Edgard Félix Pierre Jacobs

Muurschildering met Blake en Mortimer in Brussel
Muurschildering met Blake en Mortimer in Brussel

Edgard Félix Pierre Jacobs, ook bekend als Edgar P. Jacobs, werd geboren in Brussel, in de provincie Brabant, en overleed in Lasne, in de provincie Waals-Brabant. Hij was een Belgische stripauteur die vooral bekend werd met de reeks Blake et Mortimer. Jacobs studeerde aan de Académie royale des beaux-arts en had een grote passie voor opera. Hij probeerde kort een loopbaan als lyrisch zanger, werkte eerst als koorzanger in de music-hall en vertolkte daarna secundaire rollen in de Opéra de Lille. Om in zijn levensonderhoud te voorzien, illustreerde hij reclamecatalogi. Tijdens de Tweede Wereldoorlog publiceerde hij verschillende tekeningen in een weekblad. In hetzelfde blad kreeg hij de opdracht om een avontuur van Gordon l’Intrépide af te werken, ter vervanging van Alex Raymond. Hij creëerde ook de strip Le Rayon U. Zijn kleurgebruik trok de aandacht van andere kunstenaars. Later werd hij de eerste medewerker van Hergé, hielp hij mee aan de herwerking van de vroege Tintin-albums en werkte hij mee aan nieuwe avonturen van Tintin, vooral Les Sept Boules de cristal en Le Temple du Soleil. Bij de oprichting van het Journal de Tintin trad hij toe tot de redactie en werd hij er een toonaangevende auteur met Le Secret de l’Espadon.

Van muziek tot stripverhaal

Edgard Félix Pierre Jacobs, beter bekend als Edgar P. Jacobs, werd geboren in Bruxelles, in de provincie Brabant, en stierf in Lasne, in de provincie Brabant wallon. Hij was een Belgische stripboekenauteur, vooral bekend door de reeks Blake et Mortimer. Jacobs studeerde aan de Académie royale des beaux-arts en had een grote passie voor opera. Hij probeerde even een loopbaan als lyrisch zanger uit, werkte eerst als koorzanger in de music-hall en vervulde daarna secundaire rollen in de Opéra de Lille. Om in zijn levensonderhoud te voorzien, illustreerde hij reclamecatalogi.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog publiceerde hij verschillende tekeningen in een weekblad. In datzelfde blad kreeg hij de opdracht om een avontuur van Gordon l'Intrépide af te werken, ter vervanging van auteur Alex Raymond. Daarna creëerde hij Le Rayon U, waarbij zijn gebruik van kleur ook andere artiesten aansprak. Jacobs werd vervolgens de eerste medewerker van Hergé en droeg bij aan de herwerking van de eerste Tintin-albums. Hij hielp Hergé ook met het ontwerpen van nieuwe Tintin-avonturen, vooral Les Sept Boules de cristal en Le Temple du Soleil.

Bij de oprichting van het Journal de Tintin maakte hij deel uit van de redactie en groeide daar uit tot een toonaangevende auteur met Le Secret de l'Espadon. Nadien legde hij zich vooral toe op de reeks Blake et Mortimer. In totaal maakte hij acht avonturen in die reeks. Door zijn verslechterende gezondheid kon hij het tweede deel van Les Trois Formules du professeur Satō niet meer voltooien; na zijn dood werkte Bob de Moor dit af. Edgar P. Jacobs wordt beschouwd als een van de grootste Belgische en Europese stripauteurs.

Opera, verbeelding en nauwkeurigheid

Edgar P. Jacobs ervoer zijn tekenloopbaan als een compromis en leed aan een gebrek aan erkenning. Zijn grote droom was eigenlijk een carrière als baritonzanger. Die passie voor opera, en vooral voor Charles Gounods Faust, liet een duidelijke stempel na op zijn stripopvatting: hij beschouwde strips als een soort papieren opera. Ook in zijn werk klinkt die brede culturele achtergrond door, met fantasie en sciencefiction, verwijzingen naar H. G. Wells en Jules Verne, en inspiratie uit de meesterwerken van de Duitse expressionistische cinema.

Samen met zijn vriend Jacques Van Melkebeke deelde hij die interesses, en die hielp mee aan de ontwikkeling van zijn scenario's. Jacobs maakte een visionair en toekomstgericht oeuvre waarin fantasie en esoterie een belangrijke plaats innemen. Daarin keren ook thema's terug zoals de vrees voor het verval van het Westen, wetenschappelijke vooruitgang en alledaagse mysteries.

Als tekenaar was hij een perfectionist en uiterst nauwkeurig. Hij streefde naar realisme en authenticiteit in zijn beeldverhaal, en onderbouwde zijn verhalen met uitgebreide documentatie. Soms ging hij daarvoor zelfs ter plaatse kijken. Hij werkte liefst alleen en vroeg slechts zelden hulp aan anderen, behalve voor kleine taken zoals inkten en inkleuren.

Jeugd, gezin en opleiding

Edgar P. Jacobs werd geboren in het ouderlijk huis aan de rue Ernest Allard in de Sablonwijk van Brussel. Zijn vader, Jacques François Jacobs, geboren in 1878, kwam uit een boerenmilieu. Hij was op jonge leeftijd wees geworden en van zijn zus gescheiden, werkte eerst als bakkersleerling en slaagde na zijn militaire dienst voor het toelatingsexamen van de politie, waarna hij politieagent in Brussel werd. Zijn moeder, Elvire Billestraet, beheerde aanvankelijk een kruidenierswinkel op het gelijkvloers van het huis en stond later in voor het huishouden en de opvoeding van de kinderen. Edgar werd twee maanden voor het huwelijk van zijn ouders verwekt.

Als kind viel hij op door een onrustige aard, terwijl thuis een strenge discipline gold. Hij groeide geïsoleerd op, afgesneden van de andere kinderen uit de buurt. Zijn vader verbood hem om buiten te spelen met de buurtkinderen, maar gaf hem wel tekenmateriaal en deelde zijn belangstelling voor muziek en lectuur. In 1918 schreef Jacques hem in op een middelbare school in Brussel, maar Edgar werd er uitgelachen om zijn bescheiden sociale afkomst. Kort daarna verliet hij die school en ging hij naar een gemeenteschool in de rue des Eburons. Jacques Jacobs volgde zijn opleiding van dichtbij en was bijzonder veeleisend bij het huiswerk.

