Morris, pseudoniem van Maurice De Bevere, werd geboren in Kortrijk en overleed in Brussel. Hij was een Belgische striptekenaar en stond in 1965 in het tijdschrift Spirou voor het eerst expliciet vermeld als tekenaar van strips. Als Vlaming sprak hij zowel Nederlands als Frans. Zijn vader was pijpenmaker. Morris volgde les aan het Sint-Jozefcollege in Aalst, dat werd geleid door jezuïeten, en toonde al vroeg belangstelling voor de Pathé Baby-projector voor beeld-voor-beeldfilmprojectie. Hij leerde animatie via de correspondentiecursussen van Jean Image en werkte later als inkter in de Belgische animatiestudio CBA. Daar ontmoette hij onder meer Peyo, André Franquin en Eddy Paape. Samen met Franquin, Will en Jijé vormde hij de illustratorenkring La Bande des quatre. In 1944 illustreerde hij voor Le Moustique, Humoradio en Het Laatste Nieuws. Eind 1946 werkte hij mee aan de Dupuis Almanach 1947. In 1946 creëerde hij Lucky Luke, een reeks die hij tot aan zijn dood bleef tekenen. Voor die reeks werkte hij samen met verschillende scenarioschrijvers, onder wie René Goscinny. In 1947 publiceerde hij het begin van La Mine d'or de Dick Digger, gescript door zijn broer Louis De Bevere; vanaf 1949 verscheen die reeks in albumvorm. Morris koos ervoor om zijn strips in het tijdschrift Spirou te publiceren, boven Tintin.
- Wie was Morris en welke rol speelde hij in de creatie van Lucky Luke?
- Waar groeide Morris op en welke opleiding volgde hij?
- Hoe ontwikkelde Morris zijn vaardigheden en zijn loopbaan in de jaren veertig?
- Waarom trok Morris in 1948 naar de Verenigde Staten en wat deed hij daar verder?
- Hoe ontwikkelde Morris zijn werk en samenwerkingen vanaf de jaren 1950?
- Aan welke collectieve albums werkte Morris mee, en met wie was hij getrouwd?
- Welke kunstenaars werden door Morris beïnvloed?
- Welke rol speelde Morris in de Brusselse striproute en welke erkenning kreeg zijn werk later?
Morris en Lucky Luke
Maurice De Bevere, beter bekend als Morris, was een Belgische striptekenaar uit Kortrijk. Hij creëerde Lucky Luke in 1946 en bleef deze reeks tekenen tot aan zijn dood in Brussel. Voor Lucky Luke werkte hij samen met verschillende scenaristen, onder wie René Goscinny. In 1965 werd hij voor het eerst in het weekblad Spirou genoemd als striptekenaar.
Jeugd en opleiding
Morris was een Vlaming. Zijn vader was pijpenmaker. Morris sprak zowel Nederlands als Frans. Hij volgde les aan het Sint-Jozefscollege in Aalst, dat werd geleid door jezuieten.
Van animatie tot striptekenen
Morris had al vroeg belangstelling voor de Pathé Baby-projector, waarmee film beeld per beeld kon worden geprojecteerd. Hij leerde animatie via de schriftelijke cursussen van Jean Image en werkte later als inker in een Belgische animatiestudio, CBA. In die studio ontmoette hij Peyo, André Franquin en Eddy Paape. Uit die kring zou hij later samen met Franquin, Will en Jijé de groep illustratoren La Bande des quatre vormen.
In 1944 leverde hij illustraties voor Le Moustique, Humoradio en Het Laatste Nieuws. Eind 1946 werkte hij mee aan de Dupuis Almanal 1947. In 1947 publiceerde hij het begin van La Mine d'or de Dick Digger, op scenario van zijn broer Louis De Bevere. Vanaf 1949 verscheen die reeks in albumvorm.
Morris koos ervoor om zijn strips in Spirou te publiceren in plaats van in Tintin. Hij werkte ook voor de animatiestudio van Dupuis en tekende cartoons voor het weekblad Le Moustique. Op advies van een redacteur trok hij in bij Jijé. Daar ontmoette hij opnieuw André Franquin en Will, en hij volgde er meerdere sessies per week om striptechnieken te leren, waaronder het schetsen naar levende modellen.
