Marc Dutroux

Marc Dutroux, Belgische seriemoordenaar en elektricien
Marc Dutroux, Belgische seriemoordenaar en elektricien

Marc Dutroux werd geboren op 6 november 1956 in Elsene, Brussel, als oudste van vijf kinderen van Victor Dutroux en Jeanine Lauwens. Een deel van zijn vroege kinderjaren bracht hij door in Burundi en Belgisch-Congo, waar zijn vader als onderwijzer werkte.

Dutroux werd in 1989 veroordeeld voor de ontvoering en verkrachting van vijf jonge meisjes. Na drie jaar gevangenisstraf kwam hij vrij op voorwaardelijke invrijheidstelling. In 1996 werd hij opnieuw gearresteerd op verdenking van de ontvoering, foltering en seksuele misbruiken van zes meisjes tussen 8 en 19 jaar. Vier van die zes meisjes kwamen om het leven. In 2004 werd Dutroux in zijn proces op alle aanklachten schuldig bevonden en tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld.

Bij de zaak waren ook Michelle Martin, Michel Lelièvre, Michel Nihoul en Bernard Weinstein betrokken. De zaak leidde in België tot grote onvrede over de milde vervolging en tekortkomingen bij de politie. De Belgische strafrechtspleging werd nadien volledig gereorganiseerd. Op 20 oktober 1996 protesteerden 300.000 Belgische burgers tijdens de Witte Mars tegen de manier waarop de zaak was behandeld.

Arrest, proces en maatschappelijke gevolgen

Marc Dutroux werd geboren op 6 november 1956. Hij werd bekend als een Belgische veroordeelde seriemoordenaar, seri verkrachter en kindermisbruiker. In 1989 werd hij veroordeeld voor de ontvoering en verkrachting van vijf jonge meisjes. Na drie jaar gevangenisstraf kwam hij voorwaardelijk vrij.

In 1996 werd Dutroux opnieuw gearresteerd, ditmaal op verdenking van het ontvoeren, martelen en seksueel misbruiken van zes meisjes tussen 8 en 19 jaar. Vier van die zes meisjes kwamen om het leven. In 2004 werd Dutroux tijdens zijn proces op alle aanklachten veroordeeld en kreeg hij levenslang.

Bij de zaak waren ook verschillende medeplichtigen betrokken. Michelle Martin werd veroordeeld tot 30 jaar cel en Michel Lelièvre tot 25 jaar. Michel Nihoul was een Brusselse zakenman, uitbater van een café en een bekende verschijning op seksfeestjes. Bernard Weinstein werd door Dutroux vermoord voor hij als medeplichtige kon worden geïdentificeerd.

De milde afloop van de vervolging en de tekortkomingen van de politie leidden tot brede onvrede in België. De zaak had grote gevolgen voor het gerechtelijk systeem, dat daarna volledig werd gereorganiseerd. Op 20 oktober 1996 trok de Witte Mars 300.000 Belgische burgers op straat om te protesteren tegen de manier waarop de zaak was aangepakt.

Jeugd en gezin

Marc Dutroux werd op 6 november 1956 geboren in Elsene, Brussel, als zoon van Victor Dutroux en Jeanine Lauwens. Hij was de oudste van vijf kinderen. Een deel van zijn vroege kinderjaren bracht hij door in Burundi en in Belgisch-Congo, waar zijn vader als leraar werkte. Na de onafhankelijkheid van Burundi in 1962 keerde het gezin terug naar België en vestigde het zich in Obaix, in de provincie Henegouwen.

Dutroux zei later dat hij door zijn moeder en vader werd mishandeld. In 1972 gingen zijn ouders uit elkaar en verliet Victor Dutroux het gezinshuis. Na zijn schooltijd ging Marc Dutroux zelf het huis uit en verdiende hij de kost als elektricien.

In 1976 trouwde hij met Françoise Dubois. Samen kregen zij twee kinderen. Het huwelijk eindigde in 1983 in een scheiding. Na de echtscheiding kreeg Françoise Dubois de voogdij over de kinderen.

Werk, conflicten en vroegere veroordelingen

In de late jaren 1970 vond Marc Dutroux nieuw werk als schroothandelaar. Hij vulde zijn inkomen aan door autoparts te stelen. Vanaf 1979 werd hij veroordeeld voor slagen en verwondingen, drugshandel en handel in gestolen voertuigen.