Op 13 april 1919 werd zijn broer André geboren, maar door het leeftijdsverschil groeide er geen nauwe band tussen beiden. Edgar ontwikkelde al vroeg een sterke leeslust. Hij bezocht regelmatig de gemeentelijke bibliotheek om boeken te lenen over geschiedenis, aardrijkskunde, natuurhistorie en toneelstukken. Ook las hij tijdschriften zoals Lectures pour tous en Je sais tout, en kocht tweedehands geïllustreerde jeugdtijdschriften. Vooral de tekeningen van Georges Omry spraken hem aan. Toen hij twaalf was, nam zijn vader hem mee naar het Koninklijk Theater van de Galerijen om Charles Gounods Faust te zien; de dag nadien kocht hij het libretto van die opera. Zijn schoolresultaten bleven middelmatig, vooral in wiskunde. Omdat de familie hogere studies niet toestond, ging hij naar de commerciële school in de rue des Sols in Brussel, waar hij een bescheiden commerciële opleiding voor functies als boekhoudkundig bediende volgde.

Vriendschap, kunst en jeugdige ambities

Aan de commerciële school in Brussel leerde Edgar P. Jacobs Jacques Van Melkebeke kennen. Ondanks een eerste rivaliteit groeiden zij uit tot hechte vrienden, al keurden Jacobs’ ouders die vriendschap af. De twee deelden een grote belangstelling voor beeldende kunst en fantastische literatuur. Zij gingen geregeld naar de delen van de Nouveau Larousse, naar de musea in het Jubelpark en naar filmvoorstellingen.

Van Melkebeke raadde Jacobs de romans van H. G. Wells aan, waaronder The War of the Worlds. Jacobs maakte deze werken tot zijn favoriete boeken. Daarnaast verdiepte hij zich in het Duitse romantisme via Goethe en Hoffmann, wat hem inspireerde tot het maken van vele tekeningen. Ook opera bezorgde hen een gedeelde passie: samen stonden zij bijna vijf uur te wachten om Faust in de Muntschouwburg te kunnen bijwonen.

Tijdens die periode ontdekte Jacobs zijn vocale nauwkeurigheid en kracht, en hij droomde van een loopbaan als lyrisch zanger. Ook die aspiratie stuitte thuis op sterke afkeuring. In de zomer van 1918 verhuisde zijn familie naar de Louis Hapstraat in Etterbeek, vlak bij Brussel. Na die verhuis bleven Jacobs en Van Melkebeke elkaar regelmatig zien. Hun belangstelling verschoof daarbij ook naar de Amerikaanse cinema, met bewondering voor Charlie Chaplin, Buster Keaton en Harold Lloyd. Bovendien apprecieerden zij de films van Cecil B. DeMille en de vroege Duitse expressionistische cinema.

Opleiding en eerste stappen in Brussel

Edgar P. Jacobs liet zich door zijn ouders overtuigen om deel te nemen aan het ingangsexamen van de Académie des beaux-arts de Bruxelles. Hij werd er toegelaten in de afdeling Decoratie, met de optie tete antique, al wilde hij zich toen eigenlijk toeleggen op historieschilderkunst. De lessen van Louis-Charles Crespin in de decoratieklas spraken hem weinig aan, en hij verdiepte zijn artistieke kennis door werken van renaissancemeesters zoals Albrecht Durer en Hans Holbein te bestuderen.

Aan het begin van 1921 verliet hij de Académie de beaux-arts, slechts enkele weken nadat Jacques Van Melkebeke dat had gedaan. Daarna werd hij aangenomen als leerling-ontwerper van borduurwerk, met een maandelijks salaris dat niet vermeld is. Later schreef hij zich opnieuw in aan de Académie des beaux-arts, in een maand die niet wordt gespecificeerd, en volgde hij tegelijk ook de kunstschool van Sint-Joost-ten-Node.

In die periode liet hij de olieverfschilderkunst geleidelijk achter zich ten gunste van lavis, aquarel en tekenkunst. Hij zocht tevergeefs contact met Brusselse reclamebureaus, leerde samen met Jacques Van Melkebeke fotoretouche, en bood vervolgens zijn diensten voor fotoretouche aan bij verschillende fotografen in de hoofdstad.

Van koorzanger tot bariton

In de winter van 1921 begon Edgar P. Jacobs als extra op de scène van de Théâtre de la Monnaie. Overdag bleef hij retoucheerwerk doen, terwijl hij 's avonds optrad. Later werd hij music-hallartiest en tekende hij een contract bij Léon Volterra als koorzanger voor de revue Bonjour Paris in de Alhambra. Daar stond hij ook op de planken met de Parijse artieste Mistinguett. In dezelfde periode leerde hij een andere koorzangeres, Madeleine, kennen, met wie hij een romantische relatie begon. Door sketches van Sacha Guitry en operettes als La Fille du tambour-major en La Chaste Suzanne uit te voeren, verhoogde hij zijn vergoedingen.

Via Jacques Van Melkebeke kwam hij in contact met Jacques Laudy. Samen vormden zij een hechte vriendschap en kwamen ze regelmatig samen om over kunst en literatuur te praten en spiritistische sessies te houden. Eind 1923 dwongen zijn ouders hem om bij de Brusselse juweliers Wolfers te gaan werken om zilverwerkontwerp te leren. Na enkele weken nam hij ontslag en werd hij catalogusillustrator bij de Grands Magasins de la Bourse, waar hij zijn catalogi met pen- en wasillustraties met grote zorg uitwerkte.

Intussen studeerde hij lyrische zang aan de Académie de musique d'Etterbeek. Zijn stembereik liet hem toe om naast zijn natuurlijke tenorstem ook baritonrollen te zingen. Om zijn toonladders te oefenen kocht hij een accordeon, als goedkoper alternatief voor een piano. Na zijn breuk met Madeleine werd hij opgeroepen voor militaire dienst in een elitebataljon chasseurs à pied in Krefeld, Duitsland. Daar werd hij snel tot korporaal bevorderd en trad hij vanaf een niet nader vermelde datum op in de toneelgroep van zijn regiment. Hij vertolkte er onder meer Julien Cicandel in L'Anglais tel qu'on le parle, Montjoyeux in Le Moulin du chat qui fume en Abner in Athalie.

Na zijn legerdienst ging hij zang studeren aan het Conservatoire royal de Bruxelles om een loopbaan als operazanger na te streven. Hij bleef tegelijk catalogi illustreren. Begin 1928 sloot hij zich aan bij een klein gezelschap en schreef hij een eenakter, La Malediction, die zich afspeelde op een piratenschip. Dat gezelschap kreeg wel enkele voorstellingen in de streek van Brussel, maar kende slechts beperkt succes. Daarna trad hij toe tot het Stevenierskoor, waar hij Léonie Bervelt ontmoette, bijgenaamd Ninie, een operettezangeres. In een niet gespecificeerd jaar behaalde hij de eerste prijs van uitmuntendheid in zang en de regeringsmedaille. Op een niet nader vermelde datum trouwde hij met Léonie Bervelt in de Sint-Katelijnekerk in Brussel.

