Charles Marie Pierre Albert, graaf de Broqueville, werd geboren in Mol, in het kasteel van Postel, en overleed in Brussel. Hij was een Belgische staatsman en een lid van de Katholieke Partij. In 1919 werd hij verheven tot baron, en in 1920 tot graaf. Hij bekleedde tweemaal het ambt van eerste minister van België.
Hij was de zoon van Stanislas baron de Broqueville, een Belgische politicus, en van Marie-Claire de Briey. Zijn familie was van Gersoise oorsprong; zijn voorouders kozen eerst voor militaire loopbanen en vestigden zich later in België door een huwelijksverbintenis. De Broqueville kreeg zijn privé-opleiding aan het jezuïetencollege van Turnhout en werd onder meer gevormd door abbé Simon, later prelaat en aalmoezenier aan het hof. Hij sprak en schreef vlot Frans en Nederlands. In 1885 huwde hij barones Berthe d’Huart, dochter van senator Alfred d’Huart en kleindochter van Jules Malou, wat zijn netwerk uitbreidde en zijn intrede in de politiek vergemakkelijkte. Hij was al vanaf jonge leeftijd lid van de gemeenteraad van Mol.
- Wie was Charles de Broqueville en welke adellijke titels kreeg hij?
- Hoe zag de afkomst, opleiding en het huwelijk van Charles de Broqueville eruit?
- Hoe kwam Charles de Broqueville in de politiek terecht?
- Welke rol speelde Charles de Broqueville in de herorganisatie van het Belgische leger?
- Waar verbleef de regering van De Broqueville tijdens de oorlog?
- Hoe droeg Charles de Broqueville bij tot de heropbouw van het Belgische leger tijdens de Eerste Wereldoorlog?
- Hoe steunde Charles de Broqueville koning Albert I tijdens de Eerste Wereldoorlog, en welke politieke kwesties kwamen daarbij naar voren?
- Welke regeringsfuncties bekleedde Charles de Broqueville na de Eerste Wereldoorlog, en hoe eindigde zijn politieke loopbaan?
- Welke eerbewijzen ontving Karel de Broqueville?
Belgisch staatsman en adellijke verheffingen
Charles de Broqueville was een Belgisch staatsman en lid van de Katholieke Partij. Hij diende tweemaal als eerste minister van België. Hij werd geboren in het kasteel van Postel in Mol en overleed in Brussel. In 1919 werd hij in de adelstand verheven tot baron, en in 1920 kreeg hij de titel van graaf.
Afkomst en opleiding
Charles Marie Pierre Albert, graaf de Broqueville, werd geboren in Mol. Hij was de zoon van Stanislas baron de Broqueville, een Belgische politicus, en van Marie-Claire de Briey. Zijn familie had van oorsprong een Gersische achtergrond; zijn voorouders kozen voor militaire loopbanen voordat zij zich via een huwelijksverbintenis in België vestigden. De Broqueville kreeg een privéopleiding aan het jezuïetencollege van Turnhout en werd vooral gevormd door abt Simon, die later prelaat en hofkapelaan zou worden. Hij sprak en schreef vlot Frans en Nederlands. In 1885 huwde hij barones Berthe d'Huart, dochter van senator Alfred d'Huart en kleindochter van de Belgische stafchef en katholieke leider Jules Malou.
Intrede in de politiek
Zijn huwelijk breidde zijn relaties uit en opende voor Charles de Broqueville de weg naar de politiek. Van jongs af was hij gemeenteraadslid in Mol. In 1886 werd hij lid van de provincieraad van Antwerpen. In 1892 werd hij katholiek volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Turnhout in de Kamer, een mandaat dat hij behield tot een niet nader vermelde datum. Later was hij provinciaal senator van Namen. Van 1925 tot 1936 was hij bovendien gecoöpteerd senator.
Minister van Oorlog en hervormer van het leger
In het kabinet van François Schollaert werd Charles de Broqueville minister van Spoorwegen, Posterijen en Telegrafie. Na de val van de Schollaertregering riep koning Albert hem in 1911 op om een nieuwe rechtse regering te vormen. Vervolgens reorganiseerde de Broqueville het leger en breidde hij de rekruteringsbasis uit. Als opvolger van generaal Michel als minister van Oorlog liet hij ook de wet tot veralgemening van de militaire dienst aannemen. Daarnaast hervormde hij het militair bevel, verhoogde hij de bewapening en creëerde hij nieuwe eenheden. Koning Albert beschouwde zichzelf als hoofd van het Belgische leger, terwijl de Belgische regering zich bezighield met burgerlijke zaken.
Ballingschap van de regering
In oktober vluchtte de regering-De Broqueville samen met het leger uit België, onder bescherming van de versterkte stelling van Antwerpen. Tegen het einde van die maand stond deze verdedigingspositie op het punt in Duitse handen te vallen. De regering verhuisde daarop naar Duinkerke, waar zij verbleef tijdens de Slag aan de IJzer. In 1915 vestigden De Broqueville en zijn regering zich in Sainte-Adresse, aan de Normandische kust, om daar alle bevoegdheden van de Belgische regering uit te oefenen. Zij bleef er gedurende de hele oorlog.
