren in Antwerpen op 15 februari 1913 en overleed op 28 augustus 1990. Hij groeide op in de Seefhoek, een arme wijk van de stad. Zijn vader, Franciscus ‘Sus’ Vandersteen, was decorateur en beeldhouwer in hout, en werkte in Antwerpen naast een drukker die het jeugdtijdschrift De Kindervriend uitgaf. Vandersteen las dat weekblad al op vierjarige leeftijd. Later ontwikkelde hij zich tot een productieve Belgische stripmaker die een groot atelier oprichtte en meer dan 1.000 stripalbums in meer dan 25 reeksen publiceerde. Hij verkocht wereldwijd meer dan 200 miljoen stripalbums. Hij is vooral bekend van Suske en Wiske, maar ook van De Rode Ridder en Bessy. Samen met Marc Sleen wordt hij beschouwd als een grondlegger van de Vlaamse strip. Hergé noemde hem de Bruegel van de strip, en door de opbouw van zijn eigen studio en de commercialisering van zijn werk werd hij ook wel de Walt Disney van de Lage Landen genoemd.
- Hoe werd Willy Vandersteen een van de grote namen van de Vlaamse strip?
- Hoe verliep de jeugd en vroege loopbaan van Willy Vandersteen?
- Welke stripreeksen maakte Willy Vandersteen begin jaren veertig?
- Hoe verliep Willy Vandersteens loopbaan tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog?
- Hoe verliep Willy Vandersteens samenwerking met Kuifje en de uitbouw van Studio Vandersteen?
- Hoe verliep de eerste reeks van Willy Vandersteen met Verschuere?
- Hoe leidde het succes van Bessy tot de uitbouw van Studio Vandersteen?
- Hoe verliep de Duitse nevenreeks Wastl van Willy Vandersteen?
- Hoe evolueerde Studio Vandersteen in de jaren zestig en welke rol speelde Eduard De Rop bij De Rode Ridder?
- Hoe verliep de opvolging van Willy Vandersteens reeksen in de jaren zestig en zeventig?
- Hoe evolueerde Studio Vandersteen onder invloed van Paul Geerts en de nieuwe tekenaars?
- Hoe ontwikkelden Willy Vandersteens reeksen zich in de jaren zeventig en tachtig?
- Hoe ontwikkelde Willy Vandersteen zijn werk met De Geuzen en wat gebeurde er daarna met zijn reeksen?
- Welke thema’s en invloeden komen terug in het werk van Willy Vandersteen?
- Hoe groeide de internationale bekendheid van Willy Vandersteen en zijn reeksen?
- Welke merchandisingactiviteiten ontstonden er rond Suske en Wiske in de jaren 1950?
- Hoe werd Willy Vandersteen internationaal erkend?
Studio en succes in de stripwereld
Willy Vandersteen, geboren op 15 februari 1913 en overleden op 28 augustus 1990, was een Belgische striptekenaar en -schrijver die uitgroeide tot een van de invloedrijkste figuren in de Vlaamse strip. Hij richtte een grote studio op en publiceerde in totaal meer dan 1.000 stripalbums in meer dan 25 reeksen. Wereldwijd verkocht hij meer dan 200 miljoen stripalbums. Samen met Marc Sleen wordt hij beschouwd als een van de grondleggers van de Vlaamse strip.
Zijn werk was vooral populair in België, Nederland en Duitsland. Hergé noemde hem de Bruegel van het striptoneel, terwijl de oprichting van zijn eigen studio en de commercialisering van zijn werk hem de bijnaam de Walt Disney van de Lage Landen opleverden. Vandersteen is vooral bekend door Suske en Wiske, dat in het Engels verscheen als Spike and Suzy, Luke and Lucy, Willy and Wanda en Bob and Bobette. In 2008 waren er van deze reeks 3,5 miljoen boeken verkocht.
Daarnaast maakte hij nog andere belangrijke reeksen, waaronder De Rode Ridder, met meer dan 200 albums, en Bessy, waarvan in Duitsland bijna 1.000 albums verschenen.
