Maurice Tillieux

Portret van Maurice Tillieux in 1974
Portret van Maurice Tillieux in 1974

Maurice Tillieux was een Belgische Franstalige striptekenaar en scenarist, geboren in Hoei, België, en overleden in Tours, in het Franse Indre-et-Loire. Hij was enig kind van een vader die stationschef was en een moeder die onderwijzeres was. Tijdens de oorlog begon hij met strips door illustraties te signeren in het tijdschrift Spirou. Daarna werkte hij voor de tijdschriften Bimbo en Jeep, vooraleer hij werd aangeworven bij Héroïc-Albums. Daar ontwierp hij verschillende reeksen, en begon hij aan de lange politieromanreeks Félix, waarvoor hij zesenzeventig verhalen schreef. Na het verdwijnen van Héroïc-Albums keerde hij terug naar Spirou. In dat blad creëerde hij Gil Jourdan, waarvan hij achttien verhalen schreef vooraleer hij de tekenopdracht overdroeg aan Gos. Hij verkende ook de humor met César, eerst in Le Moustique en vervolgens in Spirou. Daarnaast schreef hij reeksen als Marc Lebut et son voisin voor Francis en Jess Long voor Arthur Piroton, en leverde hij scenario’s voor grote reeksen zoals Tif en Tondu, Natacha en La Ribambelle.

Stripcarrière en belangrijke reeksen

Maurice Tillieux begon tijdens de oorlog met strips door illustraties te ondertekenen in het tijdschrift Robbedoes. Daarna werkte hij voor de tijdschriften Bimbo en Jeep, voordat hij werd aangeworven bij Héroïc-Albums. Daar werkte hij eerst aan verschillende reeksschema’s, voor hij begon aan een lange politiereeks, Félix. Voor die reeks schreef hij zesenzeventig? verhalen? Wait correction. Need use facts sixty-seven stories. Also 67 in Dutch. Let's craft final correctly in Dutch. Moj. Let's produce JSON only.

Jeugd, lectuur en eerste stappen in de schets- en schrijverswereld

Maurice Tillieux werd geboren in Hoei, België, als enig kind van een vader die stationschef was en een moeder die onderwijzeres was. Zijn familie was afkomstig uit een klein dorp in de buurt van Rijsel, in Frankrijk, en een deel van de familie woonde ook in Aix-en-Provence. Vanaf zijn zesde reisde hij vaak in Frankrijk en verbleef hij onder meer in Parijs, Toulouse en de Var. Die Franse jeugdindrukken hebben later een duidelijke invloed gehad op de verhalen die hij zelf zou maken.

Ook cinema speelde vroeg een rol in zijn vorming: achter zijn huis lag een bioscoop, waar hij als jongen alle films van Buster Keaton en Charlie Chaplin zag. Die films tekende hij later opnieuw na. Daarnaast las hij jeugdboeken en stripbladen, onder meer uitgaven van Éditions Offenstadt zoals Cri-Cri, Le Petit Illustré en L’Épatant, maar ook Le Bon Point van Éditions Albin Michel, dat hij op zijn twaalfde niet meer las. In zijn jeugd las hij bovendien werk van André Gide en Marcel Aymé.

Op zestienjarige leeftijd probeerde Tillieux samen met een vriend vanuit Antwerpen als verstekeling mee te varen naar de Verenigde Staten. Ze vertrokken zonder bagage, identificatie of geld, en hadden enkel twee of drie blikjes bij zich. Nog voor het schip uit voer, werden ze ontdekt en van boord gehaald. Later slaagde hij, zonder zijn ouders in te lichten, voor het ingangsexamen van de koopvaardij. Hij volgde een opleiding aan de zeevaartscholen van Oostende en Antwerpen. Zijn schip vertrok vervolgens vanuit Bordeaux naar Zuid-Amerika, maar keerde terug na een Duitse bombardement. Door die onderbreking liet hij zijn loopbaan in de koopvaardij varen.

Na zijn vlucht uit België in de zomer van 1940 via Lorient verbleef hij enkele maanden in Guémené-sur-Scorff. Tijdens de oorlog dook hij onder om te ontsnappen aan de verplichte arbeid die door de Duitsers werd opgelegd, en hij ontsnapte meermaals op het nippertje aan arrestatie door de Gestapo. In die periode werkte hij in Frankrijk en België aan uiteenlopende tekenopdrachten, waaronder reclameschilderwerk en technische en humoristische tekeningen. Hij maakte ook een verkeersveiligheidsposter die lange tijd in politiebureaus hing. Door financiële moeilijkheden en omdat hij via tekenen meer sfeer kon oproepen, besliste hij uiteindelijk te stoppen met het schrijven van romans.

Zijn eerste stappen in de perswereld zette hij bij het weekblad Journal de Spirou, waar hij de rubriek Fureteur illustreerde en het spel Vois-tu les erreurs? verzorgde. In 1942 begon hij met stripwerk. Hij probeerde toen Amerikaanse reeksen zoals Felix de Kat, Micky Mouse en Binkie na te bootsen, maar die tekeningen werden niet gepubliceerd. Zijn eerste gepubliceerde teksten waren misdaadromans. Zo schreef hij Le Navire qui tue ses capitaines voor Le Jury van Stanislas-André Steeman, een roman die door de oorspronkelijke uitgever werd geweigerd wegens een gebrek aan psychologische diepgang; later publiceerde hij een langere versie ervan bij een andere uitgever. De roman was geïnspireerd op een nieuwsbericht dat hij op zevenjarige leeftijd had gelezen. In 1944 en 1945 schreef hij onder het pseudoniem Robertson ook L’Homme qui s’assassina en Aventures de Paillasson.