Naar de Verenigde Staten
In 1948 besloten Morris, Franquin en de familie Jijé naar de Verenigde Staten te gaan. Jijé vertrok om politieke redenen, uit vrees dat een derde wereldoorlog Europa zou treffen. Morris ging mee om de omgeving en de werkwijzen van auteurs te ontdekken. Na enkele maanden in Mexico keerden zijn reisgenoten voor 1952 terug naar Europa, maar Morris bleef in de Verenigde Staten en stuurde regelmatig strips naar Spirou. In 1952 ontmoette hij er Jack Davis en Harvey Kurtzman, en hij maakte ook de geboorte van Mad magazine mee. Begin 1952 keerde hij tijdelijk terug naar Europa bij het overlijden van zijn vader.
Nieuwe samenwerkingen en publicaties
In 1952 maakten Morris en zijn broer Louis samen L'Elixir du Docteur Doxey. Vanaf 1955 gaf Morris de scenario's van Lucky Luke door aan Goscinny, en hun eerste gezamenlijke album, Des rails sur la prairie, verscheen datzelfde jaar in Spirou. Na 1955 keerde Morris definitief terug naar Belgie. Daar werkte hij opnieuw met Louis de Bevere aan Alerte aux Pieds-Bleus. Tussen 1964 en 1967 maakten Morris en Pierre Vankeer La Chronique du from en publiceerden zij ook enkele korte verhalen in Spirou.
In 1956 schreef Morris een verhaal buiten het Lucky Luke-universum, Du raisine sur les bafouilles. René Goscinny schreef dat verhaal voor publicatie in Le Herisson in 1956. Morris en Goscinny overwogen om Du raisine sur les bafouilles verder uit te bouwen tot een nieuwe reeks, maar dat plan werd opgegeven omdat Morris zich op Lucky Luke bleef concentreren. Later verschenen Lucky Luke-verhalen in Pilote in 1968 en in het maandblad Lucky Luke van 1973 tot 1983. Na Goscinny's dood in 1977 koos Morris andere scenaristen, onder wie Xavier Fauche, Bob de Groot, Jean Leturgie, Lo Hartog van Banda, Vicq en Guy Vidal. Volgens de biografische gegevens werden er in totaal 300 miljoen exemplaren van albums rond zijn werk verkocht.
Collectieve albums en huwelijk
Morris nam deel aan verschillende collectieve albums. In 1980 verscheen zijn bijdrage in Il était une fois… Les Belges, uitgegeven door Lombard. Daarna werkte hij mee aan Rocky Luke – Banlieue West (SEDLI, 1985) en aan Images du scoutisme – de calendrier FSC (FSC, 1991). In 1995 volgde Rire c'est rire bij F.I.R., en in 1999 droeg hij bij aan La BD du van Loterie romande en aan Boule et Bill font la fête van Dargaud. Later verscheen ook zijn deelname aan Contes de Noël du journal Spirou 1955-1969, uitgegeven door Dupuis in 2020. Daarnaast was Morris gehuwd met Francine A. Blanckaert.
Invloed op andere kunstenaars
De invloed van Morris reikte tot ver buiten zijn eigen werk. In België inspireerde hij kunstenaars als Conz, Luc Mazel, Ever Meulen, Erik Meynen, Luc Morjaeu, Ploeg, Marcel Remacle, William Vance en Philippe Wurm. Ook in Frankrijk liet hij duidelijke sporen na bij Jean Bastide, Thierry Capezzone, Didier Conrad, Nikita Mandryka, William Maury en Jacques Tardi. Daarnaast beïnvloedde hij de Zwitserse kunstenaar Zep en de Duitse kunstenaar Flix.
Muralen en erkenning in Brussel
In 1993 werd een Lucky Luke-muurschildering onthuld als onderdeel van de Brusselse striproute. De mural bevindt zich op de hoek van de rues de la Buanderie en T'Kint en wordt in verband gebracht met een creatie van de Art mural association. Later kreeg Morris ook verdere erkenning: in 2021 werd hij opgenomen in de BD Gest' Hall of Fame franco-belge. In 2023 volgde een retrospectieve tentoonstelling in Galerie Huberty & Breyne in Brussel.