In diezelfde periode bezocht hij geregeld schaatsbanen in Charleroi, Forest en Montignies-sur-Sambre. Daar botste hij volgens de feiten doelbewust tegen jonge vrouwelijke schaatsers aan of struikelde hen. In oktober 1980 kwam het op de schaatsbaan van Charleroi tot een fysieke vechtpartij met Armand de Beyn. Dutroux botste daar herhaaldelijk tegen de vriendin van De Beyn. Een rechtszaak eindigde met een veroordeling van Armand de Beyn voor slagen en verwondingen tegen Marc Dutroux. Dutroux kreeg daarna zelf een verbod om de schaatsbaan van Charleroi nog te betreden.

Later had Dutroux een maîtresse, Michelle Martin, met wie hij ook trouwde. Samen kregen zij drie kinderen.

De ontvoering en moordzaken van 1995

Op 24 juni 1995 ontvoerde Marc Dutroux in Grâce-Hollogne de achtjarige klasgenootjes Julie Lejeune en Mélissa Russo. Hij bracht hen mee naar zijn huis in Marcinelle, waar hij hen gevangenhield in een door hem gemaakte kelder. Daar misbruikte hij beide meisjes herhaaldelijk seksueel en maakte hij ook kinderpornografische videobeelden van dat misbruik.

Op 23 augustus 1995 sloeg hij opnieuw toe, samen met Michel Lelièvre. In Oostende ontvoerden zij An Marchal en Eefje Lambrecks, die op weg waren naar hun vakantiehuis in Westende na een avond uit in Blankenberge. Dutroux hield de twee meisjes in kettingen vast in een slaapkamer. Uiteindelijk werden An Marchal en Eefje Lambrecks door Marc Dutroux en Bernard Weinstein levend begraven in Jumet.

Later kwam het tot een conflict rond een gestolen bestelwagen. Bernard Weinstein en Philippe Divers hadden die wagen gestolen en verstopt in een hangar, maar de eigenaar vond hem terug en de politie haalde hem weg. Dutroux en Weinstein vermoedden verraad door Philippe Divers en Pierre Rochow. Op 4 november drugden en isoleerden zij beiden in Weinzweins woning in Jumet. Zij doorzochten ook het huis van Rochow en namen Bénédicte Jadot mee terug naar Jumet voor ondervraging. Zij ontsnapte en waarschuwde een buur, die de politie belde.

Daarna besloot Dutroux Bernard Weinstein te doden om te vermijden dat Weinstein door de politie zou worden opgepakt. Tussen 13 en 20 november ontvoerde hij Weinstein en hield hem vast in de kelder van zijn huis in Marcinelle. Tijdens die periode liet hij Julie Lejeune en Mélissa Russo vrij rondlopen in huis. Hij gaf Weinstein voedsel met Rohypnol en plaatste slangklemmen rond diens testikels. Uiteindelijk begroef hij Weinstein levend op zijn terrein in Sars-la-Buissiere.

Dutroux werd op 6 december 1995 gearresteerd wegens voertuigdiefstal nadat Pierre Rochow hem had herkend. Julie Lejeune en Mélissa Russo stierven intussen van de honger in gevangenschap. Dutroux verklaarde later dat Julie Lejeune op 20 maart 1996 stierf en Mélissa Russo vier dagen later. Hij zei ook dat zij al dood waren toen hij tijdens zijn proces uit de gevangenis terugkeerde. Een expert stelde evenwel dat zij niet konden hebben overleefd met de hoeveelheid voedsel en water die tijdens Dutroux' gevangenschap werd gegeven. Dutroux begroef de lichamen van Julie Lejeune en Mélissa Russo in de tuin van zijn huis in Sars-la-Buissiere, nabij de begraafplaats van Bernard Weinstein.

Ontvoering, opsluiting en arrestatie

Op 28 mei 1996 ontvoerden Marc Dutroux en Lelièvre de 12-jarige Sabine Dardenne in Doornik. Dardenne beschreef haar gevangenschap later in een boek dat oorspronkelijk de titel "J'avais 12 ans, j'ai pris mon vélo et je suis partie à l'école" droeg. Ze zat tijdens haar gevangenschap vooral opgesloten in de kelderkerker van Dutroux' huis in Marcinelle. Volgens de beschikbare feiten werd ze daar uitgehongerd en herhaaldelijk verkracht.