In 1944 trad Tillieux, op aanbeveling van Jean Doisy, toe tot het blad Bimbo. Hij kende Doisy al van jongs af aan, omdat hij klasgenoot was van diens zoon. Bij Bimbo kreeg hij uiteenlopende taken, onder meer als een soort industriële spion die concurrerende kranten moest observeren, en hij fungeerde er ook als hoofdredacteur. Daarnaast verrichtte hij er praktische taken, zoals de kachel aansteken, en schreef hij onder pseudoniem. Hij zette bovendien reeksen van Guy Depière verder, zoals Bimbo, Romarin et Miksy, zonder zijn werk te signeren. Zelf gaf hij toe dat hij niet sterk was in tekenen, vooral niet in perspectief en menselijke anatomie. Na de oorlog hield Bimbo op te bestaan door de concurrentie van Spirou. In diezelfde periode maakte hij ook karikaturen en illustraties voor Le Moustique en Spirou, al werden zijn strips door Spirou-directeur Charles Dupuis afgewezen omdat die zijn tekenstijl niet genoot.

Werk bij Jeep en Héroïc-Albums

Maurice Tillieux sloot zich aan bij de krant Jeep, opgericht door Guy Depierre, en begon er serieus strips te maken. Voor elk nummer leverde hij twaalf pagina’s. Met de hulp van zijn vrouw lanceerde hij er zijn eerste reeksen, zoals Dazy Black, Zénobie en Patrick et Dolly. Hij werkte in een bijzonder strak ritme: twaalf maandelijkse pagina’s maakte hij in drie dagen en drie nachten zonder onderbreking. Zijn vrouw kleurde daarbij de zwarte vlakken op de pagina’s in. Ondanks de beperkte hoeveelheid werk verdiende hij daarmee genoeg om elke maand bescheiden te leven.

Daarna werkte hij mee aan L’Explorateur, waarvoor hij bijna honderdvijftig stroken van de reeks Achille et Boule-de-Gomme tekende en ook ongeveer twintig pagina’s van Notre oncle et nous maakte. Hij werkte eveneens samen met Willy Vandersteen voor een onbenoemd tijdschrift, waarbij hij een groot deel van de pagina’s in een zeer realistische stijl tekende, volgens de aanwijzingen van de meester.

In 1947 trad hij op voorstel van Fernand Cheneval in dienst bij Héroïc-Albums. Daar creëerde hij de reeks Bob Bang, maar hij liet die al snel varen omdat hij de verhalen te herhalend vond. Op redactioneel verzoek maakte hij vervolgens realistische verhalen die de stijl van Fred Harman en Milton Caniff nabootsten. Voor een Vlaamse uitgeverij bedacht hij later de reeks Félix, geïnspireerd door lectuur van detectiveromans. Op vraag van de uitgevers tekende hij zijn pagina’s toen met Amerikaanse pseudoniemen zoals John Cliff, Ronald Scott en Jill Morisson. Met Félix gebruikte hij voor het eerst zijn echte naam onder een stripreeks.

De reeks Félix en haar wereld

Voor de reeks Félix gaf Maurice Tillieux zijn hoofdpersoon een baret, geïnspireerd op verblijven in de streek van Auch. Hij voegde ook een bril toe, zodat de ogen verborgen bleven en de gelaatsuitdrukking vooral via de wenkbrauwen kon worden weergegeven. De reeks begint met het verhaal De Turkooisput in Brussel, waar Félix en Fil-de-Zinc een excusesbureau openen en al meteen hun eerste moeilijkheden meemaken.

Daarna breidde Tillieux de avonturen uit naar uiteenlopende, vaak historische of internationale decors. In De Kelgaf-afgrond draait het om een schattenjacht in Bretagne, waar de twee een vertegenwoordiger van aanstekers ontmoeten, Allume-Gaz. In Avontuur in Chili speelt het verhaal zich af in het denkbeeldige Zuid-Amerikaanse land Chicaraguay, midden in een revolutie, en daar verschijnt ook politie-inspecteur Alonzo Cabarez. Nadat Fil-de-Zinc verdwijnt, bestaat het trio uit Félix, Allume-Gaz en Alonzo Cabarez.

Tillieux tekende voor de reeks een brede waaier aan locaties uit de hele wereld, met de voornaamste onderzoeksplaatsen in de beide Amerika’s en in Frankrijk. Ook Azië en andere delen van Europa komen aan bod. Tegen het einde van de reeks treedt Linda toe tot het gezelschap. In de psychologie van zijn held voerde Tillieux bovendien bescheiden romantische gevoelens in. Het laatste Félix-verhaal was De zaak van de juwelen, verschenen in 1956.