Hervorming van het leger
In de regering liet Charles de Broqueville uit de resten van het leger van 1914 een modern en doeltreffend leger herstellen, uitrusten, reorganiseren en opleiden. Deze hervorming zorgde ervoor dat de strijdkrachten tegen het einde van de oorlog beter voorbereid waren. Het gemoderniseerde leger speelde vervolgens een beslissende rol in de zegevierende offensieven van 1918.
Oorlogsjaren en politieke spanningen
Tijdens de Eerste Wereldoorlog verbleef koning Albert in De Panne, in het nog vrije deel van België, vanwaar hij het Belgische leger aanvoerde. De Broqueville, als eerste minister én minister van Oorlog, verbleef in die periode geregeld bij de koning om diens optreden politiek te ondersteunen. In 1914 rees de vraag of er voor de besluiten van de koning als legeraanvoerder in Antwerpen een civiele dekking nodig was. Albert beschouwde zijn recht om het leger persoonlijk te bevelen als rechtstreeks verbonden met zijn grondwettelijke eed, maar De Broqueville was het daarmee oneens. Hij bezorgde de koning in 1914 via graaf de Lichtervelde een nota, waarop Albert scherp reageerde en deze afwees.
Na de overwinning kwam die kwestie over de autonomie van de koning als legeraanvoerder nauwelijks nog ter sprake, behalve bij luitenant-generaal Antonin de Selliers de Moranville. De onduidelijkheid keerde opnieuw terug in 1936, toen koning Leopold III overwoog om als legeraanvoerder onafhankelijk op te treden. Intussen bleef de Belgische regering in ballingschap tijdens de oorlog haar werkzaamheden voortzetten. In 1916 breidde De Broqueville de regering uit met liberalen Paul Hymans en graaf Eugène Goblet d'Alviella, en met socialist Émile Vandervelde. In 1917 droeg hij de portefeuille van Oorlog over om zelf de verantwoordelijkheid voor Buitenlandse Zaken op te nemen.
De oorlog bracht ook bredere internationale kwesties met zich mee. De overwinningen van Belgisch-Congo in Oost-Afrika in 1917 riepen vragen op over de Belgische positie in Afrika tegenover Britse ambities. Vanaf 1915 onderhield koning Albert bovendien indirecte contacten met leden van de Duitse koninklijke familie, onder wie graaf Hans Veit zu Toerring-Jettenbach. Duitse eisen wezen de Belgische verzoeken tot herstel van de onafhankelijkheid en tot vergoeding van de menselijke en materiële verliezen door de invasie af. In 1916 voerde De Broqueville ook geheime onderhandelingen met Duitsland over een compromisvrede voor Frankrijk en België. Daarnaast steunde hij de koning toen die de prinsen Sixte de Bourbon-Parma en François-Xavier de Bourbon-Parma inschakelde om via hun dynastieke relaties in Europa te bemiddelen.
Ministeriële functies en politieke terugtrekking
Na de wapenstilstand van 1918 werd Charles de Broqueville lid van de coalitieregering die in Loppem werd gevormd, na het bevrijdende offensief van het Belgische leger. Hij werd er minister van Binnenlandse Zaken en vervulde die functie één jaar, tot de val van de regering-Delacroix I. In die periode zette hij zich in om ook aan rechtse kringen aanvaardbaar te maken dat het meervoudig stemrecht werd afgeschaft ten voordele van het algemeen stemrecht.
In 1926 werd hij in de regering-Jaspar I benoemd tot minister van Landsverdediging. Hij bleef deze portefeuille behouden tot de val van de regering-Jaspar II. Tijdens deze periode vervulde hij bovendien ad interim de functie van minister van Onderwijs. Later vertrouwde koning Albert hem de opdracht toe om de Kamers te ontbinden om de economische crisis aan te pakken. Daarop vormde De Broqueville zelf een kabinet als eerste minister, minister van Landbouw en minister van Middenstand.
Zijn coalitieregering kreeg te maken met verslechterende internationale en economische omstandigheden, evenals met discussies over de militaire strategie. Toen hij geen akkoord vond over het economische beleid, nam hij ontslag en trok hij zich terug uit het politieke leven. In de Senaat sprak hij nog over de noodzaak om te rouwen om het Verdrag van Versailles na de dood van de koning. Ook pleitte hij er voor een akkoord tussen de bondgenoten van 1914-1918 en Duitsland over de ontwapening, waarbij hij waarschuwde dat er zonder zo’n overeenkomst een nieuwe oorlog kon uitbreken. Hij verliet het openbare leven in 1936.
Eerbewijzen en onderscheidingen
In 1918 benoemde koning Albert hem tot graaf en staatsminister. Ter nagedachtenis aan Karel de Broqueville werd in Sint-Lambrechts-Woluwe ook een laan naar hem genoemd: de Karel de Broquevillelaan. Daarnaast werd er in dezelfde gemeente een monument opgericht met een medaillon waarop zijn beeltenis staat, gemaakt door Inès de San.