Op 9 augustus 1996 ontvoerden Marc Dutroux en Lelièvre ook de 14-jarige Laëtitia Delhez in Bertrix. Een ooggetuige, Benoit Tinant, had de bestelwagen van Dutroux opgemerkt en kon een deel van de nummerplaat doorgeven. Marc Dutroux, Martin en Lelièvre werden op 13 augustus 1996 gearresteerd. Een eerste huiszoeking in zijn woningen leverde niets op. Twee dagen later legden Marc Dutroux en Lelièvre bekentenissen af.

Op dezelfde dag bracht Dutroux de politie naar de kelderkerker waar Sabine Dardenne en Laëtitia Delhez vastzaten. Beide meisjes werden daaruit bevrijd. Op 17 augustus 1996 leidde Dutroux de politie ook naar zijn huis in Sars-la-Buissière. Met zijn hulp werden de lichamen van Lejeune, Russo en Weinstein opgegraven. De resten van Marchal en Lambrecks werden later, op 3 september 1996, in Jumet gelokaliseerd en opgegraven. In zijn eigendommen vond de politie daarnaast honderden commerciële pornografische video's voor volwassenen en een groot aantal zelfgemaakte seksfilms die Dutroux samen met Martin had gemaakt.

Onderzoek en controverses

Het onderzoek naar Marc Dutroux kende al vroeg verschillende problemen en spanningen tussen de betrokken diensten. De Gendarmerie en de Gerechtelijke Politie voerden afzonderlijke onderzoeken uit in de zaak-Dutroux, maar de Gendarmerie weigerde om tips en informatie met de Gerechtelijke Politie te delen. Een informant wees Dutroux aan als verdachte en beschreef ook een verborgen ruimte die hij in de kelder van een van zijn huizen had gebouwd.

Op 13 en 19 december 1995 bezocht de politie zijn huis tweemaal, maar Lejeune en Russo werden daarbij niet gevonden. Tijdens de huiszoeking werden bovendien verschillende videotapes aangetroffen die nooit werden onderzocht. In de woning werden ook videofilms gevonden waarop Dutroux jonge meisjes verkrachtte. Volgens de feiten maakte Dutroux zulke videofilms van verkrachtingen om ze aan pedofielen te verkopen.

In oktober 1996 werd rechter Jean-Marc Connerotte door het Hof van Cassatie uit het onderzoek verwijderd wegens bezorgdheid over zijn onpartijdigheid. Later verklaarde procureur Michel Bourlet dat Zico werd beschuldigd van diefstal van een vrachtwagen, valsheid in documenten en verzekeringsfraude. Senator Anne-Marie Lizin stelde daarnaast dat Dutroux betrokken was bij gestolen auto's, wapenverkoop en prostitutiehandel, en dat hij begon met het ontvoeren van meisjes toen hij ontdekte dat mannen meer betaalden voor jonge meisjes in de prostitutie.

In 2009 publiceerde WikiLeaks het Dutroux Dossier. De Belgische autoriteiten probeerden de verwijdering van dat dossier te bekomen, terwijl procureur-generaal van Luik Cedric Visart de Bocarme verklaarde dat het dossier een mengeling van ware, onware en uiteenlopende informatie bevatte, met ook gegevens over onschuldige personen.

Parlementair onderzoek en rapport

Na een onderzoek van 17 maanden door een parlementaire commissie werd in februari 1998 een rapport over de zaak-Dutroux gepubliceerd. Marc Verwilghen was de voorzitter van dit onderzoek en bekritiseerde elk onderdeel van het onderzoek scherp. Het rapport concludeerde dat Marc Dutroux geen handlangers had in hoge posities binnen de politie en de justitie. Dutroux had zelf nochtans beweerd dat hij zulke medeplichtigen wel had. Volgens het rapport profiteerde hij van corruptie, slordigheid en onbekwaamheid.