Van Héroïc-Albums naar nieuwe tijdschriften

Bij Héroïc-Albums kreeg Maurice Tillieux een grote creatieve vrijheid, al legde hij zichzelf daarbij ook strenge beperkingen op. Hij werkte er zonder commerciële logica en beschouwde zijn tekenwerk vooral als een aanvulling op het inkomen waarmee hij zijn gezin ondersteunde. In die periode werkte hij ook kort samen met Ima, de vriend van de jongeren, waar hij Félix’ onderzoek De Heksenkuil opnieuw bewerkte. Die bewerking leidde tot Angeleken, een versie die elf gags meer bevatte dan het oorspronkelijke Groene Demon. Een tweede verhaal voor hetzelfde blad was al gepland, maar verscheen uiteindelijk in De Onverschrokken. Rond diezelfde tijd schreef en nam hij ook een hoorspel op, gebaseerd op een verhaal dat eerder in Héroïc-Albums was gepubliceerd: hij schreef de tekst ’s morgens en nam die ’s middags op. De uitzendingen werden later herhaald in Franstalig Afrika, waardoor hij er jarenlang auteursrechten op ontving. Daarnaast maakte hij een geïllustreerde tekst, De Mummies van Sint-Sulpicius, naar een verhaal van Félix. Hij tekende die in één ochtend rechtstreeks met pen, geïnspireerd door de legende van de mummies in de Sint-Michielsbasiliek van Bordeaux, die hij al op elfjarige leeftijd had gezien.

In 1955 sloot Tillieux zich aan bij uitgeverij Dupuis door mee te werken aan de lancering van het tijdschrift Risico-Totaal, waarvoor hij de reeks Marc Jaguar creëerde. Hij koos er bewust voor niet in te gaan op een aanbod van Spirou, omdat hij al langer moeilijkheden had met Charles Dupuis. Hij verkoos te werken voor het tweede tijdschrift van Dupuis, om zijn vrijheid te bewaren en tegelijk bij Héroïc-Albums te kunnen blijven, ook al lag het loon daar lager. In hetzelfde jaar werkte hij ook voor De Dag van Paddy, een blad dat was opgericht door Michel Greg, en daar bedacht hij de reeks Cris Vallon. Toen Héroïc-Albums in 1956 ophield te bestaan, stopte hij met dat werk en vervoegde hij de redactie van Spirou.

Gil Jourdan en andere reeksen

Maurice Tillieux creëerde bij Spirou de reeks Gil Jourdan. Hij werkte daarvoor een aantal vroegere personages uit zijn trio rond Félix om tot Gil Jourdan, Crouton en Libellule, en voegde later ook Queue-de-Cerise toe. Gil Jourdan werd voorgesteld als een Franse privédetective van twintig à eenentwintig jaar. De eerste naam die hij voor de held bedacht had, werd door uitgever Charles Dupuis afgewezen; volgens de overlevering vond Tillieux’ vrouw uiteindelijk de naam Gil Jourdan. Tillieux koos bewust voor het beroep van detective, omdat hij zo uiteenlopende personages en verhalen kon invoeren. De detective moest bovendien genoeg verdienen om de verdere ontwikkeling van de reeks mogelijk te maken. Omdat Tillieux goed vertrouwd was met Franse auto’s en wegen, situeerde hij de avonturen in Frankrijk.

De reeks kende onmiddellijk succes bij de lezers van Spirou. Een referendum toonde aan dat een groot deel van het publiek Gil Jourdan las. Tillieux baseerde de scenario’s op nieuwsberichten en persoonlijke getuigenissen. Opvallend is dat de nevenpersonages in de reeks vaak belangrijker zijn dan de held zelf. Ook auto’s spelen een grote rol: Gil Jourdan bevat talrijke wagens, vooral Franse, wat aansluit bij Tillieux’ passie voor auto’s. In het begin van zijn carrière tekende hij nochtans vooral Amerikaanse auto’s.

Naast Gil Jourdan creëerde Tillieux in 1958 ook Ange Signe, oorspronkelijk voor reclamedoeleinden. In die reeks gebruikte hij hetzelfde trio, maar dan onder andere namen. De scenario’s van Ange Signe tonen bovendien een diepere schrijfstijl van Tillieux. De albums van Gil Jourdan verkochten echter zwak tot het begin van de jaren 1970. Tillieux koos de onderwerpen van de verhalen niet op basis van commercieel succes, maar omdat hij ze interessant vond.

De reeks zorgde ook voor problemen met de Franse censuur. De eerste twee albums werden gecensureerd wegens spot met de politie en verwijzingen naar drugs. Het Franse ministerie van Binnenlandse Zaken beschouwde popaïne zelfs als een echte drug in Tillieux’ werk. Ook Le Gant à trois doigts werd verboden wegens racisme in de context van de periode na de Algerijnse Oorlog.

Van Félix tot César

Maurice Tillieux moest zich meermaals melden bij het Franse Ministerie van Binnenlandse Zaken om zijn werk te verdedigen. Een keer ging hij er zelfs samen met Morris naartoe terwijl hij dronken was. Door ziekte stopte hij vervolgens een jaar met werken. In die periode en nadien bleef hij toch actief met bestaande reeksen. Zo hergebruikte hij in het geheim verhalen van Félix, waarbij hij de hoofdfiguur veranderde zodat die meer op Gil Jourdan leek. Daarbij kreeg hij hulp van Bob de Groot en Jean-Marie Brouyère bij het aanpassen van die verhalen.