Jeugd, opleiding en eerste stappen als tekenaar
Willy Vandersteen werd op 15 februari 1913 in Antwerpen geboren als zoon van Franciscus ‘Sus’ Vandersteen en Anna Genard. Zijn familie woonde in de Seefhoek, een arme wijk van de stad. Zijn vader werkte in Antwerpen als decorateur en houtsnijder, en diens atelier lag naast een drukkerij die De Kindervriend uitgaf, een weekblad voor de jeugd in Vlaanderen. Al op vierjarige leeftijd las Vandersteen dat blad wekelijks. Zijn moeder had belangstelling voor ballet en zang. Later zou hij een hoofdpersonage in de reeks Suske en Wiske de naam ‘Wiske’ geven, geïnspireerd door Wieske Ghijs.
Als kind tekende hij met krijt op de stoepen en verzon hij verhalen over ridders en legendes voor zijn vrienden. Hij wist zijn vrienden zelfs te overtuigen om krijt te kopen om het plaatselijke kampioenschap wielrennen af te beelden. Op school had hij meer belangstelling voor verhalen vertellen en voor kunst dan voor andere vakken. Zijn mooiste schoolherinnering was een leraar die de werken van Pieter Brueghel introduceerde. In dezelfde periode las hij ook graag stripbladen en boeken van Jules Verne, Nick Carter en Buffalo Bill.
Op dertienjarige leeftijd schreef Vandersteen zich in aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen om beeldhouwkunst te studeren. Twee jaar na zijn inschrijving begon hij te werken als beeldhouwer en decorateur. Intussen was zijn gezin naar Deurne verhuisd, een voorstad van Antwerpen. Daar kwam hij meer in aanraking met natuur en scouting. Binnen de scouts werd hij troeprapporteur, waarbij hij geïllustreerde verslagen schreef over uitstappen en avonturen. In die context maakte hij kennis met Le Boy-Scout Belge, waar Hergé Totor publiceerde. Voor zijn vrienden verzon hij vervolgdelen op de avonturen van Totor.
Hij combineerde zijn studies aan de academie met het werk in het atelier van zijn vader tot 1935. Dat jaar kwam er een einde aan zijn werk als beeldhouwer, doordat de markt voor steenversieringen instortte. Daarna werd hij een begeesterde sportman, met belangstelling voor gymnastiek, wielrennen en worstelen. In 1936 werd hij aangeworven als decorateur voor de winkel en de etalages van L’Innovation. Datzelfde jaar leerde hij Paula Van Den Branden kennen. Op 9 oktober 1937 trouwden zij. Het echtpaar woonde twee jaar in Antwerpen. In 1938 werd hun dochter Helena geboren. In 1939 verhuisden zij naar Schilde.
In die jaren las Vandersteen in een Amerikaans tijdschrift het artikel Comics in your Life, waarna hij op zoek ging naar meer informatie over strips. Zo herontdekte hij Hergé met De avonturen van Kuifje in Le Petit Vingtième en ook het werk van Hal Foster met Prins Valiant. Zijn eerste gepubliceerde tekeningen verschenen in het tijdschrift Entre Nous van L’Innovation. In maart 1940 werd zijn tweede kind, Bob, geboren. Na de eerste ontreddering door de Tweede Wereldoorlog ging hij opnieuw aan de slag bij L’Innovation.
Stripwerk in de oorlogsjaren
Van november 1940 tot augustus 1942 creëerde Willy Vandersteen de stripreeks Kitty Inno. Deze reeks bestond uit korte, eenvoudige gags. In diezelfde periode verschenen ook andere werken van hem in de krant De Dag. De eerste strip van Tor de holbewoner werd er gepubliceerd op 19 maart 1941 en liep door tot januari 1942. Daarnaast begon op 26 maart 1941 De lollige avonturen van Pudifar. Die reeks werd in mei 1941 vervangen door Barabitje, dat op zijn beurt eindigde in oktober 1941. In deze jaren werkte Vandersteen dus gelijktijdig aan meerdere korte stripreeksen.
Oorlogsjaren en de opkomst van *Suske en Wiske*
In 1942 stopte Willy Vandersteen met zijn job bij L’Innovation en ging hij aan de slag bij de Landbouw- en Voedingscorporatie. Daar maakte hij illustraties voor enkele tijdschriften. In datzelfde jaar verhuisde zijn gezin naar Wilrijk. Ook werkte hij in 1942 onder het pseudoniem Kaproen mee aan het boek *Zóó zag Brussel de Dietsche Militanten*. Later, in de jaren 1970, ontkende hij dat hij de kunstenaar achter Kaproen was; een onderzoek in 2010 bevestigde evenwel op vraag van de familie dat hij wel degelijk de tekenaar was. Hij werd niet vervolgd voor die publicaties met antisemitische tekeningen, die als nazi-collaboratie werden beschouwd.