Vervolgens werd hij door Paul Frady aangeworven in het vast gezelschap van de gemeentelijke theaters van Rijsel. Hij woonde in een klein appartement in de rue de la Clef. Hij en zijn echtgenote traden eerst op in het Théâtre Sébastopol, waar hij tweede bariton was, en speelden het seizoen daarop op de scène van de opera van Rijsel. Daar vertolkte hij baritonrollen in opera's als Aida, Lakmé, Manon, Tosca en Boris Godounov.

Van Le Rayon U naar Blake en Mortimer

De narratieve stijl van Le Rayon U mengde avontuur en sciencefiction, dicht bij Gordon l'Intrépide, en Jacobs nam aanvankelijk grafische codes en thema's over van Alex Raymond, met gelijkaardige personagetypes. In dat verhaal stelde hij de militaire macht voor via major Walton, de goede wetenschapper via professor Marduk en de verraderlijke kapitein Dagon in dienst van de kwade strijdkrachten. Hij verwees daarbij naar literaire en filmische herinneringen uit zijn jeugd om het verhaal op te bouwen en de spanning vast te houden in een vreemde wereld. Ook baseerde hij personages op familieleden: zijn echtgenote stond model voor Sylvia en Jacques Laudy voor Lord Calder. Het succes van Le Rayon U, dat het einde van de publicatie op een ongespecificeerde datum kende, deed de verkoop van Bravo! stijgen tot boven een niet nader genoemd aantal.

Jacobs' vernieuwende kleurbenadering had invloed op Hergé, wiens uitgever Casterman hem vroeg om de eerste Tintin-albums in kleur te zetten. Via Jacques Van Melkebeke ontmoetten Hergé en Jacobs elkaar in een ongespecificeerd jaar, tijdens Tintin aux Indes in het Théâtre royal des Galeries. Na verschillende uitwisselingen begon Hergé met hem samen te werken en nam hij Jacobs permanent in dienst vanaf een ongespecificeerde datum. Jacobs werkte halftijds voor Hergé om zijn eigen reeks te kunnen ontwikkelen, en zijn contract maakte hem vrij van de verplichte arbeidsdienst die door de Duitsers was ingesteld.

In zijn privéleven kreeg Jacobs het moeilijk door de dood van zijn vader op een ongespecificeerde datum, terwijl zijn vrouw Ninie van plan was hem te verlaten. Toch trok hij elke ochtend naar Boitsfort, waar Hergé woonde en werkte. Zijn eerste opdracht bestond erin Le Trésor de Rackham le Rouge in te kleuren en enkele achtergronden aan te vullen. Hij ontmoette daarbij vaak Jacques Van Melkebeke, die Hergé hielp met het schrijven van scenario's, en raakte bevriend met Germaine Remi, de echtgenote van de tekenaar.

Voor Les Sept Boules de cristal, gepubliceerd in Le Soir vanaf een ongespecificeerde datum, raakten Jacobs en Van Melkebeke steeds sterker betrokken bij het schrijven. Zij gebruikten hun literaire, picturale en cinematografische referenties om de intrige te versterken, terwijl Jacobs het idee van de kristallen bollen en de titel van het nieuwe avontuur aanreikte. Hij besteedde veel aandacht aan detailprecisie in zowel Les Sept Boules de cristal als Le Temple du Soleil, maakte inspiratie uit een burgerhuis dat hij elke ochtend passeerde voor de villa van professor Bergamotte, en tekende vele schetsen in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis van Brussel voor documentatie. Hij gaf ook storyboardideeën voor Le Temple du Soleil, zoals een vallende trein en de toegang tot een ondergrondse tempel, en poseerde zodat Hergé de uitdrukkingen van de personages nauwkeurig kon schetsen.

De opbouw van L'Énigme de l'Atlantide

Voor L'Énigme de l'Atlantide koos Biographie voor de klassieke avonturensfeer. Het decor werd geplaatst ten westen van Gibraltar, met inspiratie uit het werk van Alexandre Braghine en van de filosoof Plato. Het scenario steunt op etnografische, religieuze en architecturale analogieën tussen precolumbiaanse en oude Egyptische beschavingen. Ook de aanwezigheid van orichalcum, een kostbaar metaal na goud uit Plato's Critias, werd in het verhaal verwerkt. Daarmee sloot Biographie aan bij de populaire traditie in een periode waarin in de eerste helft van de 20e eeuw veel publicaties over de mythe van Atlantis verschenen. Volgens Biographie bevat L'Énigme de l'Atlantide bovendien twee verschillende etnische groepen, gebaseerd op de veronderstellingen van Ignatius Donnelly, een Amerikaanse schrijver van wie een werk over Atlantis nooit in het Frans werd vertaald.

Herwerking van een avontuur

In zijn eerste project plaatste Jacobs de resten van een oude Atlantische kolonie in een wilde, moeilijk toegankelijke plek in Centraal-Amerika. Hij koos ervoor om de actie te verbergen om het verhaal geloofwaardiger te maken. Oorspronkelijk wilde hij het verhaal laten beginnen met vliegende schotels en buitenaardse verschijnselen. Toen hij vernomen had dat Willy Vandersteen werkte aan een verhaal met de titel Les Martiens sont là, besloot Jacobs zijn scenario te herorganiseren en het eerste deel te schrappen. Later kreeg hij daar spijt van, omdat hij ontdekte dat Vandersteens verhaal slechts een humoristische mystificatie was en niets met zijn onderwerp te maken had. De grafische uitwerking van het nieuwe avontuur liep vervolgens vertraging op door Jacobs' verhuis met zijn nieuwe partner naar een huis in de buurt van Lasne, een landelijke gemeente op ongeveer twintig kilometer van Brussel.

Publicatie en ontvangst van L'Enigme de l'Atlantide

De eerste pagina van L'Enigme de l'Atlantide verscheen in het nieuwe formaat van het tijdschrift Tintin. Ondanks censuurproblemen voor Edgar Jacobs verliep de publicatie toch vlot verder. Enkele prenten werden door de Franse uitgever Georges Dargaud als te agressief beschouwd, maar dat hinderde de verdere verschijning van het verhaal niet. Dit vierde avontuur van Blake en Mortimer kreeg nadien veel lof van critici. Ook schrijver Gerard Lenne sprak positief over het werk, net als Jacques Bergier. De stad Atlantis, zoals Jacobs die tekende, wordt bovendien gezien als mogelijk geinspireerd door werken van meesters uit het Italiaanse futurisme.

SOS Météores en werkelijkheid

Vanaf 1959 publiceert Edgar P. Jacobs SOS Météores, een album waarin hij de werkelijkheid zo nauwkeurig mogelijk probeert te volgen. Tegelijk neemt hij afstand van eerdere culturele en literaire verwijzingen en verwerkt hij zijn herinnering aan rampzalige vakanties in Zuid-Frankrijk tijdens de winter van 1954. Zo bouwt hij een fantastisch werk op dat kan worden vergeleken met de beste spionageromans van die tijd. In het verhaal komt ook de angst voor atomaire dreiging uit de Koude Oorlog terug, samen met het idee van geheime klimaatmodificatie-experimenten door Amerikaanse en Sovjetwetenschappers. Jacobs verneemt bovendien dat de Franse DST buitenlandse ideeën over klimaatmanipulatie ernstig bestudeert.