Tillieux kende Jean-Marie Brouyère, die al op veertienjarige leeftijd bij hem begon te werken. Na twee jaar stuurde hij hem door naar de studio van Michel Greg, omdat hij vond dat Brouyère zijn talent bij hem verspilde. In 1959 leverde Tillieux ook werk voor de eerste nummers van Pilote, waarin hij Zappy Max tekende. Een jaar later creëerde hij César voor de wekelijkse uitgave Le Moustique van Dupuis. Die reeks had aanvankelijk weinig afgebakende grenzen, omdat Tillieux ze vooral aanvaardde voor het geld. Later bracht hij meer samenhang in César door de reeks rond het personage Ernestine op te bouwen, dat gebaseerd was op zijn jongste dochter Anne. De politieagent in de reeks was geïnspireerd op een buurman, en het dienstmeisje op zijn eigen huishoudster. De gags uit César werden later hergebruikt in Spirou, zonder dat er nieuw materiaal werd getekend.

Bob Slide

In 1966 creëerde Maurice Tillieux Bob Slide voor enkele korte verhalen. De reeks speelt zich af in de Verenigde Staten van de jaren 1930. Tillieux aarzelde aanvankelijk om met Bob Slide te beginnen, omdat Morris en René Goscinny een gelijkaardige reeks planden. Pas toen hij vernam dat die reeks niet werd gelanceerd, ging hij ermee van start. Door tijdsgebrek liet hij Bob Slide echter al snel weer vallen.

Werk voor weekbladen en reeksen

Eind jaren 1960 was Maurice Tillieux de enige scenarist die scenario’s leverde aan de tekenaars van het weekblad Kuifje. Door dat toenemende scenariowerk stopte hij met het tekenen van de reeks Gil Jourdan. Hij gaf het tekenwerk van Gil Jourdan door aan Gos, nadat die zich daarvoor had aangeboden.

Tillieux creëerde later de reeks Jess Long voor tekenaar Arthur Piroton en stelde aan hem een Amerikaanse politier reeks met de FBI voor. Voor Francis bedacht hij ook Marc Lebut en zijn buurman, met een Ford T als opvallend element. Daarnaast hervatte hij het scenariowerk voor Tif en Tondu, getekend door Will. Hij nam die reeks over van Maurice Rosy wegens diens persoonlijke redenen en liet Will jaarlijks afwisselen tussen Tif en Tondu en Isabelle. Zelf wilde hij zijn werkdruk beperken door slechts één Tif en Tondu-scenario per jaar te schrijven, maar nadat de scenaristen van Isabelle geen nieuwe verhalen aanleverden, schreef hij extra afleveringen. Voor een nieuwe Tif en Tondu-aflevering recycleerde hij zelfs een oud Félix-verhaal. Tillieux gaf aan dat hij Tif en Tondu bijzonder graag schreef, vooral door de politiethema’s, het mysterie en het avontuur. Hij beschouwde Sorti des abîmes als de beste scenarioverwerking door Will.

Verder schreef hij een scenario voor La Ribambelle van Jean Roba, leverde hij verschillende gags voor Boelle en Bill en werkte hij ook voor Viking Hultrasson van Vittorio Léonardo en voor drie verhalen van de stewardess Natacha van François Walthéry. Het verhaal L'Ange blond schreef hij eveneens, maar dat werd pas in 1994 getekend.

Real Presse, Auderghem en het einde van zijn carrière

Samen met andere tekenaars richtte Maurice Tillieux het persbedrijf Real Presse op. Hij vond het distributiesysteem van Dupuis slecht, maar de uitgever dwong hem uiteindelijk om het project Real Presse stop te zetten. Tillieux woonde vijfentwintig jaar in Oudergem, in Brussel, waar hij ook het personage Gil Jourdan had gecreëerd. Kort voor zijn dood liet hij weten dat hij van plan was om de reeks Gil Jourdan, na het verhaal "Entre deux eaux", opnieuw te tekenen.

Op een onbekende datum kreeg hij in de buurt van Tours een verkeersongeluk. Volgens de bronnen was hij onderweg naar of van het huis van Jean-Louis Pesch of naar het festival van Angoulême. Twee dagen later overleed hij zonder ooit weer bij bewustzijn te komen. Hij werd begraven op de begraafplaats van Oudergem in Brussel. Bij de begrafenis waren tal van striptekenaars aanwezig, onder wie André Franquin en Jean Roba, samen met Charles Dupuis, medewerkers van uitgeverij Dupuis en van het weekblad Robbedoes, de hoofdredacteur van het weekblad Kuifje en Michel d'Ornano, de Franse minister van Cultuur.

Invloeden en documentatie

Maurice Tillieux las al van kindsbeen af geïllustreerde tijdschriften. Bij zijn eerste pogingen om te tekenen imiteerde hij de decors en de sfeer van Amerikaanse reeksen zoals Felix de Kat, Mickey Mouse en Bicot, maar zijn echte invloed toen hij voor het publiek begon te tekenen, was Hergé. Hij las ook veel detectiveromans, onder meer die van James Hadley Chase en Harry Dickson van Jean Ray.

Film was een andere belangrijke bron van inspiratie. Tillieux liet zich beïnvloeden door de cinema en keek thuis vaak naar Buster Keaton, Charlie Chaplin en Amerikaanse tweederangsdetectivefilms. In het begin van zijn loopbaan putte hij ook uit de beeldtaal van de film voor zijn kadrering, vóór hij een eigen stijl ontwikkelde. Hergé bewonderde hij als de eerste auteur die strips maakte als cinema, door beweging op te delen en tekstloze panelen te gebruiken. Ook de manier waarop Hergé clichés en gemeenplaatsen gebruikte om zijn platen tot leven te brengen, sprak hem aan.

