René Magritte werd geboren in Lessines als zoon van Léopold Magritte, een kleermaker, en Régina Bertinchamps, een hoedenmaakster. Zijn familie verhuisde achtereenvolgens naar Soignies, Saint-Gilles, Lessines, Gilly en uiteindelijk Châtelet. In Châtelet volgde Magritte zes jaar lager onderwijs en het eerste jaar secundair. In 1910 nam hij er ook een schilderles in het atelier van Félicien Defoin. Als kind en jongere was hij gefascineerd door avonturenverhalen zoals Zigomar, Buffalo Bill, Texas Jack, Nat Pinkerton en Les Pieds Nickelés. Vanaf 1911 raakte hij bijzonder geïnteresseerd in Fantômas. Datzelfde jaar ontdekte hij cinema op de tentoonstelling van Charleroi, waar filmaffiches, advertenties en fotografie indruk op hem maakten. Zijn schoolresultaten aan het atheneum van Charleroi waren middelmatig. Magritte verzette zich zijn hele leven tegen psychoanalyse en vond dat kunst commentaar vereiste, geen interpretatie. Na de zelfmoord van zijn moeder in de Sambre werd het gezin verantwoordelijk geacht en verhuisde het van Châtelet naar Charleroi, waar Jeanne Verdeyen voor René Magritte en zijn broers zorgde.
- Waar groeide René Magritte op en welke vroege invloeden speelden een rol in zijn jeugd?
- Wie was Régina Bertinchamps en wat is er over haar bekend?
- Hoe verliepen René Magrittes jeugd, opleiding en eerste stappen in de kunst?
- Hoe ontwikkelde René Magritte zich in de jaren twintig en dertig van dada naar surrealistische erkenning?
- Hoe ontwikkelde de internationale erkenning van René Magritte zich in de jaren 1947 tot 1961?
- Waar en wanneer stierf René Magritte, en wat gebeurde er met zijn graf?
- Hoe speelde René Magritte met de verhouding tussen werkelijkheid, beeld en betekenis?
- Hoe wordt het werk van René Magritte in het Magritte Museum getoond en uitgewisseld?
- Hoe kwam René Magritte ook terug in muziek en in literaire verhalen?
Jeugd en eerste indrukken
René Magritte werd geboren in Lessines, als zoon van Léopold Magritte, een kleermaker, en Régina Bertinchamps, een hoedenmaakster. Het gezin verhuisde eerst naar Soignies, daarna naar Saint-Gilles en vervolgens naar Lessines, waar René werd geboren. In 1900 trok de familie naar Gilly, waar Raymond Magritte in datzelfde jaar werd geboren en Paul Magritte in 1902. In 1904 vestigden zijn ouders zich in Châtelet. Léopold Magritte werd in 1905 algemeen inspecteur bij de firma De Bruyn, die olie en margarine produceerde. René volgde er zes jaar lang lager onderwijs en het eerste jaar van het secundair onderwijs. In 1910 nam hij ook tekenles in het atelier van Félicien Defoin in Châtelet. Als kind was hij geboeid door avonturenverhalen over Zigomar, Buffalo Bill, Texas Jack, Nat Pinkerton en Les Pieds Nickelés. Vanaf 1911 raakte hij bijzonder gefascineerd door Fantômas. Datzelfde jaar ontdekte hij ook de cinema op de Tentoonstelling van Charleroi, waar filmaffiches, advertenties en fotografie een sterke indruk op hem maakten. Over zijn vader werd ook vermeld dat hij een loper was, hevig antiklerikaal en verkwistend.
Régina Bertinchamps
Régina Bertinchamps was een vrome katholieke vrouw. Over haar leven zijn in deze feiten weinig details bewaard, maar wel staat vast dat zij zich van het leven beroofde door zich te verdrinken in de Samber.