Voor de uitwerking doet hij nauwgezet plaatselijk onderzoek ten westen van Parijs, dicht bij gevoelige doelwitten. Hij identificeert het nucleaire onderzoekscentrum van Saclay en het NAVO-hoofdkwartier in Rocquencourt. Hij verbeeldt het landhuis van professor Labrousse in Jouy-en-Josas en plaatst het station voor de weersbeheersing in een kasteel in Buc. De verschijning van professor Miloch baseert hij op toneelschrijver Arthur Miller, terwijl hij de algemene vorm van de geheime meteorologische basis modelleert op de Sovjetman Anastase Mikoïan. Met SOS Météores wil Jacobs opnieuw de expressieve realiteit bereiken die hij eerder al zag in La Marque jaune. Het album verschijnt in 1959 en wordt vervolgens acht jaar lang niet heruitgegeven.

In hetzelfde werk vernieuwt hij ook het thema van de tijdreis. Jacobs bewondert de werken van H. G. Wells en het boek La Machine a explorer le temps, en laat een chronoscaphe centraal staan die door professor Miloch defect raakt. Het verhaal situeert hij onder het kasteel van La Roche-Guyon, een plek die hij om geografische, strategische en historische redenen kiest. Ook daar voert hij een methodische plaatsverkenning uit.

Censuur, kritiek en een nieuwe koers

Bij het uitwerken van de eerste avonturensequenties vroeg Biographie hulp aan Liliane en Fred Funcken voor de middeleeuwse passages. Voor het inkleuren kreeg hij steun van leden van Studios Hergé, onder wie Josette Baujot, France Ferrari en Roger Leloup. Zijn verhaal schetste intussen een pessimistische visie op de toekomst van de mensheid en drukte, zoals Le Secret de l'Espadon en L'Enigme de l'Atlantide, ook een angst uit voor het verval van het Westen.

De publicatie liep over een onbepaalde periode, maar de nieuwe avonturenreeks kreeg een ongunstige kritische ontvangst. Ook Le Piège diabolique werd het slachtoffer van een officiële Franse censuurmaatregel. Op een specifieke datum liet het Secretariaat van State voor Informatie aan Éditions Dargaud weten dat er een negatieve mening bestond over de verkoop van het album. Vijf jaar later werd het verbod opgeheven, met steun van René Goscinny. Die opeenstapeling van censuurgevallen werkte ontmoedigend en vertraagde de voorbereiding van een nieuw avontuur.

Toen dat nieuwe avontuur uiteindelijk in Tintin magazine verscheen, bijna vier jaar na het vorige, koos Biographie bewust voor een eenvoudiger politieverhaal met historische elementen om censuur en misverstanden te vermijden. Het idee voor L'Affaire du collier ontstond na de ramp in Clamart, waarbij zes hectare kalksteengroeve instortte. Biographie werd zich toen bewust van het feit dat de ondergrond van Parijs vol galerijen en groeves zit. Voor zijn onderzoek kreeg hij van de Inspection générale des carrières een kaart van de galerijen onder Parijs en voerde hij talrijke verkenningen uit, zowel aan de oppervlakte als ondergronds.

De reekservaring bleef moeilijk: sterke ontevredenheid bij de lezers leidde tot een onderbreking van de samenwerking bij de twaalfde plaat. Biographie slaagde er niet meer in zijn oorspronkelijke stijl te herwinnen en gebruikte gefotografeerde poses voor de tekenpanelen. Fantastische elementen liet hij uiteindelijk achterwege uit vrees voor censuur. Zo leverde hij een eenvoudige politiefictie af waarin Olrik werd teruggebracht tot leider van criminelen.

Japan als nieuw decor

Voor Trois Formules du professeur Satō koos Edgar P. Jacobs voor een radicale verschuiving van het decor door het verhaal in Japan te situeren. Hij was gefascineerd door de Japanse cultuur en in het bijzonder door films van Ishirō Honda, zoals Godzilla. Om het verhaal geloofwaardig uit te werken, verzamelde hij uitgebreide documentatie over Japanse tradities, het dagelijkse leven, het toerisme en de infrastructuur. Bij dat onderzoek kreeg hij hulp van Hasumi Shigehiko, een professor aan de Universiteit van Tokyo die getrouwd was met Chantal, de dochter van Jacques Van Melkebeke. Voor het scenario gebruikte hij ook artikels uit Science et Vie over robots en cyborgs in de luchtvaartindustrie. Daarnaast ontdekte hij de roman La Formule du professeur Matheson van J.S. Fletcher, met een ontvoering van een wetenschapper als uitgangspunt. In zijn verbeelding nam het verhaal ook een Japanse draak op, genaamd Ryū.

Publicatie van Mortimer à Tokyo en Rayon U

Volgens Stéphane Bielikoff in Les Cahiers de la bande dessinée vroeg Biographie hulp van Studios Hergé voor de inkleuring van de platen. Hij stelde het scenario op een onbepaalde datum voor aan hoofdredacteur Michel Greg. Daarna verschenen de eerste twee stroken in een speciaal nummer van Journal de Tintin, ter gelegenheid van een ongenoemde verjaardag, en de reeks liep verder tot een niet nader genoemde datum. Het verhaal wekte minder enthousiasme dan eerdere avonturen uit de serie, onder meer door tempo-problemen. Het eerste deel werd in 1977 als album gepubliceerd onder de titel Mortimer à Tokyo.

Na dat eerste volume begon Biographie aan het schrijven van het tweede deel. Tegelijk besloten Editions du Lombard en Michel Greg om een gemoderniseerde versie van Rayon U uit te brengen, zodat het publiek iets kreeg in afwachting van het tweede volume van Les Trois formules du professeur Satō. Biographie voerde daarvoor een grondige hercompositie en modernisering uit en voegde speech bubbles toe, over een niet nader gespecificeerde periode. Ondanks herhaalde vragen stelde hij de lezers gerust over de publicatie van het tweede deel. Hij maakte het tweede volume wel af, maar begon niet aan de grafische realisatie door gezondheidsproblemen.

Memoirproject en nieuwe publicaties

Aan het einde van de jaren 1970 lopen de spanningen met uitgever Le Lombard op. Jacobs betreurt dat de collectie volgens hem onvoldoende werd gepromoot, terwijl de uitgever zijn werk ouderwets vindt en hem verwijt dat het tweede deel van Trois Formules du professeur Satō onafgewerkt blijft. Wanneer het contract afloopt, gaat hij samen met de Brusselse platenhandelaar Claude Lefrancq een nieuw project aan: Éditions Blake et Mortimer, bedoeld om de acht avonturen opnieuw in hun oorspronkelijke vorm uit te geven. Voor deze heruitgave werkt Jacobs ook Le Secret de l'Espadon om tot drie delen, met kleuring in samenwerking met Philippe Biermé en Luce Daniels.

