Bob De Moor werd geboren in Antwerpen en overleed in Brussel, in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Hij was een Belgische striptekenaar en de zoon van een industrieel ontwerper. Tijdens de Duitse bezetting in België publiceerde hij anti-Britse karikaturen in Les Hommes au travail. Daarna volgde hij een opleiding aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen en begon hij zijn loopbaan in een animatiestudio, Afim.
In 1945 tekende hij Bart de Moussaillon in het magazine en bedacht hij ook verhalen met inspecteur Marks, professor Hobbel en assistent Sobbel. Eind 1945 en in 1946 publiceerde hij humoristische tekeningen in ABC. In 1947 maakte hij een Frans album, Le Mystère du vieux château-fort, op scenario van John van Looveren, en leverde hij talrijke verhalen aan de Vlaamse pers, waaronder Moneke et Johnekke en Janneke et Stanneke. Hij richtte ook Artec-Studio op. Vanaf 1950 werkte hij samen met de krant en volgde hij Lucien De Roeck en Raf Van Dijck op. Op 8 april 1950 lanceerde hij Les Nouvelles Aventures de Till l'Espiègle. Hij tekende talrijke stripreeksen en was gedurende verschillende Kuifje-albums de rechterhand van Hergé.
- Welke rol speelde Bob de Moor in de stripwereld?
- Hoe verliep de vroege carrière van Bob De Moor en welke belangrijke reeksen maakte hij voor de pers?
- Hoe werkte Bob de Moor samen met Hergé en wat deed hij bij de Studio’s Hergé?
- Welke reeksen en tekenstijlen ontwikkelde Bob de Moor?
- Welke plaats heeft Mortimer tegen Mortimer binnen de reeks van professor Satō?
- Wat deed Bob de Moor in zijn laatste levensjaren?
- Hoe werd het laatste album van de reeks Cori de moussaillon afgewerkt?
- Aan welke verzamelalbums nam Bob de Moor deel?
- Welke kinderen had Bob De Moor?
Carrière als striptekenaar
Bob de Moor was een Belgische striptekenaar, geboren in Antwerpen en overleden in Brussel, in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Hij tekende talrijke stripreeksen en werkte mee aan verschillende albums van Kuifje. Daarbij was hij de rechterhand van Hergé, wat wijst op zijn belangrijke plaats binnen de productie rond de Kuifje-reeks.
Vroege loopbaan en samenwerking met tijdschriften
Bob De Moor werd geboren in Antwerpen en was de zoon van een industrieel ontwerper. Tijdens de Duitse bezetting in België publiceerde hij anti-Britse karikaturen in *Les Hommes au travail*. Daarna volgde hij een opleiding aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen en begon hij zijn loopbaan in de animatiestudio Afim.
In 1945 tekende hij in het tijdschrift *Het Volk* Bart le Moussaillon en bedacht hij ook de verhalen rond inspecteur Marks, professor Hobbel en assistent Sobbel. Eind 1945 en in 1946 publiceerde hij humoristische tekeningen in *ABC*. In 1947 maakte hij het Franstalige album *Le Mystère du vieux château-fort*, met scenario van Jan van Looveren, en leverde hij talrijke verhalen aan de Vlaamse pers, waaronder *Moneke et Johnekke* en *Janneke et Stanneke*. In datzelfde jaar richtte hij Artec-Studio op en werkte hij veel voor Nederlandstalige tijdschriften.
Vanaf 1949 was hij verbonden aan *Kuifje*, het Vlaamse equivalent van *Journal de Tintin*. In dat jaar hielp hij zijn jeugdvriend Willy Vandersteen en diens reeks, waaronder *Bob en Bobette*. Hij trad ook toe tot *Journal Tintin* door *De Leeuw van Vlaanderen* en *De Jongens van Vlaanderen* te illustreren. Daarnaast maakte hij gags voor *Bouboule en Noiraud* en *Mijnheer Triest*, en creëerde hij Barelli, een jonge acteur en detective, alsook Cori de Moussaillon; ook illustreerde hij *Conrad de Dappere*.
In 1950 begon hij samen te werken met de krant, waar hij Lucien De Roeck en Raf Van Dijck opvolgde. Op 8 april 1950 lanceerde hij de strip *De nieuwe avonturen van Tijl Uilenspiegel*, met de populaire Vlaamse held Tijl Uilenspiegel en Lamme Goedzak. Hij situeerde deze reeks van de middeleeuwen tot de hedendaagse tijd. Hij maakte ook verhalen zoals *De valse tanden*, die Vlaams-nationalistische propaganda uitdroegen, en uitte kritiek op de naoorlogse repressie van nazi-collaborateurs, het bombardement op de IJzertoren in 1946 en de gedwongen abdicatie van koning Leopold III. Van de reeks verschenen vier Tijl-verhalen in de dagbladpers; de laatste aflevering kwam uit op 29 maart 1955. De reeks werd bovendien gepubliceerd in aanverwante kranten. Later, in 1978, lieten de Brusselse uitgaven van *Chlorophylle* het album *De lamo van Laïbona* verschijnen met de avonturen van Tijl en Lamme.