Bij de Corporatie leerde hij een collega kennen van wie de vrouw werkte bij *Bravo*, een weekblad voor Vlaamse strips dat sinds 1936 verscheen en vanaf 1940 ook een Franstalige versie had. Zo kwam Vandersteen in 1943 terecht bij *Bravo*, waar hij aansloot bij een jonge ploeg onder leiding van Jean Dratz. Voor dat blad maakte hij onder meer *Tori*, een bewerking van de prehistorische *Tor*, en publiceerde hij *Simbat de Zeerover* op de cover en in kleur. Hij bleef er ook later werken met de middeleeuwse grappen van *Lancelot*.
Naast *Bravo* leverde hij in die periode veel ander werk. Voor de Antwerpse uitgever Ons Volk maakte hij drie strips zonder voorpublicatie, waarvan *Piwo* zijn eerste stripalbum werd in 1943. Daarop volgden vervolgen in 1944 en 1946; de *Piwo*-strips verschenen ook in het Frans. Voor Ons Volk illustreerde hij bovendien elf jeugdboeken en tekende hij coverillustraties voor romans van andere uitgevers. Vanaf 1944 werkte hij ook voor *De Rakker* en *De Illustratie*, waarvoor hij strips en talrijke illustraties maakte. Zijn echtgenote Paula zette daarbij vaak zijn potloodtekeningen in inkt om.
In 1944 kreeg hij een uitnodiging van Standaard Boekhandel, die vier jeugdboeken bij hem bestelde. Die verschenen in 1945 en 1946 in het Nederlands en Frans bij Casterman. Op 30 maart 1945 begon hij voor de krant *De Nieuwe Standaard* aan de dagelijkse stripreeks *Rikki en Wiske*, die een positieve reactie kreeg van de jonge illustrator Marc Sleen. De eerste geschiedenis liep onafgebroken tot 15 december 1945. Vandersteen was teleurgesteld dat de redacteur de reeks *Rikki en Wiske* noemde in plaats van *Suske en Wiske*, en hij vond dat Rikki te sterk op Kuifje leek.
Daarna startte hij met de langlopende avonturenreeks *Suske en Wiske* met *Op het eiland Amoras*. Dat album introduceerde meteen het merendeel van de terugkerende personages en de middelen om door ruimte en tijd te reizen. Het verhaal verscheen in 1946 ook in de Nederlandse krant *De Stem*. In 1946 bracht hij het eerste album van *Suske en Wiske* uit, en in 1947 volgde nog een album; tegen dat jaar waren er al zeven albums beschikbaar, waarvan sommige al herdrukt waren. In december 1945 begon hij ook aan de wekelijkse reeks *De Familie Snoek*, die uiteindelijk elf albums zou tellen.
Vanaf het einde van 1945 werkte Vandersteen voor *Ons Volkske*, de jeugdbijlage van het weekblad *Ons Volk*. Samen met Marc Sleen vulde hij er het grootste deel van de pagina’s met strips. Hij maakte er realistische verhalen van ongeveer twintig pagina’s per stuk en ontwikkelde na zijn begin als volgeling van Harold Foster zijn eigen stijl. In augustus 1946 creëerde hij de terugkerende gagstrip *De Vrolijke Bengels* en leverde hij ook volwassenere strips voor *Ons Volk*. Toen in 1947 de juridische strijd rond kranten en tijdschriften woedde, werkte hij voor beide betrokken uitgevers, maar schakelde hij uiteindelijk over naar de nieuwe eigenaars van *De Standaard*. Hij bleef nog enkele maanden bijdragen aan *Ons Volkske*, dat toen *’t Kapoentje* heette. De albumreeks van *Suske en Wiske* werd voortgezet door *De Standaard*, en zijn populariteit zorgde ervoor dat 25.000 lezers tegelijk overstapten naar die krant. Daarna werkte hij de rest van zijn leven voor *De Standaard*, en hij leverde ook bijdragen aan *Het Nieuwsblad*, *Ons Volk* en *Ons Volkske*.