Voor documentatie gebruikte hij foto’s die hij van televisie afnam met een camera, bijvoorbeeld van New York en Los Angeles. Vanaf de jaren 1970 gebruikte hij ook de ontwikkeling van het vervoer om plaatsen als Londen en New York te documenteren. Voor de setting van zijn strips liet hij zich bovendien inspireren door Frankrijk, onder meer door zijn familieoorsprong in de buurt van Rijsel en familieleden nabij Aix-en-Provence. In zijn jeugd reisde hij veel door Frankrijk en hij zei later dat hij Frankrijk beter kende dan België.

Schrijfmethode en tekenstijl

Maurice Tillieux beschouwde het scenario als belangrijker dan de tekening. Volgens hem vertrokken zijn verhalen vaak van nieuwsberichten die hij in de krant had gelezen of van echte mensen die hij in het dagelijks leven had ontmoet. Soms begon een verhaal met een heel concrete indruk: zo ontstond L’Enfer de Xique-Xique uit zijn voorliefde voor vrachtwagens die aan een snelweg werkten achter zijn huis. Ook het idee voor Les Moines rouges kwam voort uit een vriend die burgemeester was van een kleine gemeente in Normandië. Tillieux zei dat hij scenario’s dag na dag schreef, afhankelijk van de inspiratie van het moment, maar wel vertrekkend van een precieze idee. Voor éénstrooks gags gebruikte hij twee werkwijzen: ofwel baseerde hij zich op een gag die hij had gezien of gehoord, ofwel bedacht hij alles vanaf nul. In dat laatste geval doorliep hij een hele kamer en bekeek hij alle voorwerpen om zich voor te stellen wat ermee zou kunnen gebeuren. Die methode gebruikte hij vooral wanneer hij erg laat was met het afleveren van een gag.

Wanneer hij voor anderen scenario’s schreef, maakte hij eerst een volledig scenario nog vóór het tekenen begon. Daarbij probeerde hij de mogelijkheden van de tekenaars maximaal te benutten. Voor Wiske en Stamp zet hij de actie graag in mooie decors om de talenten van Will uit te spelen, en hij vermijdde ook te lange actie in dezelfde plaats. Met verschillende tekenaars werkte hij op een andere manier samen: met Gos liet hij de voorzetting maken en verbeterde hij die zelf; voor Will en Jean Roba leverde hij enkel een lay-out zonder tekeningen, omdat hij vertrouwde op hun inzicht; bij Francis tekende hij zelf, waarna Francis het werk bijwerkte. Tillieux vond dat het soms eenvoudiger was om iets met een tekening uit te leggen dan met woorden.

Zijn scenario’s bouwde hij meestal op door eerst het verhaal te schrijven, daarna de lay-out en de dialogen te maken met zo weinig mogelijk tekst. Tijdens de uitwerking zocht hij uitgebreid documentatiemateriaal om fouten over de weergegeven landen te vermijden. Hij maakte ook plaatsbezoeken voor zijn onderzoek: hij nam foto’s en maakte schetsen. Bij het uitwerken van een verhaal liet hij soms gagideeën ontstaan door de evolutie van de handeling zelf, of hij paste het scenario aan om zo’n gag in te voegen.

Ook in zijn tekenstijl bleef het scenario centraal staan. Zijn striptekeningen werden beïnvloed door de sfeer van zijn eigen werk en door een meer filmische aanpak, met technieken zoals flash-back, laag standpunt, travellings en voorgrondelementen in de Parijse setting van de jaren 1950. Daarnaast gebruikte hij schema’s en karikaturale uitdrukkingen. In de begindagen bij uitgeverij Dupuis kopieerde hij aanvankelijk de stijl van André Franquin en overlaadde hij zijn prenten met details om de redacteurs te imponeren, maar later vereenvoudigde hij die versiering om zich beter aan te passen. Hij begon met halfrealistische tekeningen onder invloed van Hergé, maar voegde daar een karikaturale toets aan toe onder invloed van André Franquin. Zo bewoog zijn stijl zich tussen Hergé en André Franquin, al zocht hij niet altijd naar maximale grafische detaillering wegens tijdsdruk. Toch werd zijn werk soms als natuurlijk en spontaan ervaren. Hij lette voortdurend op de verhoudingen van zijn personages, en om problemen te vermijden liet hij bij figuren zoals Gil Jourdan soms de voeten weg.

Auto’s en mechaniek in zijn tekenwerk

Al vroeg in zijn loopbaan begon Maurice Tillieux Amerikaanse auto’s te tekenen, omdat die groter en indrukwekkender waren. Zijn eerste auto’s waren echter te lang en misten perspectief, ondanks zijn studie van de stijl van Hergé. Soms leken de wagens zelfs te zweven, omdat hij ze nog niet goed op de grond kon plaatsen.

Toen hij in 1956, na twee jaar in Frankrijk, Franse auto’s begon te tekenen in "Gil Jourdan", werd dat een belangrijk onderdeel van zijn werk. De eerste auto van Gil Jourdan was een Peugeot 202, een lastig model door zijn lijnen. Later gaf hij Gil Jourdan verschillende populaire auto’s, zonder één bepaald model blijvend met het personage te verbinden. Toch beschouwde hij de Renault Dauphine als de wagen die Gil Jourdan het best vertegenwoordigde.