Documentaires over de zaak

De misdrijven van Marc Dutroux kwamen aan bod in meerdere non-fictiedocumentaires. Een Britse public-access tv-documentaire, Witness: The Lost Children, werd in 1999 geregisseerd door Helen Hill en verteld door Stephen Rashbrook. In die productie waren interviews te zien met verschillende familieleden van de slachtoffers. Ook Claude Thirault, een buurman van Marc Dutroux, kwam aan het woord. Thirault werd politie-informant nadat hij persoonlijke vermoedens had geuit over de activiteiten van Dutroux. Hij verklaarde dat Dutroux kleine kinderen vanaf de straat observeerde en dat hij betrapt werd terwijl hij in een oude kelder aan het graven was onder watertanks. Volgens Thirault was dat een verborgen ruimte die Dutroux wilde gebruiken om kinderen te verstoppen.

De zaak kreeg later opnieuw internationale aandacht via televisie. In april 2009 zond Discovery Channel in Crimes That Shook the World de aflevering Monster of Belgium uit, als seizoen 2, aflevering 9. Die aflevering bracht de Belgische zaak onder de aandacht van een Noord-Amerikaans publiek.

Het proces en de veroordeling

Het proces tegen Marc Dutroux begon op 1 maart 2004 in Aarlen. Hij werd daar berecht voor de moorden op An Marchal, Eefje Lambrecks en Bernard Weinstein. Daarnaast kreeg hij ook beschuldigingen van autodiefstal, ontvoering, poging tot moord, poging tot ontvoering, ontucht en drie niet-verwante verkrachtingen van Slowaakse vrouwen.

Het was een juryproces waarbij tot 450 personen zouden getuigen. Dutroux en de andere beklaagden zaten tijdens het proces in een glazen kooi, ter bescherming. In de Belgische kranten mochten foto’s van zijn gezicht niet worden gepubliceerd tot 9 maart 2004. Tijdens het proces protesteerde de jury tegen de manier waarop voorzitter Stéphane Goux de debatten en de getuigenissen van slachtoffers aanpakte.

Op 14 juni 2004 begon de jury in afzondering te gaan om tot een vonnis te komen. Op 17 juni 2004 werd Dutroux op alle aanklachten schuldig bevonden. Hij verklaarde dat hij alle meisjes had gemarteld en misbruikt, maar hij ontkende tot op het einde dat hij iemand had gedood. In 1996 hadden zijn psychiaters al gezegd dat hij niet paste in het profiel van een pedofiel, en dat hij niet aangetrokken was tot kinderen, al kon hij jongere slachtoffers mogelijk hebben ontvoerd om hen gemakkelijker te manipuleren en te controleren.

Op 22 juni 2004 kreeg hij levenslange gevangenisstraf. De dag nadien diende hij beroep in tegen die straf.

Onderzoek naar nieuwe beschuldigingen

Marc Dutroux zit zijn levenslange gevangenisstraf uit in de gevangenis van Nijvel, in België. In juli 2024 werd hij ervan beschuldigd kinderpornografie te hebben geraadpleegd via een mobiele telefoon. Bij een zoektocht in zijn cel werd echter geen gsm gevonden. Wel trof men vier enveloppen aan met foto's van naakte vrouwen en jonge meisjes. Het onderzoek naar deze beschuldigingen liep nog in februari 2026.

Proces en getuigenissen

Tijdens de procesvoering werd Marc Dutroux bijgestaan door advocaat Xavier Magnée. In de zaak kwam ook de verklaring van zijn medeplichtige Michel Lelièvre naar voren; die zei dat de twee meisjes Lejeune en Russo door een derde partij waren ontvoerd. Daarnaast werd Dutroux in interviews over onopgeloste moorden op meisjes uit de jaren 1980 aangewezen door getuige Régina Louf. Over zijn financiële situatie werd gemeld dat hij tien huizen bezat en een waarde had van 6 miljoen Belgische frank, omgerekend 130.000 Amerikaanse dollar.

Huizen en gebruikte locaties

Marc Dutroux bezat zeven huizen, waarvan hij er vier gebruikte voor ontvoeringen. Tot de bekende eigendommen behoorden een huis aan Avenue Philippeville 128 in Marcinelle, een huis in Jumet aan Rue Daubresse 63 en een huis in Marchienne-au-Pont. Deze woningen maakten deel uit van zijn bezit en speelden een rol in de feiten waarvoor hij bekend werd.

Scroll naar boven