In 1981 publiceert hij Un Opéra de papier, met veel iconografisch materiaal en een cover van Jacques Tardi. In maart 1982 organiseert Gallimard een reeks recepties in Parijs, waar Jacobs verschillende interviews geeft en signeert op het Salon du livre. Datzelfde jaar stelt RTBF-directeur Guy Lejeune voor om een uitzending te maken over Jacobs' werk. Jacobs werkt actief mee aan dat project, dat als aanvulling op Un Opéra de papier wordt gezien. De opnames vinden plaats in de zomer van 1982 bij hem thuis, en de show, Des planches aux planches, wordt op 11 en 18 december 1982 in twee delen uitgezonden.

Daarna volgt een bewerking van La Marque jaune. In 1983 maakt Michel Marin een korte adaptatiepilot, geproduceerd door Irène Silberman en geschreven door Jean Van Hamme. Yves Brainville speelt Mortimer, Pierre Vernier speelt Blake, Michel Vitold dokter Septimus en Patrick Laval kolonel Olrik. Jacobs waardeert de poging, maar had liever gezien dat de sfeer van Chapeau melon et bottes de cuir werd benaderd. Irène Silberman laat Michel Marin vallen en kondigt op het festival van Cannes in mei 1984 aan dat Lam Lê en Olivier Assayas de regie en het scenario zullen verzorgen. Uiteindelijk wordt het door Jacobs gesteunde adaptatieproject afgeblazen.

Voor zijn memoires zoekt Biographie daarna steun bij mogelijke medewerkers. Gilles Chaillet wordt overwogen, maar weigert. Ook Bob de Moor wordt benaderd, maar hij kan niet meedoen omdat Hergé, zijn werkgever, dat weigert. In 1994 vraagt Pierre Marchand van Éditions Gallimard aan journalist Pierre Lebedel om contact op te nemen met Biographie om te helpen bij het schrijven van de memoires. Op 14 december 1994 ontmoeten Biographie en zijn vriend Evany Pierre Lebedel en Pierre Marchand om technische kwesties te bespreken. Biographie gaat akkoord dat de autobiografische vorm het best past bij het project, dat hij zelf als een belangrijke onderneming beschouwt. Volgens Biographie en Lebedel duurt het daarna nog drie jaar voor de memoires verschijnen.

De laatste jaren en nalatenschap

In de jaren 1974 en 1975 onderging Edgar P. Jacobs twee operaties wegens heupartrose. Zijn toestand werd verder bemoeilijkt toen zijn tweede vrouw, Jeanne Quittelier, thuis ten val kwam en haar femurhals brak. Haar gezondheid had ook een impact op Jacobs zelf, die last kreeg van zichtproblemen en artrose in de vingers. Jeanne Quittelier overleed op 16 november 1982. Niet lang daarna verloor Jacobs nog twee vrienden: Hergé op 3 maart 1983 en Jacques Van Melkebeke enkele weken later.

Na een fiscale aanpassing in 1985 richtte hij Studio Jacobs op om de rechten van Blake en Mortimer onder controle te houden. In die periode trok hij zich steeds meer terug in zijn woning in Lasne, waar hij uitnodigingen en interviews weigerde. Zijn gezondheid ging in de winter van 1985-1986 sterk achteruit door meerdere angina-aanvallen, waarna hij in Ottignies werd opgenomen. Artsen raadden hem aan om naar een rusthuis te gaan, maar dat weigerde hij. Zijn laatste publieke optreden vond plaats op 6 april 1986, bij de opening van het Belgisch Stripcentrum.

Intussen werd ook het archief rond de Fondation Jacobs geregeld: de statuten werden neergelegd bij notaris Jean-Marie Gyselinck in Brussel en prenten en dossiers werden in bewaring gegeven in een kluis bij Banque Bruxelles Lambert. Die depositie omvatte meer dan een ongespecificeerd aantal stukken, honderden schetsen en overlays. Jacobs meldde ook dat het huis van het echtpaar in Bois des Pauvres was vernietigd. Hij overleed thuis op 20 juli 1987. Daarna werd hij begraven op de gemeentelijke begraafplaats, in een mausoleum gefinancierd door Studio Jacobs en Éditions Blake et Mortimer. Op het graf staat een monument dat de Grote Sfinx Rê-Harmakhis voorstelt, met op de grafvoet een tekst die naar zijn talenten verwijst.

Privéleven en relaties

Volgens biografen Benoit Mouchart en Francois Riviere hield Edgar P. Jacobs zijn persoonlijke leven discreet en sprak hij zelden over zijn emotionele relaties, van zijn kindertijd tot zijn volwassenheid. In zijn memoires Un Opera de papier worden zelfs de voornamen van zijn ouders niet vermeld. In een interview uit 1982 met journaliste Michele Cedric bevestigde hij die terughoudende houding.

Zijn eerste liefdesrelatie begon in 1922 met de koorzangeres Madeleine, met wie hij deel uitmaakte van de revue Bonjour Paris van Mistinguett. Jacobs weigerde een huwelijk en maakte die relatie twee jaar later, vlak voor zijn militaire dienst, zelf een einde. In 1928 ontmoette hij Leonie Bervelt, een Brusselse operettezangeres die zeven jaar jonger was. Zij trouwden op 20 mei 1938 in de Sint-Katelijnekerk in Brussel. Daarna woonden ze twee seizoenen in Lille, waar ze opera uitvoerden, voor ze terugkeerden naar Brussel.

De relatie met Leonie Bervelt werd bemoeilijkt door zijn mislukkingen in de lyrische zang. Ook hun kinderloosheid droeg waarschijnlijk bij tot de huwelijksproblemen. Beiden waren elkaar ontrouw tot hun scheiding in 1947. De echtscheiding werd op 26 oktober 1951 definitief uitgesproken. Toch gingen ze vriendschappelijk uit elkaar en behielden ze sterke vriendschappelijke banden. Jacobs werd bovendien emotioneel geraakt door de dood van Leonie Bervelt in 1975.

Eind jaren 40 begon hij een nieuwe relatie met zijn buurvrouw Jeanne Quittelier, een pianolerares. In 1952 woonde hij met haar samen in een huis aan de Kroonlaan in Brussel. In juni 1953 kochten ze samen een cottage in Lasne, nabij Brussel. Daar richtte Jacobs een atelier in en verbleef hij soms teruggetrokken terwijl hij tekende. Tijdens haar bezoeken genoot hij ook van het gezelschap van Jeannes kleindochter Viviane. Omdat beiden gescheiden waren, trouwden Jacobs en Jeanne Quittelier op 10 juli 1965 in Kasteel Malou in Sint-Lambrechts-Woluwe.