Werk voor Kuifje en het Studio Vandersteen
Willy Vandersteen begon mee te werken aan het tijdschrift Kuifje, het stripblad waarin Hergé publiceerde. Voor dat blad werkte hij zijn tekeningen verder uit en gaf hij ze een meer gestileerde vorm, in overeenstemming met de redactionele normen van Hergé. Tegelijk verdwenen in zijn Kuifje-verhalen geleidelijk meer van de typische Vlaamse volkse elementen. De Suske en Wiske-verhalen die hij voor Kuifje maakte, worden beschouwd als de beste uit zijn carrière. Zijn eerste Kuifje-verhaal was Het Spaanse Spook, dat op 16 september 1948 van start ging. Van Hergé kreeg hij de bijnaam ‘de Brueghel van de strip’.
In 1949 nam hij François-Joseph Herman aan als eerste medewerker. Herman bleef drie jaar bij Vandersteen en die samenwerking lag mee aan de basis van Studio Vandersteen. In 1952 volgde Karel Boumans als medewerker. Boumans bleef tot 1959 anoniem werken en was vooral actief aan De grappen van Lambik, een spin-off van Suske en Wiske die vanaf 24 januari 1954 liep in de weekkrant De Bond. Hij inkte ook heel wat Suske en Wiske-strips, onder meer in Kuifje. Vandersteen zelf legde zich in die periode meer toe op het verhaal en de eerste potloodtekening. Hij beschouwde het vertellen van het verhaal en het potloodwerk als het eigenlijke artistieke proces, terwijl het inkten voor hem meer een ambacht was.
Tussen 1949 en 1953 combineerde hij een grote productie met een constante kwaliteit in de verhalen, de grappen, de vele personages en de grafische uitwerking. Daarbij hield hij het charmante eigenzinnige van de beginjaren in evenwicht met de strakkere lijnvoering van Hergé. Veel verhalen baseerde hij losjes op populaire klassiekers, gaande van Alexandre Dumas over Buffalo Bill tot Der Ring des Nibelungen van Richard Wagner. Voor Kuifje maakte hij ook een strip in twee delen over de legende van Tijl Uilenspiegel. Gaandeweg besteedde hij meer tijd aan documentatie voor zijn strips en reisde hij naar Brugge, Monaco en Venetië om locaties voor nieuwe verhalen te bezoeken; die bezoeken vormden de inspiratie voor drie verhalen in Kuifje.
In 1951 ontmoette hij Karel Verschuere, een jonge werkloze kunstenaar, en hij stelde hem aan als hoofdtekenaar voor realistische reeksen. In 1953 creëerde hij voor Kuifje de komische strip ’t Prinske, over de humoristische belevenissen van een jonge prins in een fictief land. Die reeks liep tot 1959 en telde om en bij de 300 strips.
Judi en andere samenwerkingen
De eerste reeks van Willy Vandersteen met Verschuere was "Judi", een herwerking van het Oude Testament in vier albums. "Judi" verscheen voor het eerst in "Ons Volkske". De reeks kende echter weinig succes. Karel Verschuere werkte nadien alleen nog een vijfde deel van "Judi" af. Hij leverde ook bijdragen aan het tweede deel van "Tijl Uilenspiegel", samen met Bob de Moor en Tibet.
Bessy en Studio Vandersteen
Karel Verschuere leverde zijn belangrijkste bijdrage met het werk aan Bessy, een westernreeks die in 1952 begon in de Waalse krant La Libre Belgique. De reeks verscheen onder het pseudoniem WiRel, een samenstelling van Willy en Karel, en was geïnspireerd op het succes van Lassie. Verschuere werkte tot 1967 mee aan Biografie en hielp ook bij andere realistische reeksen zoals Karl May, Biggles en De Rode Ridder. Het succes van Bessy droeg bij tot de oprichting van Studio Vandersteen. Daarmee werd ook erkend dat veel strips niet langer uitsluitend door Willy Vandersteen alleen werden gemaakt. Publicaties in Kuifje en Bessy maakten Biografie populair in Wallonië, terwijl alle Bessy- en Suske en Wiske-strips in het Frans werden uitgegeven door Erasme.
