Maud Mannoni

Portret van Maud Mannoni, Franse psychoanalyticus
Portret van Maud Mannoni, Franse psychoanalyticus

Maud Mannoni werd geboren in Kortrijk, België, op 23 oktober 1923 en overleed in Parijs op 15 maart 1998. Zij was een Frans psychoanalytica van Nederlandse afkomst en specialiseerde zich in criminologie. Binnen Frankrijk wordt zij beschouwd als een prominente figuur in de psychologie, de psychoanalyse en het lacanisme. Eind jaren 1960 richtte zij, na gesprekken met Jacques Lacan, de experimentele school van Bonneuil-sur-Marne op. Haar methode zou later instellingen voor publieke kinderzorg hebben geïnspireerd, waaronder CENTES 1 in Buenos Aires, waarvoor haar naam werd voorgesteld door psychoanalytica en onderwijzeres Nadia M. Graziano. Ook in België en Brazilië inspireerde de school van Bonneuil-sur-Marne initiatieven in de vroege kinderzorg.

Werk in de psychoanalyse en pedagogiek

Maud Mannoni was een Franse psychoanalytica van Nederlandse oorsprong, gespecialiseerd in criminologie. Zij werd geboren op 23 oktober 1923 in Kortrijk, België, en overleed op 15 maart 1998 in Parijs. In Frankrijk geldt zij als een belangrijke figuur binnen de psychologie, de psychoanalyse en het lacanisme. Tegen het einde van de jaren 1960 richtte zij, na gesprekken met Jacques Lacan, de Experimentele School van Bonneuil-sur-Marne op. Haar methode inspireerde openbare instellingen voor vroege kinderzorg, zoals CENTES 1 in Buenos Aires, Argentinië, waarvoor de psychoanalytica en lerares Nadia M. Graziano haar naam had voorgesteld. Ook in België en Brazilië oefende de Experimentele School van Bonneuil-sur-Marne invloed uit op instellingen voor vroege kinderzorg.

Jeugd in Colombo

Maud Mannoni werd gedurende haar eerste zes levensjaren verzorgd en opgevoed door een Singalees echtpaar op het familiedomein. Haar ouders zagen haar door hun werkredenen slechts vijftien minuten per dag. Voor de communicatie met het Singalese echtpaar en met Maud zelf gebruikten zij het Engels. Maud kreeg van het echtpaar ook haar opleiding in het Engels. Tijdens haar jeugd had zij bovendien een Singalese kindermeid, Aya. Haar vader was in Colombo consul-generaal van Nederland.

Verlies, ontheemding en de rol van de grootvader

Toen haar vader door een politieke situatie onverwacht naar Nederland werd geroepen, zou Maud Mannoni samen met Aya haar ouders al vooruitgaan naar Europa en haar grootouders van moederskant in Kortrijk ontmoeten. Aya besliste echter om niet met haar mee naar Europa te reizen. Mannoni ervoer dat als verlating en raakte gedesoriënteerd: zij wist niet meer wie zij was, waar zij naartoe ging of in welke situatie zij zich bevond. Zij scheepte in met een jongere zus en een Franse gouvernante, maar hield van die overtocht alleen angstaanjagende herinneringen over.

In Parijs werd zij opgevangen door een tante van moederskant en ontmoette zij er ook haar grootouders van moederskant. Zij kreeg steun van het echtpaar dienstboden dat haar moeder had grootgebracht. Toch probeerde zij geregeld te ontsnappen aan haar Franse gouvernante om tijd door te brengen met haar grootvader. Hij werd haar vertrouwenspersoon. Haar grootvader leidde een linnenfabriek en sprak met haar over zijn naderende dood. Hij vertelde over een leven met dertien kinderen en zeven overlijdens. Die gesprekken maakten de dood tot een terugkerende gedachte in Mannoni’s innerlijke leven.

Na ongeveer drie maanden hervond zij door haar grootvader enig gevoel van veiligheid. Terwijl zij Frans leerde, verloor zij haar moedertalen, Engels en Hindi. Spelletjes met haar grootvader en haar ooms hielpen haar om zich niet volledig te verliezen. In haar grootvader zag zij iemand die haar richting gaf en opnieuw de toegang tot idealen opende.