Twijfel, nauwgezetheid en zelfbeeld

In de getuigenissen van collega’s komt Edgar P. Jacobs naar voren als een complexe figuur: volgens velen in Témoignages d'amitiés vraies, gepubliceerd in Tintin na zijn dood, was hij soms een ongewild komische persoonlijkheid en een stuntelaar. Tegelijk benadrukte Albert Weinberg, die meewerkte aan Le Mystère de la Grande Pyramide, zijn perfectionisme en nauwgezetheid. Dat ging zo ver dat de redactie zijn platen na inlevering onder sleutel bewaarde om voortdurende herwerkingen te voorkomen.

Jacobs vreesde voortdurend dat anderen hem zouden kopiëren of plagiaat zouden plegen. Volgens Roger Leloup zag hij overal verraders en verzamelde hij dossiers over wie hij ervan verdacht zichzelf te hebben toegeëigend. Die onrust hing samen met een duidelijke behoefte aan erkenning, die gepaard ging met een gebrek aan zelfvertrouwen en zelfwaardering. Zijn uiterlijk bleef voor hem bijzonder belangrijk: al sinds zijn adolescentie wilde hij in alle omstandigheden een onderscheidende outfit dragen.

Zijn succes in de stripwereld deed hem niet vergeten dat hij ooit een carrière als operazanger had moeten opgeven, iets wat Benoît Mouchart en François Rivière vermeldden. Rivière beschreef strips als een tweede keuze voor Jacobs, zeker omdat Hergé hem aanzette om de ligne claire-stijl te volgen. Zelf werkte Jacobs het liefst met zachte potloden om meer volume en dikte in de lijn te krijgen.

Fred en Liliane Funcken vonden dat hij de indruk gaf geen vertrouwen te hebben in zijn immense talent. Mouchart stelde bovendien dat tekenen voor Jacobs noch natuurlijk noch spontaan was, en dat hij veel foto’s gebruikte, vaak met meerdere overdrukken, om tot de beste compositie te komen. Jacobs zelf noemde tekenen een dwingende bezigheid. Ook schrijven viel hem moeilijk: volgens Mouchart schakelde hij daarom zijn vriend Jacques Van Melkebeke in om literaire lezersbrieven te beantwoorden. Zijn onzekerheid bleek ook in zijn publieke optreden, waar hij voor elk interview zenuwachtig was voor microfoon of camera, soms eerst een repetitie nodig had en zijn eigen notities zichtbaar hield. Michka Assayas zag die bescheidenheid ook terug in zijn memoires, Un Opéra de papier.

Stijl, kleur en mise-en-scene

Le style Jacobs wordt vaak beschreven als een aanpak die de avonturen van Blake en Mortimer een heel eigen plaats geeft binnen de strip van zijn tijd. Zijn visie op stripverhalen onderscheidde zich van die van andere auteurs uit zijn periode, vooral van Hergé, onder meer door zijn opvatting over de strip en de manier waarop jonge lezers die ontvangen. In een interview met François Rivière in 1971 legde hij zijn aanpak uit, en in een gesprek uit 1979 met journalist Daniel Fano erkende hij ook de rol van Van Melkebeke als script doctor.

Zijn werkwijze was uitermate nauwgezet. Vooraleer hij aan de grafische uitwerking van een avontuur begon, maakte hij meerdere synopsisboekjes, grafische lay-outs en voorbereidende schetsen. Met overlays zocht hij naar de meest expressieve beeldopbouw, die hij vervolgens overbracht op de schets. Soms projecteerde hij beelden met een episcoop op de muren van zijn atelier om de impact te controleren. De gekozen opbouw wijzigde hij zelden, behalve om het ritme van het verhaal te verbeteren. Volgens assistent Albert Weinberg beschouwde hij de grafische realisatie als het minst dankbare deel van het werk. In het atelier gebruikte hij ook een bandopnemer om dialogen vast te leggen en het sonore effect te verifiëren.

Die nauwgezetheid ging samen met een obsessieve zoektocht naar authenticiteit. Hij deed onderzoek, trok op veldbezoek en had ontmoetingen met wetenschappers terwijl hij documentatie verzamelde. Geselecteerde documenten kopieerde hij uiterst precies met de rastertechniek voor de beeldonderdelen. Volgens Benoît Mouchart en François Rivière droeg deze minutieuze werkwijze bij aan de Belgische strip. Benoît Grevisse wijst erop dat Jacobs systematisch steunde op foto's of schetsen van bestaande plaatsen, en zijn aandacht voor authenticiteit zou mogelijk voortkomen uit zijn illustraties voor catalogi van Grands Magasins de la Bourse voor de Tweede Wereldoorlog. Soms dreef die bekommernis om geloofwaardigheid ver: hij liet een scène in Le Mystère de la Grande Pyramide vallen wegens een feitelijke busdienstregeling, en voor Les Trois formules du Professeur Satō besteedde hij meer dan drie weken aan het onderzoeken van precieze beschrijvingen van Japanse vuilnisbakken.

Ook de decoren kregen grote aandacht. Jacobs hechtte veel belang aan de aankleding van zijn avonturen en werkte geregeld met medewerkers samen, maar beschouwde zulke samenwerkingen als tijdelijk en als laatste redmiddel om deadlines te halen. Hij liet onder meer Jacques Van Melkebeke vroege pagina's van Le Secret de l'Espadon inkten, vertrouwde Albert Weinberg didactische pagina's en de afwerking van het Egyptische decor in Le Mystère de la Grande Pyramide toe, vroeg Fred en Liliane Funcken om middeleeuwse episoden voor Le Piège diabolique, gebruikte vanaf Le Piège diabolique de kleurwerking van Josette Baujot, France Ferrari en Roger Leloup, en schakelde Gérald Forton in voor de eerste pagina's en een groot deel van de decors en menigtescènes in L'Affaire du collier. Die samenwerking voldeed volgens hem niet aan de verwachtingen van de lezers.

Zijn kleurgebruik was op zijn beurt vernieuwend. Volgens Benoît Mouchart en François Rivière onderscheidde hij zich van andere auteurs door een innovatieve visie op kleur, en hij behoorde tot de eerste illustratoren die de dramatische effecten van kleur begrepen. Frédéric Soumois ziet kleur bij Jacobs als een middel om sfeer als dramatisch element van het verhaal op te bouwen. Dat blijkt uit de stormscenes bij de ontsnapping van Mortimer in Le Secret de l'Espadon, de verzengende zon in Le Mystère de la Grande Pyramide, de regen en mist in Londen in La Marque jaune, de atmosferische storingen in SOS Météores en de sinistere schemering boven La Roche-Guyon aan het begin van Le Piège diabolique. Hij werkte met zogenaamde color atmospheres, uitgebreide kleurdominanten over scènes heen, een techniek die door Hergé werd benoemd. Jacobs respecteerde daarbij meestal de westerse symboliek van kleuren, gebruikte violet, roze en groen voor de kleur van de vertellingen in plaats van traditioneel wit, en koos complementaire kleuren bij de dominante kleur van de pagina terwijl wit voor de dialogen werd gereserveerd. Hergé bekritiseerde hem daarbij voor de symmetrische opbouw van het kleurgebruik in de vertellingen, die volgens hem te streng was.