In 1966 verhuisde Biografie van Brussel terug naar Kalmthout, bij Antwerpen, en daar werd naast een villa de locatie voor de hoofdstudio ingericht. Bessy verscheen ook in het Duitse stripblad Felix van Bastei Verlag. Vanaf 1965 wilde Felix maandelijks een nieuw Bessy-verhaal publiceren, maar in 1966 werd het publicatieritme verhoogd naar twee keer per maand. Omdat Biografie de Bessy-strips niet snel genoeg kon leveren, werd de studio uitgebreid. Verschuere leidde er een ploeg van ongeveer tien jonge tekenaars, met Frank Sels en Edgar Gastmans als de belangrijkste artiesten. Veel Bessy-verhalen werden ook gemaakt door Daniël Janssens. Eind 1967 stopte Verschuere met het werk in de studio. Dat jaar verhoogde Bastei het publicatieritme opnieuw, tot één volledige strip per week, waarna Biografie de studio ontbond. Frank Sels en Edgar Gastmans gingen daarna als freelancer werken en verkochten Bessy-strips rechtstreeks aan Duitsers buiten Biografie om. Nadien reorganiseerde Biografie de Bessy-studio en nam Jeff Broeckx aan. De studio bleef Bessy-strips produceren tot 1985, met medewerkers als Patrick van Lierde, Ronald Van Riet, Eugeen Goossens en Walter Laureyssens. In totaal produceerde de studio meer dan 900 Bessy-strips, en Bastei Verlag vroeg Biografie bovendien om een tweede wekelijkse reeks te leveren.
Wastl-reeks
Willy Vandersteen stelde een Duitse spin-offreeks van Suske en Wiske voor onder de naam Wastl. Die reeks was gebaseerd op Jerom, de sterke man uit Suske en Wiske. Tussen 1968 en 1972 werden 173 Wastl-verhalen geproduceerd. Op haar hoogtepunt bereikte de uitgave 150.000 exemplaren. De beste verhalen uit de reeks werden in het Nederlands gepubliceerd. Na vier jaar kwam er een einde aan Wastl, omdat de verhalen inhoudelijke zwaktes vertoonden.
Studio Vandersteen en De Rode Ridder
In de jaren zestig en later behoorden Karel Verschuere, Frank Sels, Eduard De Rop, Eugeen Goossens, Karel Biddeloo en Paul Geerts tot de belangrijkste kunstenaars van Studio Vandersteen. Eduard De Rop kwam in 1959 bij Studio Vandersteen nadat Karel Boumans was vertrokken. Hij werkte vooral aan kleinere reeksen zoals Jerom en Pats, maar leverde ook bijdragen aan bijna alle reeksen, waaronder Suske en Wiske. Tot zijn belangrijkste bijdragen behoorden de vroege avonturen van De Rode Ridder. Die figuur was oorspronkelijk gecreëerd door schrijver Leopold Vermeiren in 1946 en verscheen vanaf 1954 in boeken met tekeningen van Karel Verschuere. Het succes leidde vervolgens tot een stripreeks, waaraan Karel Verschuere, Eduard De Rop en Vandersteens zoon Bob de belangrijkste bijdragen leverden. De Rode Ridder werd zo de derde grote succesreeks van Vandersteen en is na Suske en Wiske de langstlopende reeks.
Nieuwe reeksen en opvolgingen
In 1962 begon Willy Vandersteen met de reeks Karl May, gebaseerd op de bekende boeken. In het begin leverde hij voor Karl May en ook voor Biggles slechts een beperkte bijdrage, vooral in de vorm van toezicht en de eerste schetsen. Karl May verscheen in het bijblad Pats, waar Vandersteen wekelijks een aantal pagina’s moest afleveren; in 1965 werd dat aantal opgetrokken tot zestien pagina’s. In de hoofdkrant nam Biggles de plaats in van Karl May, nadat die reeks in 1965 door Vandersteen was gestart. Frank Sels volgde Karel Verschuere in de studio op in 1963 en zette Karl May voort van 1963 tot 1966. Wanneer Frank Sels in 1967 de studio verliet, nam Karel Biddeloo de meeste realistische reeksen van Vandersteen over. Hij werkte Karl May verder uit van 1967 tot 1969, waarna de Bessy-studio het werk overnam. Ook Biggles kwam bij Biddeloo terecht; die reeks eindigde in 1969 en werd vervangen door de junglereeks Safari, die geïnspireerd was op Daktari. Vandersteen deed bij de start van Safari het grootste deel van het creatieve werk, maar liet na enkele albums het meeste over aan Biddeloo. Safari liep tot 1974. Eduard De Rop blies intussen De Familie Snoek nieuw leven in met een gagreeks die enkele jaren liep. Vanaf 1967 besteedde Biddeloo ook veel tijd aan De Rode Ridder, eerst door de verhalen van Vandersteen in te inkten en vanaf 1969 door de reeks volledig over te nemen toen Vandersteen er de belangstelling voor verloor.