Medewerker bij Studio’s Hergé
Bob de Moor trad binnen bij de Studio’s Hergé als vervanger van Edgar P. Jacobs, of volgens de versie van Gilles Ratier als assistent-tekenaar. Al snel groeide hij uit tot Hergés belangrijkste medewerker. Hij vroeg Hergé nooit om medeauteur van Kuifje te worden en stond tot aan Hergés overlijden in voor de supervisie van alle neventekeningen met Kuifje en zijn vrienden. Vanaf 1953, sinds Op een dag op de Maan, werkte hij in de jaren 1950, 1960 en 1970 actief mee aan de aankleding van Kuifje-albums. Hij leverde ook bijdragen aan merchandising, reclame en tekenfilms binnen de studio’s. Daarnaast nam hij deel aan de tekenfilms De Tempel van de Zon en Kuifje en het Haaiemeer.
De samenwerking tussen Hergé en De Moor ging verder dan het atelier. In 1956 voeren beiden met het vrachtschip Reine Astrid de Noordzee over om voorbereidende schetsen te maken voor het album Cokes in voorraad. De Moor diende daarbij vaak als model en beeldde houdingen uit van personages die Hergé tekende. Hij werkte mee aan de hertekening van Het Zwarte Eiland op verzoek van een Engelse uitgever in 1966 en maakte ook een grote strippagina van de maanraket in het eerste maanalbum.
Naast zijn werk voor Kuifje bouwde De Moor een eigen loopbaan uit. In 1959 creëerde hij de humoristische reeks Piraten van de Zoete Wateren. Vanaf 1965 illustreerde hij enkele Balthazar-grappen in Kuifje. In 1970 nam hij van Jacques Martin de reeks Lefranc over voor het album De Wolvenschuilplaats. In 1979 en 1980 herdrukte Bédéscope zeven van zijn verhalen onder de titel Nonkel Zigomar. Zijn stijl blijft zichtbaar in de nevenrollen en de inkleuring van Kuifje en de Picaro’s, het laatste volledig afgewerkte album van Hergé. Na Hergés dood in 1983 wilde De Moor Kuifje en de Alfa-kunst afwerken, maar Fanny, de weduwe van Georges Remi, besloot het onvoltooid te laten. In 1983 werden de Studio’s Hergé ontbonden. Later werkte De Moor nog mee aan het Kuifje-muurschildering in de Brusselse metro, onthuld in 1988 in het station Stokkel.
Reeksen en stijl
Bob de Moor creëerde twee reeksen: Barelli en Cori de moussaillon. Daarnaast werkte hij in verschillende stijlen, waaronder de Hergé-stijl, de vierkante stijl, de ronde stijl en de gravurestijl. Ook nam hij de grafische stijlen van Martin en Jacobs over voor de hoofdpersonages Lefranc en Blake en Mortimer. Zijn album L'Expédition maudite kreeg in 1988 de Prijs Jeugd op het festival van Angoulême. In 1989 voltooide hij Mortimer tegen Mortimer.
Mortimer tegen Mortimer
Mortimer tegen Mortimer vormt het tweede deel van De Drie Formules van professor Satō. Deze stripreeks bleef onvoltooid door het overlijden van Edgar P. Jacobs, waardoor het verhaal niet werd afgerond.
Laatste jaren en overlijden
In 1989 werd Bob de Moor artistiek directeur bij uitgeverij Lombard. Daarnaast bleef hij tot aan zijn dood voorzitter van de raad van bestuur van het Belgisch Centrum van het Stripverhaal in Brussel. Zijn laatste gesigneerde werk maakte hij in de zomer van 1992: de cover van "La 22, enquête sur une mystérieuse Citroën". Dat album werd in 1994 uitgegeven door uitgeverij Rétroviseur. Bob de Moor overleed aan het einde van de zomer, op 75-jarige leeftijd, aan longkanker.
Laatste album van Cori de moussaillon
Zijn zoon Johan De Moor voltooide samen met Stephen Desberg het laatste album uit de reeks Cori de moussaillon. Dat album, met als titel Dali Capitan, werd in 1994 uitgegeven door uitgeverij Casterman.
Deelname aan verzamelalbums
Bob de Moor nam deel aan diverse verzamelalbums en collectieve uitgaven. Zo werkte hij mee aan «Il était une fois… Les Belges», uitgegeven door Le Lombard in 1980, en aan het album van het humoristische «Journal Tintin» in 1981. In 1983 was hij betrokken bij «Speciaal Hergé», uitgegeven door Casterman, en bij «De agenda van het Journal Tintin 1984», eveneens van Le Lombard. Twee jaar later volgde «Het avontuur van het Journal Tintin – van stripverhaal», opnieuw bij Le Lombard, en «Pétitie – Op zoek naar Oesterheld en zoveel anderen!», uitgegeven door Amnesty International België. In 1987 nam hij deel aan «Parodieën – … door hun echte auteurs!», van M.C. Productions. Het jaar daarop werkte hij mee aan «De B.D. zingt Brel – Het platte land + De voornamen», uitgegeven door Brain Factory. In 1991 volgde nog «Beelden van het scoutisme – van FSC-kalender», uitgegeven door FSC.
Gezin en kinderen
Bob De Moor had vier zonen: Dirk, Johan, Chris en Stefaan. Daarnaast had hij een dochter, Annemie, die werkzaam was bij Studio's Hergé en Casterman.