Later verhuisden haar ouders naar Amsterdam en schreven zij haar daar in voor de lagere school. In Amsterdam werd zij opgevangen door een Nederlandse gouvernante. Haar vader begon Nederlands te leren omdat hij niet met haar kon communiceren. Tijdens de wintervakanties bleef haar grootvader van moederskant haar nog twee jaar steunen, maar de familie hield zijn dood voor haar verborgen. In Amsterdam beleefde Mannoni een totale eenzaamheid. Tussen haar zesde en elfde jaar had zij geen vrienden of gezelschap, behalve de herinnering aan haar grootvader. Leeftijdsgenoten wezen haar af en aanvaardden haar niet. Ook de familie van haar vader was afwezig, nadat hij de banden met hen had verbroken.

Haar moeder schreef haar later in op een niet-confessionele school met Franstalige Belgische leerkrachten. Tegelijk meende haar moeder dat Mannoni te weinig deugden bezat om te trouwen, omdat zij sociaal moeilijk uit de verf kwam.

Studie en werk in Brussel en Antwerpen

Maud Mannoni werd naar Brussel gestuurd om de eentonigheid van de stad te ontlopen. Ze koos er de enige universiteit die in opstand kwam tegen de bezetters. Ze werd aan de universiteit toegelaten nadat ze in het Brusselse ziekenhuis Nrugmann psychiatrische analyse had ondergaan. Later volgde zij opnieuw psychiatrische analyse, ditmaal in een kinderpsychiatrische dienst in Antwerpen.

De politieke context maakte het haar onmogelijk om openlijk uitdrukking te geven aan haar overtuiging dat patiënten ook buiten de ziekenhuizen anders konden spreken. Vervolgens ging Mannoni werken binnen een soepel systeem in een Antwerpse arbeiderswijk. Dat systeem ving adolescenten op met geestelijke zwakte en psychose. In Antwerpen bracht zij dagen in de buitenlucht door en werkte zij mee aan een rondreizende theatercampagne. Na een bombardement eindigde die ervaring en werden de jongeren overgebracht naar instellingen voor sociale verdediging. Na de oorlog voltooide Mannoni haar opleiding criminologie aan de universiteit.

Analyse, gezin en klinische praktijk

In 1948 werd Maud Mannoni benoemd tot analist en lid van de Belgische Vereniging voor Psychoanalyse. Tijdens de oorlogsjaren vond zij steun in haar relatie met een econoom die later minister werd; zij zou haar latere oriëntatie volledig aan hem te danken hebben, nadat hij in Parijs de analyse had ontdekt. Die relatie eindigde toen hij besloot te trouwen met de dochter van een senator. Mannoni verliet daarop Brussel met de bedoeling te promoveren aan de Columbia Universiteit in New York, maar vestigde zich uiteindelijk in Parijs, waar zij analytische opleiding volgde in het Ziekenhuis Trousseau. Via Mireille Monod kwam zij daar in contact met Françoise Dolto, en zij werd opgenomen in de familie van Françoise en Boris Dolto. Dolto bracht haar in contact met de klinische praktijk, terwijl Jacques Lacan haar experimentele ervaringen autoriseerde. Mannoni was een leerlinge van Jacques Lacan, Daniel Lagache en Françoise Dolto. In 1948 huwde zij met Octave Mannoni, etnoloog, psychoanalyticus en hoogleraar filosofie. Haar studies waren niet mogelijk geweest zonder de erfenis van een tante van vaderszijde na haar overlijden. In februari 1950 werd haar zoon Bruno geboren in de kliniek Belvédère in Boulogne. Tijdens een periode van totale eenzaamheid werd zij enkel bezocht door een huishoudhulp, maar tien dagen na de bevalling hervatte zij haar werk als analist; kort daarna stierf haar vader. Haar eerste twee geanalyseerde patiënten waren een overlevende van een concentratiekamp en een in het ziekenhuis opgenomen mentaal zwak kind. Vanuit die ervaringen begon zij meer nadruk te leggen op het luisteren naar het familiale drama achter het symptoomkind, en merkte zij op dat bij de behandeling van de stoornis van het kind soms ook de ziekte van de ouders zichtbaar wordt. Zij schreef over de genezing van volwassen psychoses, wat de interesse van Lacan wekte, en leidde later een lacaniaanse groep. Ook publiceerde zij La première consultation avec le psychanalyste, waarin zij stelde dat psychoanalyse geen geneeskunde is en dat men zich niet op symptomen moet fixeren. Zij werkte nooit voltijds als analist in privépraktijk. In 1960 werd zij politiek actief en steunde zij samen met haar echtgenoot de Algerijnse onafhankelijkheid van Frankrijk. Met het boek L'enfant retardé et sa mère uit 1964, met steun van Lacan, begon zij zich nadrukkelijk te interesseren voor kinderen met problemen.