Jeugd, opleiding en eerste artistieke stappen
René Magritte groeide op in een gezin dat na de zelfmoord verantwoordelijk werd geacht en daarom van Chatelet naar Charleroi verhuisde. In Charleroi zorgde de gouvernante Jeanne Verdeyen voor René en zijn broers. Zijn vader Leopold Magritte huwde Jeanne Verdeyen later, in 1928. Magritte volgde middelmatige studies aan het atheneum van Charleroi, maar las er wel werken van Stevenson, Edgar Allan Poe, Maurice Leblanc en Gaston Leroux. Zijn vader gaf hem ook een Pathé-camera waarmee hij kleine getekende films kon maken. Tijdens vakanties in Soignies speelde René Magritte met een klein meisje in een verlaten kerkhof. In 1913 ontmoette hij Georgette Berger op de kermis van Charleroi; haar vader was slager in Marcinelle. Ze zagen elkaar ook regelmatig op weg naar school, maar verloren elkaar uit het oog bij het begin van de Eerste Wereldoorlog.
Tijdens de Duitse bezetting van Charleroi keerde het gezin terug naar Chatelet, waar zijn vader werkte als vertegenwoordiger voor Maggi's Kub-bouillon. Rond eind 1914 of begin 1915 maakte Magritte zijn eerste schilderij van meer dan anderhalve meter bij bijna twee meter, geïnspireerd door een chromo met paarden die op de vlucht slaan uit een brandende stal. Daarna liet hij zijn studies varen en vestigde zich in Brussel, in de rue du Midi, dicht bij de Academie voor Schone Kunsten, met de bedoeling er als toehoorder lessen te volgen. Voor hij aan de academie begon, schilderde hij impressionistische werken. Van 1917 tot 1919 volgde hij lessen aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Brussel bij Emile Van Damme-Sylva, Constant Montald en Gisbert Combaz, en hij studeerde er samen met Paul Delvaux. Hij volgde ook literatuurcursussen van Georges Eekhoud en steunde hem na zijn ontslag.
Het gezin vestigde zich in 1918 in Brussel, en na een korte terugkeer naar Chatelet in 1917 werkte Magritte in 1919 en 1920 in een atelier dat hij samen met Pierre-Louis Flouquet huurde. Hij gaf veel geld uit, afkomstig van zijn vaders dubieuze activiteiten en van decoratieve schilderijen, in een bohemien en anarchistische sfeer. In 1919 en 1920 werden werken van Pierre-Louis Flouquet en niet-figuratieve schilderijen en affiches van Magritte getoond in het Brussels Art Center, onder leiding van Aimé Declercq. Op de tweede tentoonstelling in januari 1920 ontmoette hij E. L. T. Mesens, die toen pianoleraar was van zijn broer Paul. Magritte ontdekte het kubisme en futurisme via vrienden. Tussen 1919 en 1921 vervulde hij zijn militaire dienst in kamp Beverloo bij Antwerpen, daarna diende hij in Bourg-Leopold en op het ministerie van Oorlog. Van 1922 tot 1924 werkte hij als tekenaar samen met de schilder Victor Servranckx in de behangfabriek Peters-Lacroix in Haren. Op 31 mei 1922 trouwde hij met Georgette Berger, en in augustus 1922 verhuisden zij naar Laken.
Van dada naar surrealisme
In 1922 ontmoette René Magritte Marcel Lecomte en Camille Goemans. Via hen kwam hij in aanraking met het dada-milieu. In datzelfde jaar ontdekte hij een reproductie van Chant d'amour van Giorgio De Chirico uit 1914. Magritte schreef later over de artistieke openbaring die dit werk bij hem teweegbracht.
In 1924 verliet hij zijn job in een behangpapierfabriek en verbleef hij korte tijd in Parijs op zoek naar werk. Daarna keerde hij terug naar Brussel, waar hij van 1924 tot 1928 zelfstandig werkte. In die periode maakte hij projecten voor film en theater, maar ook voor automobielbedrijven als Alfa Romeo en Citroën. Daarnaast werkte hij voor onder meer Maison Norine, Etablissements Minet, chocolatier Neuhaus, Maison Vanderborght, Primevere en lingerie Thila Naghel.