Wetenschap, mysterie en esoterie

Volgens Thierry Bellefroid getuigt de stijl van Jacobs van een grote nieuwsgierigheid en van een bijzondere belangstelling voor alle domeinen van de wetenschap. In zijn werk plaatst hij de handeling van Le Mystère de la Grande Pyramide op het Gizeh-plateau en laat hij een geheime kamer in de piramide van Choefoe verbeelden. Daarbij volgt hij niet het advies van egyptoloog Pierre Gilbert over de geheimen van het Gizeh-plateau. Jacobs gaf aan de sciencefiction een precieze rol: die moest fungeren als een projectie van toekomstige verwezenlijkingen en ontdekkingen. Daarom voert hij in zijn avonturen veel wetenschappers op, geïnspireerd door de figuur van Faust, met wie hij zich sinds zijn kindertijd had ingelaten.

De omnipresentie van de wetenschap in zijn werken weerspiegelt ook zijn didactische bedoeling. Tegelijk had Jacobs sinds zijn jeugd een passie voor fantastische literatuur. Hij deelde een literaire belangstelling met Jacques Van Melkebeke; beiden hielden van romans met een sterk mysterieus element en waren gefascineerd door alchemisten. Met Jacques Laudy beoefende Jacobs zelfs spiritistische seances, en samen met Van Melkebeke en Laudy deden zij een belofte om bewijs te sturen van het voortbestaan van de ziel na de dood. Jacobs toonde geen religieuze gevoelens, maar was wel bijgelovig en geïnteresseerd in heilige en mystieke onderwerpen. In het midden van de jaren 1910 raadpleegde hij een extra-lucide ziener.

Die belangstelling voor verdwenen of mythische beschavingen met mysterie en esoterie bleef zijn hele leven aanwezig en komt terug in zijn werk en in zijn samenwerking met Hergé. Zo beïnvloedde hij het album Les Sept Boules de cristal, waarin de rampspoed van de Sanders-Hardmuth-expeditie en de vloek van Toetanchamon worden opgeroepen. Zijn fascinatie voor wetenschappen ging bovendien samen met bezorgdheid over de negatieve gevolgen van technologische vooruitgang. Hij wantrouwde ook de esthetische vernieuwing in architectuur, auto's en alledaagse voorwerpen in de twintigste eeuw. In dat opzicht identificeerde hij zich met zijn helden Blake en Philip Mortimer, vooral in hun houding tegenover wetenschap en technologie. Die spanning keert terug in Le Secret de l'Espadon, met de dreiging van het Gele Rijk, en in latere albums via de uitvindingen van professoren Septimus en Miloch.

Politieke en culturele beelden in Jacobs' werk

Edgar P. Jacobs, geboren in 1904 en gevormd door de ervaring van beide Wereldoorlogen, gebruikte zijn werk om lezers te waarschuwen voor de gevaren van technologie wanneer de mensheid zich afkeert van de moraal. In zijn visie moest politieke taal standvastig blijven tegenover totalitarisme, een houding die Blake in Le Secret de l'Espadon verwoordt. Volgens Daniel Riche koos Jacobs daarbij bewust voor Britse helden.

Het Verenigd Koninkrijk krijgt in deze reeks een bijzondere plaats. Jacobs stelt het voor als geruststellend, omdat het traditie en moderniteit verzoent en tegelijk symbool staat voor de vrije wereld en stabiliteit. Blake en Mortimer verschijnen daarbij als bevroren beelden van een natie in verandering en van haar verleden. De avonturen van het duo situeren zich in een periode van de jaren 1940 tot de jaren 1950.

Tegelijk toont Jacobs ook een wereld in verschuiving. Hij laat de Britse macht afnemen door het opkomende nationalisme in de kolonies en door de Amerikaanse hegemonie in het westerse blok. De Amerikaanse cultuur na de Tweede Wereldoorlog ziet hij als gesteund op een overheersende mythe die een corrupte wereld symboliseert. De opkomst van een Britse countercultuur vermeldt hij in de reeks niet.

Ook de visie op de Far East is negatief, vooral in Le Secret de l'Espadon. Jacobs combineert daarbij herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog met de angst voor het Yellow Peril, een idee dat in de westerse cultuur al sinds het begin van de 20e eeuw bestond. Zijn verbeelding ervan steunt bovendien op de dreiging van een militaire invasie uit het Verre Oosten, versterkt door de Russisch-Japanse Oorlog van 1904-1905, en op jeugdlectuur die door die dreiging was beïnvloed.

De ondergrondse sfeer in zijn werk

Volgens Benoît Mouchart en François Rivière hangt de terugkerende ondergrondse sfeer in het werk van Jacobs samen met een jeugdtrauma. Als twee- of driejarige viel hij in de tuin van zijn nonkel Charles Billestraet zeven meter diep in een verlaten waterput. Hij werd daar pas enkele uren later uit gered. Jacobs vertelt over deze val uit zijn kindertijd in Un Opéra de papier, maar maakt daar zelf geen verband met de invloed op zijn werk.

Censuur en visuele keuzes

Het realistische stijlgebruik van Jacobs in de avonturen van Blake en Mortimer leidde meermaals tot censuur onder de Franse wetgeving op jeugdpublicaties. Zijn uitgever bij het weekblad Tintin maakte zich in 1957 zelfs zorgen over de angstaanjagende scènes in L'Enigme de l'Atlantide. Ook Le Piège diabolique werd in Frankrijk verboden wegens de schokkende inhoud. Uit vrees voor nieuwe problemen schreef Jacobs L'Affaire du collier daarom als een meer onschuldige avontuur.

De druk van de censuur had ook gevolgen voor zijn tekenwerk. Bij de lancering van La Marque jaune ontwierp Jacobs een cover die werd tegengewerkt door Hergé en de redactie van Tintin: een donker silhouet boven de lucht van Londen, met Francis Blake die een revolver vasthoudt. Een tekening van een ballerina in tutu op een tijdschriftcover werd eveneens gecensureerd in La Marque jaune, omdat Franse censuurautoriteiten het detail als erotisch bestempelden en aanpassingen eisten. Volgens de feiten zijn vrouwelijke personages bij Jacobs dan ook schaars, mede door die voortdurende druk. In Le Piège diabolique kreeg Agnès de la Roche slechts enkele dialogen, terwijl in de eerste pagina's van L'Affaire du collier enkele elegant geklede, zwijgende vrouwen verschijnen.