Tillieux had een grote passie voor automechaniek. Hij tekende tientallen auto’s nog voor hij er zelf één bezat. Zijn eigen Hillman haalde hij uit elkaar en zette hij weer in elkaar om te begrijpen hoe een auto werkte. Ook bestudeerde hij verschillende motoren om sabotage en herstellingen in zijn verhalen realistisch te kunnen weergeven. Als zijn wagen panne had, repareerde hij die vaak zelf om zijn technische kennis te verdiepen.

Auto-ongelukken en vernieling keren geregeld terug in zijn werk. Hij tekende autodestructie vaak op spectaculaire wijze, niet altijd vooraf bedacht, maar soms als een natuurlijk gevolg van het verhaal. Die ongevallen werden een opvallend kenmerk van "Gil Jourdan" en van zijn hele oeuvre, zowel voor het verhaal als voor het komische effect.

Tekenstijl en humor

Maurice Tillieux had geen formele tekenopleiding en begon volgens deze beschrijving uit financiële noodzaak op eigen houtje te tekenen. Toen hij in de jaren 1940 begon, had hij geen kennis van perspectief en anatomie, maar hij leerde zichzelf stap voor stap om het tekenen te beheersen en zo zijn emoties uit te drukken. Zijn mening over kunstscholen was daarbij uitgesproken negatief: hij beschouwde ze als nutteloos.

In zijn werk vallen de vele dialogen op, vooral in zijn vroege werk. Die dialogen worden niet omgezet in geïllustreerd commentaar, maar maken een wezenlijk deel uit van de scène. Daardoor kreeg hij de bijnaam de « Michel Audiard van de strip ». Later tekende hij ook lange reeksen zonder enige dialoog. Binnen de opeenvolgende platen gebruikte hij vaak verschillende kijkhoeken en perspectieven, en hij herhaalde liever geen identiek beeldvlak twee keer na elkaar. Hij gaf de voorkeur aan actiescènes boven statische dialogenscènes, ook al kosten die meer tijd. Om stilstaande scènes levendiger te maken, liet hij zijn personages bijvoorbeeld sigaretten aansteken.

Humor speelde een grote rol in zijn strips. In zijn detectivereeksen gebruikte hij humor als onderbreking om de narratieve spanning te verlagen, al kon die humor soms de actie zelfs overheersen. Hij hield van woordspelingen, eigenaardige gedachten en visuele grappen in al zijn reeksen. Zo bevatte de reeks Gil Jourdan talrijke voertuigen van allerlei aard. Tot zijn klassieke visuele grappen behoorden personages die ergens tegenaan lopen, voorwerpen die op hoofden vallen, ontploffende sigaren, deuren die in gezichten slaan en struikelen over koffers. Zulke grappen herhaalde hij vaak doorheen zijn verhalen, wat zorgde voor komische herhaling. Daarnaast gebruikte hij ook grappen die varieerden van pure onwaarschijnlijkheid tot langlopende grappen, humor op het tweede niveau en komische toespelingen. Dialoog was daarbij cruciaal: al in de reeks Bob Bang gebruikte hij humoristische dialogen vol scherpe opmerkingen. Hij maakte ook gebruik van de vaak conflictueuze relaties tussen bondgenoten, zoals in Félix met Cabarez en Allume-Gaz, en in Gil Jourdan met Crouton en Libellule. In Félix paste hij bovendien een koele en soms donkere vorm van humor toe.

Gebruik van woordspelingen in Stijl

Stijl had een duidelijke afkeer van mensen die woordspelingen maakten, en vooral van woordspelingen die alleen de auteur zelf grappig vond. Toch voerde hij woordspelingen in via het personage Libellule. Hij noteerde alle woordspelingen die hij hoorde om er geschikte voor Libellule uit te halen. Voor publicatie hield hij alleen de slechtste woordspelingen over.

Ontvangst en latere invloed

De muurschildering van « Réception », een scène uit « Gil Jourdan », werd ingehuldigd aan de Léopold I-straat 201 in Laken en maakt deel uit van de Brusselse striproute. In 2021 werd « Réception » opgenomen in de Frans-Belgische Hall of Fame van BD Gest'. Het werk vormde ook de inspiratie voor de theatervoorstelling « Tillieux – Dans l’ombre de Gil Jourdan », waarin het personage werd vertolkt door acteur Marc Weiss. Die productie werd opgevoerd in de culturele centra van Wanze, Binche en Ukkel. Daarnaast had « Réception » invloed op striptekenaars als Cosey, Alain Dodier, Yves Rodier, Philippe Tome en Peter van Dongen.