Magritte was in deze jaren ook actief in tijdschriften en groepen. In april 1925 werkte hij samen met E. L. T. Mesens mee aan de revue 391, onder leiding van Francis Picabia. Dat jaar planden Magritte, Goemans, Lecomte en Mesens ook een nieuwe dada-revue, Periode, maar die werd nog voor de lancering stopgezet door een tract van Paul Nouge. In 1927 richtten Magritte en Mesens de revue Oesophage op, waarvan slechts een nummer verscheen. In 1924 en 1925 sloot hij zich aan bij de Correspondance-groep met Nouge, Goemans, Lecomte, Mesens en Andre Souris. In september 1925 droeg hij bij aan een gemeenschappelijk pamflet tegen Geo Norge en Jean Cocteau. Ook nam hij in 1927 deel aan het laatste nummer van Marie. Journal bimensuel pour la belle jeunesse.
Zijn band met het surrealisme werd nog duidelijker in juli 1927, toen hij toetrad tot de surrealistische groep van Brussel, met onder anderen Louis Scutenaire en Irene Hamoir. In 1926 sloot hij een contract met Paul-Gustave van Hecke. Een jaar later stelde hij ongeveer vijftig schilderijen tentoon in Galerie Le Centaure. Uit die periode dateert ook Le Jockey perdu, geschilderd in 1926. Verder illustreerde hij catalogi voor Maison Muller et Samuel in 1926-1927 en 1927-1928.
In 1929 publiceerde Magritte Le Sens propre en Les Mots et les images in La Revolution surrealiste. In de zomer van dat jaar bezocht hij Salvador Dali in Cadaques. Er ontstond ook een conflict met Andre Breton over een Christuspandant die Georgette Magritte droeg. Door de crisis van 1929, die Europa trof, keerde Magritte in 1930 terug naar Belgie en vestigde hij zich in de rue Essenghem in Jette.
Internationale tentoonstellingen en latere opdrachten
René Magritte stelde in 1947 voor het eerst tentoon in New York, in de Hugo gallery onder leiding van Alexandre Iolas. In mei 1948 presenteerde Iolas zijn schilderijen opnieuw in zijn nieuwe galerij. Ook in 1951 en 1952 werden Magrittes werken door Iolas voorgesteld in diens galerie. In 1953 exposeerde Magritte in Milaan. De relatie tussen Magritte en Iolas verliep echter niet altijd vlot, want er ontstonden geregeld commerciële meningsverschillen over artistieke periodes. Iolas gaf Magritte ook opdrachten voor variaties of replica's van oudere werken, en hij bleef tentoonstellingen van zijn werk organiseren tot aan Magrittes dood.
Intussen werkte Magritte in januari gedurende zes weken aan ongeveer veertig felgekleurde schilderijen en gouaches. Die werken waren bedoeld om Parijse handelaars te misleiden en de Franse smaak te choqueren. Ze werden tentoongesteld in Galerie du Faubourg en ingeleid door Scutenaire. Na het misverstand rond deze felgekleurde werken keerde Magritte terug naar zijn vroegere stijl. In een brief aan Scutenaire van 4 maart beloofde hij een nieuwe stijl te vinden. Irène Hamoir schonk later veel van deze felgekleurde werken aan het Brusselse museum.
Vanaf 1952 tot 1956 stond Magritte ook aan het hoofd van de revue La Carte d'apres nature, die als postkaart werd gepresenteerd. In 1952 en 1953 maakte hij Le Domaine enchante voor de decoratie van het casino van Knokke-le-Zoute. Later volgden La Fee ignorante voor het Paleis voor Schone Kunsten in Charleroi in 1957 en Les Barricades mysterieuses voor het Brusselse Congrespaleis in 1961. In 1954 organiseerde Mesens in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten een eerste retrospectieve tentoonstelling van zijn werk. Magrittes succes groeide pas langzaam vanaf 1957, via Alexandre Iolas en Amerika. In november reisde hij naar Ischia in Italie om zijn gezondheid te verbeteren en passeerde hij Rome. In december trok hij naar de Verenigde Staten voor een eerste retrospectieve in MoMA, die later ook in Chicago, Berkeley en Pasadena te zien was. Nadien opende nog een nieuwe retrospectieve op 28 juni in het Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam.
Overlijden en graf
René Magritte stierf in 1967 in 97, rue des Mimosas in Schaerbeek, op 68-jarige leeftijd. Als doodsoorzaak worden alvleesklierkanker of complicaties door geelzucht vermeld. Hij werd begraven op het gemeentelijke kerkhof van Schaerbeek. Zijn echtgenote overleed in 1986 en werd naast hem bijgezet. Sinds 2009 is zijn graf door het Brussels Gewest geklasseerd als monument en site.