Erkenning en invloed

Volgens Geert De Weyer wordt Edgar P. Jacobs door Postérité gerekend tot de drie groten van de Ecole de Bruxelles. Postérité merkt op dat zijn werk al vanaf zijn eerste avonturen werd geprezen, maar dat hij tegelijk te maken kreeg met een gebrek aan erkenning voor strips, die lang als oneervol werden beschouwd. In die context was de tentoonstelling die van 16 november tot 5 december 1967 in de Koninklijke Bibliotheek Albert I werd georganiseerd, een belangrijke mijlpaal: het was de eerste tentoonstelling die aan de negende kunst was gewijd. De catalogus van die expo werd geschreven door Jean Van Hamme, die Edgar Jacobs voorstelde als een referentie van de Belgische strip. Later werden in Frankrijk en België ook stripfanclubs opgericht en verschenen fanzines.

Postérité citeert François Riviere, die stelt dat weinig hedendaagse auteurs van Jacobs zijn werk bewondering toonden. Toch beschouwde Hergé Le Secret de l'Espadon als een meesterwerk en als een model voor medewerkers van Tintin magazine. Ook Michel Greg en André Franquin hadden Edgar P. Jacobs in hoge achting, en Franquin vond zijn tekeningen invloedrijk. Tegen het midden van de jaren zestig verscheen bovendien een nieuwe generatie auteurs die door Jacobs' stijl werd beïnvloed, waaronder Jacques Martin, Albert Weinberg en François Craenhals.

De waardering voor zijn werk werd ook zichtbaar in onderscheidingen en publiekscontact. In 1971 kreeg Edgar Jacobs de eerste Grand prix Saint-Michel op de Brusselse Boekenbeurs. Het jaar daarop wijdde Tintin magazine in zijn supplement een speciaal dossier aan hem. Ook lezers toonden hun verbondenheid: toegewijde lezers vroegen om Edgar P. Jacobs thuis te ontmoeten, en enkele van hen werden uitgenodigd in Bois des Pauvres. In 1984 verscheen met Le Monde de Edgar P. Jacobs van Claude Le Gallo de eerste studie over zijn werk.

Voortzetting van Blake en Mortimer

Na de dood van de schepper van Blake en Mortimer besloot Éditions Dargaud in 1992 om zowel Éditions Blake et Mortimer als Studio Jacobs over te nemen. Daarmee kwamen de rechten en de verdere uitbouw van het werk in nieuwe handen terecht. Voor de voortzetting van de reeks werd Jean Van Hamme gekozen voor het scenario en Ted Benoit voor de tekeningen. Een nieuw album, L'Affaire Francis Blake, liet zich inspireren door La Marque jaune en bracht een spionageverhaal dat zich in Engeland afspeelt.

Ook andere albums uit het universum rond Postérité werden nadien opnieuw opgepakt. De Fondation Jacobs besliste om Les Trois Formules du professeur Satō af te werken en uit te geven. Jacques Martin werd gevraagd voor een testplaat, maar uiteindelijk werd Bob de Moor gekozen om eraan te werken, met hulp van Geert de Sutter. Het album werd gepubliceerd en kende groot succes.

In de verdere uitbouw van de reeks werkten verschillende teams van scenaristen en tekenaars afwisselend aan nieuwe avonturen. Daardoor kwamen er uiteindelijk meer Blake et Mortimer-albums van nieuwe auteurs dan van Edgar P. Jacobs zelf.

Erkenning en postume hulde

De latere erkenning voor Edgar P. Jacobs kwam op verschillende manieren tot uiting. In 1971 ontving Postérité de Grand Prix Saint-Michel voor zijn levenswerk. In datzelfde jaar won hij ook de Grand Prix du Disque de l'Académie Charles-Cros voor de plaat van La Marque jaune. Een jaar later kreeg Postérité de Prix Saint-Michel voor beste sciencefictionkunstenaar voor Les Trois Formules du professeur Satō.

Ook na zijn dood bleef zijn werk aanwezig in tentoonstellingen en uitgaven. In 2004 ontving hij een medaille van het Hôtel des Monnaies de Bruxelles met Blake en Mortimer erop afgebeeld. Datzelfde jaar werd hij opgenomen in de tentoonstelling Blake et Mortimer à Paris ! in het Musée de l'Homme. Daarnaast was er in het Centre belge de la bande dessinée een tentoonstelling die het leven en het artistieke parcours van de auteur in kaart bracht.

Zijn oeuvre kreeg later nog meer aandacht in exposities. In 2021 was Postérité vertegenwoordigd in Le Secret des Espadons in het Musée de l'Homme, waar originele tekeningen, modellen, foto's, archieven, persoonlijke voorwerpen en ongepubliceerde iconografie over de avonturen van Blake en Mortimer te zien waren. Ook in 2021 werd hij herdacht met Edgar P. Jacobs et l’Espadon in de Maison Autrique de Bruxelles, met ongepubliceerde serigrafieën van André Juillard en Gilles Ziller. Verder maakte hij deel uit van de tentoonstelling ScientiFiction in het Musée des Arts et Métiers de Paris, en stond hij centraal in MachinaXion, Mortimer prisonnier du temps in het Château de La Roche-Guyon.

Zijn nalatenschap werd ook in andere vormen verdergezet. In 2012 verscheen de biografische strip La Marque Jacobs van Rodolphe en Louis Alloing, en in 2021 de biografische strip Edgar P. Jacobs, le Rêveur d'apocalypses van François Rivière en Philippe Wurm. Al in 1995 werd zijn leven belicht in de documentaire La Marque de Jacobs van Jean-Loup Martin en Guy Lehideux, gevolgd door de documentaire Francis Gillery, E.P. Jacobs, Blake ou Mortimer ? in 2004. Daarnaast kreeg de bibliotheek van Lasne zijn naam, verwijzend naar de laatste woonplaats van de tekenaar.

Illustraties en latere uitgaven

Edgar P. Jacobs signeerde talrijke illustraties voor verschillende tijdschriften. Tussen 1946 en 1947 maakte hij illustraties voor La Guerre des mondes, die verschenen in Tintin. Deze illustraties werden in 1971 opnieuw uitgegeven door Glénat. In 1981 publiceerde Gallimard zijn memoires, Un Opéra de papier.

Later verschenen ook meerdere verzamelingen rond zijn werk. Roland le Hardi, Dossier Chevalerie werd in 2012 uitgegeven door L'Âge d'or en bevat het manuscript van een avontuur dat in 1946 door Tintin werd geweigerd, samen met middeleeuwse illustraties van Jacobs. In 2013 bracht Les Amis de Jacobs Les Contes, illustrations of Edgar P. Jacobs uit in twee delen; daarin zijn alle waterverfwerken verzameld die de kunstenaar voor het blad Bravo ! maakte. In datzelfde jaar publiceerde hij ook twee delen onder de titel Esquisses & Dessins.

Scroll naar boven