Nieuwe kunstenaars en de doorbraak van commerciële strips
In 1968 trad Paul Geerts toe tot de Studio Vandersteen en begon hij als tekenaar aan Duitse Jerom-strips te werken. Een jaar later verving hij Eduard De Rop als hoofdinkter voor Suske en Wiske. In 1971 bedacht hij ook scenario’s voor Jerom en maakte hij zijn eerste verhaal voor Suske en Wiske. Vanaf 1972 tot het einde van de jaren 1990 werd hij de belangrijkste auteur van Suske en Wiske. In die latere jaren namen Eduard De Rop en Goossens de rol van hoofdinkter over, terwijl Paul Geerts zich bleef bezighouden met de verhalen en met potloodtekeningen.
Tijdens zijn periode bereikte Suske en Wiske een hoogtepunt in populariteit. Oudere verhalen werden opnieuw uitgegeven in kleur, en de reeks kreeg extra zichtbaarheid via de media. In 1975 en 1976 zond de Nederlandse televisie zes poppenfilms uit met nieuwe Suske en Wiske-verhalen. Daarna steeg de verkoop van nieuwe albums tot boven 200.000 exemplaren. Ook de merchandising bloeide sterk op, waardoor commerciële strips voor de Studio een hoofdactiviteit werden.
De Studio was in die jaren vooral opgebouwd rond kunstenaars die in de jaren 1960 waren toegetreden. Naast Paul Geerts kwamen onder meer Erik De Rop en Robert Merhottein erbij. Van hen was Robert Merhottein de enige die de Studio later verliet om een eigen succesvolle reeks te beginnen.
Van Robert en Bertrand tot Tits
Willy Vandersteen begon in deze periode aan de stripreeks Robert en Bertrand, gebaseerd op een roman die hij als jeugdige had gelezen. De reeks debuteerde in 1972 in De Standaard en groeide uit tot een belangrijk deel van zijn latere werk. In 1974 creëerde hij ook de titelreeks Pats voor het krantensupplement Pats, maar het grootste deel van de arbeid liet hij over aan Merhottein. Na een rechtszaak werd Pats in 1977 omgedoopt tot Tits; die reeks verdween uiteindelijk in 1986.
In hetzelfde jaar verloor Vandersteen zijn echtgenote Paula, die in 1976 overleed. Op 25 juni 1977 hertrouwde hij met Anne-Marie Vankerkhoven. Dat jaar kreeg hij ook een Alfred-prijs van het Internationaal Stripfestival van Angoulême voor het beste scenario, voor het Robert en Bertrand-verhaal De stakingbreker.
In 1978 werd in de Antwerpse Zoo een beeld van Suske en Wiske onthuld. Daarna verdwenen nog meer van zijn reeksen: Jerom verdween in 1988, terwijl Robert en Bertrand in 1993 eindigde. Vandersteen was overigens al acht jaar vóór dat einde gestopt met het schrijven van nieuwe verhalen voor die reeks. Ook Bessy verdween in 1993.
De Geuzen en zijn latere werk
In 1985 creëerde Willy Vandersteen de reeks De Geuzen, die zich afspeelde in Vlaanderen in de zestiende eeuw. De serie sloot aan bij thema’s die ook in de oudere reeks Tijl Uilenspiegel voorkwamen, maar de personages waren rijper en verder uitgewerkt dan in zijn vroegere werk. Ook op grafisch vlak bereikte De Geuzen een niveau dat dicht in de buurt kwam van zijn werk voor Kuifje. Vandersteen werkte er meestal alleen aan, waardoor het publicatieritme lager lag. Uiteindelijk verschenen er slechts tien albums. De reeks eindigde met zijn overlijden. Suske en Wiske bleef intussen een van de populairste Vlaamse stripreeksen. Na zijn dood zet de Studio Vandersteen vooral Suske en Wiske en De Rode Ridder verder. Vandersteen bleef tot kort voor zijn overlijden werken. Hij stierf op 28 augustus 1990 aan een longaandoening.