Beeld, woord en mysterie
René Magritte ontwikkelde een picturaal alfabet met terugkerende motieven zoals de appel, de vogel, de man met bolhoed en gefragmenteerde lichamen. Vaak verstopte hij beelden achter of in andere beelden, zodat er tegelijk een zichtbare en een onzichtbare laag ontstond. Zijn schilderijen spelen geregeld met de kloof tussen een voorwerp en de voorstelling ervan, en precies daar plaatste hij zichzelf ook tussen dingen en hun afbeelding, tussen beelden en woorden.
Een bekend voorbeeld is de pijp uit La Trahison des images uit 1928-1929, met de tekst Ceci n est pas une pipe. Magritte stelde dat dit schilderij het voorwerp bekijkt als een concrete werkelijkheid, niet als een abstracte of willekeurige term. Het werk bevraagt daardoor zijn eigen aard en ook de handeling van de schilder op het beeld. Volgens Magritte is schilderen nooit een voorstelling van een echt voorwerp, maar het denken van de schilder dat op dat voorwerp inwerkt.
Die benadering sluit aan bij zijn voorkeur voor mysterie. Hij herleidde de werkelijkheid tot een abstracte gedachte, uitgedrukt in formules, en koos daarbij voor een neutrale, academische en zelfs wetenschappelijke stijl. Juist die schijnbare afstand maakt duidelijk hoe hij de relaties tussen dingen ontleedt. Tegelijk had hij een aangeboren afkeer van plastische, lyrische of schilderachtige kunst en wilde hij alles wat conventioneel was in de schilderkunst afschaffen. Ook vond hij dat de werkelijkheid niet symbolisch benaderd mocht worden.
In veel werken keert een glanzende zwarte bol terug, in het midden gespleten. Die vorm is geïnterpreteerd als een zwart oog, een voorstelling van het vrouwelijk geslacht of een geometrische vorm. Magritte behield bewust het mysterie van dit object en richtte de aandacht er tegelijk sterk op. Hij blonk ook uit in het weergeven van mentale beelden en benaderde de zichtbare werkelijkheid op een objectieve manier. Zijn decoratieve talent blijkt uit de geometrische ordening van zijn voorstellingen. Als schilder van metafysica en surrealisme behandelde hij alledaagse dingen met bijtende humor en gebruikte hij schilderkunst als een instrument van kennis dat onlosmakelijk verbonden bleef met mysterie.
Werk in het Magritte Museum
Het Magritte Museum bewaart en toont een belangrijke collectie werken van René Magritte. Door zijn internationale bekendheid kreeg zijn kunst er een eigen ruimte voor kunst en communicatie. In de collectie zitten ook meer dan 200 foto's die zijn leven, familie, opleiding, vrienden en echtgenote Georgette in beeld brengen. Fotografie was essentieel voor zijn kunst en deze foto's werden gebruikt bij het maken van zijn schilderijen.
Sinds 2010 bestaat er een uitwisselingsbeleid voor werken van René Magritte tussen het Magritte Museum en de Menil Foundation in Houston, Texas. Het museum leende ook enkele werken uit aan het Museum of Modern Art in New York voor vier maanden. In 2011 toonde het Magritte Museum bovendien een reeks werken die in bruikleen waren van een Engelse privéverzamelaar.
Magritte in muziek en misdaadromans
René Magritte schilderde Le Jeu de Mourre, een werk dat later werd gekocht door Paul McCartney. Ook in de muziek dook zijn naam op: Paul Simon bracht in 1983 op het album Hearts and Bones het lied Rene and Georgette Magritte with Their Dog after the War uit. Daarnaast verschenen er in de literatuur detectiveverhalen rond Magritte en zijn vrouw. Nadine Monfils publiceerde de reeks Les folles enquêtes de Magritte et Georgette, waarin zij als amateurdetectives optreden. Tot die reeks behoren onder meer Nom d'une pipe !, A Knokke-le-Zoute, Les fantomes de Bruges, Liege en eaux troubles, Leffe toi et marche, Charleroi du crime, A Montmartre en Pataquas a Cadaques.