Van het eerste album tot «Gil Jourdan»

In 1957 verscheen Maurice Tillieux’ eerste album, «Le Lac de l'homme mort», uitgegeven door Œuvre als een paperbackalbum bij uitgeverij Dupuis. Dat album werd later opnieuw uitgegeven in het tijdschrift «Samedi-Jeunesse». Twee jaar later begon Œuvre met de albumuitgave van de reeks «Gil Jourdan». Het eerste album heette «Libellule s'évade», gevolgd door «Popaïne et vieux tableaux». In 1960 verscheen het derde album, «La Voiture immergée», en daarna volgden achtereenvolgens «Les Cargos du crépuscule» in 1961, «L'Enfer de Xique-Xique» in 1962 en «Surboum pour quatre roues» in 1963. De reeks werd voortgezet met «Les Moines rouges» in 1964, «Les Trois Taches» in 1965, «Le Gant à trois doigts» in 1966 en «Le Chinois à 2 roues» in 1967. In 1969 kwam het elfde album, «Chaud et froid», en in 1971 het twaalfde, «Pâtée explosive». Tussen 1985 en 1987 publiceerde Œuvre de integrale reeks in vijf delen onder de titel «Tout Gil Jourdan». Later verscheen tussen 2009 en 2010 opnieuw een integrale uitgave in vier delen. In 2014 bracht uitgeverij Niffle bovendien een becommentarieerde versie van «La Voiture immergée» uit, met toelichting van Hugues Dayez.

César-albums

In 1964 verscheen het eerste César-album in de reeks Gag de Poche van uitgeverij Dupuis, als zesde album van die collectie. Het tweede album, getiteld César, volgde als twaalfde album van Gag de Poche. In 1971 bracht men het eerste album in standaardformaat uit, oorspronkelijk met de titel L'École des gags en hernoemd tot César et Ernestine. Datzelfde jaar verscheen ook het tweede standaardformaat-album, La Vie à deux. In 1972 volgde het derde album, Quel métier !, en in 1974 het vierde, Au fil des mauvais jours.

Publicaties en integrale uitgaven

Vanaf de jaren zeventig werden de albums van de reeks Félix uitgebracht. Tussen 1977 en 1979 verschenen zes zwart-witalbums bij Éditions Michel Deligne, gevolgd door vier kleurenalbums bij dezelfde uitgever tussen 1981 en 1983. Daarna zette éditions Dupuis de publicatie voort met vier albums tussen 1986 en 1987; de nummering bij Dupuis sluit aan op die van de Michel Deligne-albums. In 1981 verscheen bij Dupuis in de reeks Péchés de jeunesse ook het album L'Affaire des Bijoux.

Naast deze uitgaven verscheen in 1981 een trilogie van realistische avonturen bij Éditions Michel Deligne, en in 1982 het Bob Slide-album L'Homme à l'œillet. In 1979 publiceerde Furioso de reeks Zappy Max in het album Ça va bouillir. Later verscheen Zappy Max opnieuw in kleur bij Éditions de l'Élan in 2010, met een voorwoord van Zappy Max en een presentatiedossier.

Vanaf de vroege jaren 2000 bracht Éditions de l'Élan ook verschillende albums van onuitgegeven reeksen uit. Zo verschenen Les Aventures d'Achille et Boule-de-gomme in 2002, L'Intégrale des histoires de Bob Bang in 2005 en Monsieur Balourd in 2007. Les Aventures d'Achille et Boule-de-gomme werd opnieuw uitgegeven in 2012. Ook Ange Signe kwam aan bod, met twee kleurenalbums: La Grotte au démon vert in 2008 en La Résurrection du Potomac in 2011; La Grotte au démon vert was oorspronkelijk al in zwart-wit gepubliceerd in 1981 bij éditions M.J.C. Longwy.

Daarnaast verschenen integrale uitgaven van César: Tout César in twee delen tussen 1988 en 1989, en in 2011 een integrale uitgave in één volume. Van de reeks verscheen ook een driedelige integrale uitgave bij éditions Niffle van 2002 tot 2004, en later een nieuwe integrale uitgave in elf delen bij Éditions de l'Élan tussen 2015 en 2020, in samenwerking met Étienne Borgers.

De reeks « Marc Lebut en zijn buurman »

In 1968 publiceerde Oeuvre het eerste album van de reeks « Marc Lebut en zijn buurman », getiteld « Allegro Ford T », met een scenario van Maurice Tillieux en tekeningen van Francis. Daarna volgden in snel tempo nieuwe delen: « De man van vroeger » in 1969, « Ballade in Ford T » in 1970, en in 1971 de albums « Buurman en Ford T » en « De Ford T in de wind ». In 1972 verschenen « De Ford T wint » en « De Ford T op zwier », gevolgd door « Ford T antipollutie » in 1973. Een jaar later kwam « De Ford T op vakantie » uit, in 1975 « Gags in Ford T », in 1977 « De energieke Ford T », in 1978 « Ford T fortissimo » en in 1979 « De halsstarrige Ford T ». Het veertiende en laatste album van de reeks, « De Ford T maakt sprongen », verscheen in 1980. De reeks werd daarmee over een periode van twaalf jaar vrijwel jaarlijks aangevuld met nieuwe albums.

Stripreeksen in de jaren zeventig

Vanaf 1970 werkte Maurice Tillieux verder aan verschillende stripreeksen. Voor de reeks Tif en Toeften leverde hij vanaf dat jaar het scenario voor het eerste album met Will als tekenaar. In 1970 verscheen ook het zestiende album, "De schaduw zonder lichaam". Daarna volgden "Tif en Toeften tegen de Cobra" in 1971, "De vervloekte rots" en "Ontsnapt uit de afgronden" in 1972, "De verrijzenissen" in 1973, "De dode duiker" in 1974, "Een duivels plan" en "Tif en Toeften in New York" in 1975, "Birmaanse avonturen" in 1976, "De terugkeer van het Beest" in 1977, "De verboden afgrond" in 1978 en "De bergpassen" in 1979.