Thema’s en invloeden in het werk
In het werk van Willy Vandersteen komen al van in het begin zeer uiteenlopende thema’s voor. Zijn reeksen en verhalen putten uit sprookjes, historische reeksen, westerns, sciencefiction en veel eigentijdse strips. Zo toont De Familie Snoek een alledaags Vlaams gezin van zijn tijd, terwijl Bessy een pioniersfamilie in het Amerikaanse Wilde Westen volgt. De Rode Ridder vertelt het verhaal van een middeleeuwse ridder en overspant tien eeuwen; daarin komen ook Arthurlegenden, de kruistochten en verkenningen uit de vijftiende en zestiende eeuw aan bod, en later werden ook elementen van zwaard-en-sorcery en fantasy toegevoegd. Suske en Wiske is dan weer een eigentijdse reeks waarin tijdreizen een belangrijk vertelmiddel vormt, via een machine of op een poëtische manier. De verhalen spelen zich af in allerlei perioden, vaak in de middeleeuwen, en verwijzen geregeld naar lokale sagen uit Antwerpen en Limburg. Daarnaast maakte Vandersteen ook parodieën op Amerikaanse superheldenreeksen zoals Batman, naast sciencefiction en populaire tv-series. Een andere bron van inspiratie waren lange reizen, zoals een lange trip naar het Verre Oosten in 1959. In zijn vroege realistische strips was ook de invloed van Amerikaanse stripreeksen als Prins Valiant en Tarzan sterk aanwezig. Later ontwikkelde hij daaruit een eigen, herkenbare stijl.
Internationaal succes
Kort na zijn debuut verloor Willy Vandersteens werk geleidelijk zijn typisch Vlaamse karakter door het internationale succes. Tijdens de oorlog werkte en publiceerde hij in het Frans, en in de jaren 1940 breidde het bereik van Suske en Wiske zich uit naar Nederland via krantpublicaties. Via publicatie in het tijdschrift Kuifje kwam de reeks ook in Wallonië en Frankrijk terecht. Uitgeverij Erasme bracht alle albums van Suske en Wiske in het Frans uit, net als vele albums van andere reeksen, zoals De Familie Snoek. Bessy werd eerst gemaakt voor een Waalse krant en daarna in het Nederlands vertaald.
In de jaren 1950 en 1960 volgde verdere verspreiding. De eerste Duitse vertalingen van zijn werk verschenen in 1954, en publicaties in Chili en Portugal kwamen er in de jaren 1950, gevolgd door Spanje in de jaren 1960. In de daaropvolgende jaren werden zijn strips, en vooral Suske en Wiske, in tientallen talen uitgegeven, al werden slechts weinig albums vertaald. Meer dan negen albums verschenen in de Verenigde Staten. In Zweden werden 69 albums uitgegeven, samen met bijhorende merchandising, en ook de Finse reeks kende succes.
Ondertussen bleven de oplages in het Nederlands sterk groeien. Tegen 1978 waren naar schatting 80 miljoen albums van Suske en Wiske in het Nederlands verkocht. In de jaren 1960 bereikten Bessy en Jerom samen meer dan 1000 wekelijkse strips, met een oplage van ongeveer 200.000 exemplaren.
Commerciële nevenactiviteiten rond Suske en Wiske
Vanaf de jaren 1950 kwam er rond Suske en Wiske een uitgebreide merchandising op gang. Al in 1947 werden de eerste Suske en Wiske-poppen verkocht. In 1952 volgden vijf grote, met de hand beschilderde keramische beelden van de hoofdfiguren. Twee jaar later verschenen Suske en Wiske-drinkglazen, en in 1955 werd in Vlaanderen elke zaterdagmiddag een geanimeerd avontuur van Suske en Wiske uitgezonden. In 1956 bracht Decca twee platen uit. Het jaar daarop verscheen een reeks van vijf handpoppen, en in datzelfde jaar werden ook commerciële strips met Suske en Wiske gemaakt, te beginnen met een toeristische strip voor de provincie Antwerpen. In 1960 werd bovendien een Jerom-spel uitgebracht.
Erkenning en vertalingen
Volgens de Index Translationum van de UNESCO behoorde Willy Vandersteen tot de zes meest vertaalde Nederlandstalige auteurs. Deze vermelding wijst op een ruime internationale verspreiding en erkenning van zijn werk. Verdere details over onderscheidingen of prijzen zijn in de aangeleverde gegevens niet opgenomen.