Onderzoek naar mutisme en instellingen voor kinderen

Tussen 1963 en 1967 analyseerde Maud Mannoni het mutisme van opvoeders die met autistische kinderen werkten. Zij stelde vast dat deskundige teams rond psychose in instellingen voor kinderen weinig nut hadden. Volgens haar voelden opvoeders zich in sterk hiërarchische structuren als gevangenen naast de kinderen. Mannoni beschouwde die kinderen als de belichaming van een waarheid over ongemak, tot aan het uiterste punt waarop zij hun spraak verloren.

Bonneuil en analytische vorming

Op 12 september 1969 werd in Bonneuil-sur-Marne de Experimentele School van Bonneuil opgericht door Robert Lefort, Rose Marie, Yves Guérin en anderen. De school had als doel psychotische kinderen opnieuw in de samenleving te integreren en bood een structuur aan kinderen die in traditionele psychiatrische ziekenhuizen niet behandeld werden. Zij nam psychotische kinderen op met schoolproblemen en zware neurosen. De werking werd beïnvloed door Donald Winnicott, die er ook als klinisch supervisor optrad. Binnen dit project werd erkend dat jonge patiënten nood hebben aan een plaats voor emotioneel leven en dat mensen anderen nodig hebben om op terug te vallen, vooral na het wegvallen van de gezinsstructuur. Na de publicatie van El psiquiatra su loco y el psicoanálisis kreeg de school kritiek van instellingen, maar zij werd verdedigd door Lacan. In juli 1982 richtte de oprichtster samen met haar echtgenoot en Patrick Guymard het Centrum voor Psychoanalytische Vorming en Onderzoek op, met de bedoeling werk, onderwijs, onderzoek en analytische opleiding te verzekeren. Haar redactionele activiteit concentreerde zich op het tijdschrift Esquiases Analytiques, en samen met P. Guyomard leidde zij de reeks L’Espace analytique. In 1994 stichtte zij ook de Vereniging voor Psychoanalytische Vorming en Freudiaans Onderzoek van Espace analytique.

Klinische aanpak en theoretische invloeden

Maud Mannoni werkte in haar klinische praktijk op het kruispunt van de theoretische tradities van Donald Winnicott en Jacques Lacan. Zij had Winnicott als klinisch supervisor en Lacan als leraar en analyticus. In haar benadering stond het discours van de ouders centraal in de symptomen van het kind, evenals het bredere familiale en collectieve discours rond het kind. Aanvankelijk onderzocht zij kinderen die door de psychiatrie en de psychoanalyse als mentaal zwak werden beschouwd, en zij publiceerde hierover onder meer ‘Het achtergebleven kind en zijn moeder’. Later bestudeerde zij hoe het collectieve spreken over het kind binnen de groep zelf doorwerkt, en benadrukte zij dat luisteren naar dat collectieve discours essentieel is om de ziekte van het kind te begrijpen.

Mannoni werkte samen met Françoise Dolto om Lacans opvatting van het onbewuste te verspreiden en verzette zich tegen de dominante kleiniaanse psychoanalytische stellingen van het midden van de twintigste eeuw in Europa. Zij paste Lacans idee toe dat het onbewuste gestructureerd is als taal in kinderklinieken, en maakte luisteren naar het familiediscours tot een kern van het therapeutische proces. In haar teksten, zoals ‘Het kind, zijn ziekte en de anderen’, ‘De psychiater, zijn “gekke” en de psychoanalyse’ en ‘Onmogelijke opvoeding’, toonde zij aan dat ernstige kinderpathologieën verbonden zijn met ouderlijk discours en onbewuste fantasieën. Daarbij wilde zij het verborgen discours blootleggen dat het kind tot een inert object maakt, om het kind opnieuw als subject van zijn of haar eigen discours te herstellen.

Aan het einde van de jaren 1960 richtte zij de Experimentele School van Bonneuil op. Die instelling was bedoeld als een plaats om kinderen te begeleiden in levensrisico’s en om jongeren te ondersteunen in hun hulpeloosheid, eerder dan hen meteen te normaliseren of te genezen. Deze opvatting sloot aan bij Winnicotts oorlogservaring als adviseur voor het kinderontruimingsplan in Groot-Brittannië en bij zijn idee dat instellingen jongeren ruimte moeten geven om te bestaan via afwijzing zonder onmiddellijke normalisering. De instelling vormde ook een inspiratiebron voor ervaringen zoals Bonneuil in Frankrijk en Kingsley Hall in Londen, en ging vooraf aan de antipsychiatrische beweging die uit Kingsley Hall ontstond.

Scroll naar boven