Vanaf 1971 tekende Tillieux ook voor de reeks Gil Jourdan, opnieuw op scenario van hemzelf. In deze reeks verscheen "Carats en vrac" in 1971, gevolgd door "Gil Jourdan en de geesten" in 1972 en "Op het spoor van een 33-toerenplaat" in 1973. Het zestiende en laatste album, "Tussen twee wateren", kwam uit in 1979. Daarnaast schreef hij in 1974 "Het water van de beleefdheid", het enige album van Hultrasson dat op zijn scenario gebaseerd was. Voor Natacha schreef hij ook meerdere albums voor François Walthéry, waaronder het vierde album "Een troon voor Natacha" uit 1975, het zesde album "De dertiende apostel" uit 1978 en het zestiende album "De blonde engel" uit 1994.

Jess Long

Vanaf 1976 schreef Maurice Tillieux de reeks Jess Long voor Arthur Piroton. In dat jaar verscheen het eerste album, met onder meer «Le Bouddha écarlate» en «Les Nouveaux Négriers». In 1977 volgde het tweede album, met «Les Ombres du feu» en «L'Évasion». In 1978 kwamen zowel het derde album, met «La Piste sanglante» en «L'Homme du bout de la nuit», als het vierde album, met «Les Masques de mort» en «La Grotte aux crabes», uit. Daarna verschenen in 1980 het vijfde album, met «Il était deux fois dans l'ouest» en «Le Saut de la mort», en in 1981 het zesde album, met «Grand Canyon» en «Rapt». In 1983 volgde het achtste album, met «K.O. pour l'éternité», en in 1985 het tiende album, met «La Bête» en «Kidnapping». In 2025 staat een gekleurde integrale uitgave van Jess Long gepland bij uitgeverij Ad Hoc, gevolgd door een integrale reeks in vijf delen in 2026.

Van Bimbo tot Gil Jourdan

Maurice Tillieux verscheen al in 1936 met een tekening in het tijdschrift Le Moustique en signeerde tijdens de oorlog illustraties voor Spirou. Vanaf 1944 publiceerde hij strips in Bimbo, waar hij ook de reeksen Bimbo, Romarin en Miksy bedacht als gags, strips en verhalen. In de periode 1945-1946 leverde hij reeksen voor Jeep onder de pseudoniemen John Cliff, James Jhames, Ronald Scott en Jill Morrison; verhalen onder die namen verschenen ook nog tot 1949 in Bimbo. In 1946 publiceerde hij bovendien een verhaal in Blondine, de bijlage van Jeep.

In 1947 sloot Tillieux zich aan bij Héroïc-Albums. Daar publiceerde hij tot 1952 zestien verhalen van Nouvelles du Captain Kid, creëerde hij Bob Bang met negentien volledige verhalen tot 1948, en bracht hij drie verhalen van Bill Sanders uit. In 1949 volgden Inspecteur Law met twee volledige verhalen en de start van Félix, een reeks die tot 1956 zevenenzestig volledige verhalen zou tellen. Tussen 1947 en 1948 publiceerde hij daarnaast vijf volledige realistische verhalen. Voor L’Explorateur tekende hij van 1949 tot 1950 stroken van Achille en Boule-de-Gomme en platen van Notre oncle et nous.

Later werkte Tillieux voor andere bladen. In Le Journal de Paddy publiceerde hij in 1955 verhalen van Cris Vallon, en in Risque-Tout verschenen van 1955 tot 1956 een lang verhaal van Marc Jaguar en verschillende illustraties. Hij begon er ook aan een tweede Marc Jaguar-verhaal, maar maakte dat niet af door het verdwijnen van het tijdschrift. Na het verdwijnen van Héroïc-Albums en Risque-Tout ging hij opnieuw aan de slag voor Spirou. Daar lanceerde hij op 29 maart 1956 Gil Jourdan met Libellule s’évade. Van die reeks maakte hij tot 1978 zesentwintig verhalen in uiteenlopende formaten; voor de laatste acht schreef hij zelf nog de scenario’s, terwijl Gos de tekeningen verzorgde.

Naast Gil Jourdan bleef Tillieux in Spirou en andere bladen actief. Hij creëerde César in Spirou met vier volledige verhalen tussen 1957 en 1959, waarna de reeks van 1960 tot 1966 in Le Moustique liep. Later werden 299 gags van César opnieuw gepubliceerd in Spirou tussen 1969 en 1973. Hij schreef ook korte verhalen, twee mini-boekjes, vertellingen en herpublicaties van Bob Bang en Félix in Spirou. Verder leverde hij scenario’s voor Marc Lebut et son voisin van Francis van 1966 tot 1978, voor Jess Long van Arthur Piroton vanaf 1969 tot 1978, en nam hij het scenario van Tif et Tondu voor Will over van 1968 tot 1978, goed voor dertien verhalen. Ook schreef hij twee verhalen van Natacha voor François Walthéry tussen 1974 en 1976, drie korte verhalen van Yoko Tsuno voor Roger Leloup van 1970 tot 1971, twee verhalen van La Ribambelle voor Jean Roba van 1968 tot 1976 en één verhaal van Hultrasson voor Vittorio Léonardo in 1973.

Scroll naar boven