Désirée Artôt was het toneelnaam van Marguerite-Joséphine-Désirée Montagney, geboren in Parijs op 21 juli 1835 en overleden in Berlijn op 3 april 1907. Zij was een Belgische operazangeres die zich specialiseerde in Duits en Italiaans repertoire en bijna altijd in het Duits zong. Haar loopbaan begon als mezzo-sopraan; later trad zij op als sopraan.
De naam Artôt nam zij over van haar vader en haar oom, Belgische musici die deze familienaam als professionele naam gebruikten. Haar vader, Jean Désiré Montagney, was hoornist aan het Teatro Real de la Moneda en docent aan het Conservatorium van Brussel. Haar oom, Alexandre Artôt, was violist en gebruikte eveneens Artôt als artistiek pseudoniem.
In 1868 had zij een korte romantische relatie met Pjotr Tsjaikovski. Volgens Tsjaikovski was zij de enige vrouw van wie hij had gehouden, en hij was van plan met haar te trouwen. In datzelfde jaar huwde zij bariton Mariano Padilla y Ramos, die zeven jaar ouder was dan zij. Tsjaikovski droeg een Romanz voor piano aan haar op en verwees later naar haar gecodeerde naam in de ouverture-fantasie Romeo en Julia en in zijn Eerste pianoconcert.
- Welke artiestennaam gebruikte Désirée Artôt en hoe ontwikkelde haar zangstem zich?
- Welke rol speelde Désirée Artôt in het leven van Pjotr Tsjaikovski?
- Waar kwam Désirée Artôt uit?
- Hoe verliep de start van Désirée Artôts artistieke loopbaan?
- Hoe verliep Désirée Artôts reis naar Rusland en haar band met Tsjaikovski?
- Hoe verliep de relatie van Désirée Artôt met Tsjaikovski?
- Waarom gingen Désirée Artôt en Pjotr Tsjaikovski niet trouwen?
- Hoe reageerde Pjotr Iljitsj Tsjaikovski op het huwelijk van Désirée Artôt met Mariano Padilla?
Naam en stemsoort
Désirée Artôt was het toneelnaam van Marguerite-Joséphine-Désirée Montagney, die op 21 juli 1835 in Parijs werd geboren en op 3 april 1907 in Berlijn overleed. Zij was een Belgische operazangeres die zich specialiseerde in Duits en Italiaans repertoire en bijna altijd in het Duits zong. De naam Artôt nam zij over van haar vader en oom, die Belgische muzikanten waren. Haar loopbaan begon zij als mezzo-sopraan, maar later zong zij als sopraan.
Relatie met Pjotr Tsjaikovski
In 1868 had Désirée Artôt een korte liefdesrelatie met Pjotr Tsjaikovski. Tsjaikovski verklaarde later dat zij de enige vrouw was van wie hij had gehouden en hij had het plan om met haar te trouwen. Hij droeg zijn Romance voor piano aan haar op. In datzelfde jaar trouwde Artôt met de bariton Mariano Padilla y Ramos, die zeven jaar ouder was dan zij. Ook nadat hun relatie voorbij was, bleef zij in Tsjaikovski’s werk weerklinken: in 1869 verwees hij naar haar gecodeerde naam in de ouverture-fantasie Romeo en Julia, en opnieuw in 1875 in zijn Eerste pianoconcerto.
Familieachtergrond
Désirée Artôt kwam uit een muzikale familie. Haar vader, Jean Désiré Montagney, was hoornist aan het Koninklijk Theater van de Munt en docent aan het Conservatorium van Brussel. Ook haar oom Alexandre Artôt was violist; hij werd geboren in 1815 en stierf in 1845. Alexandre Artôt heette oorspronkelijk Montagney, maar nam Artôt aan als artistiek pseudoniem, en de familie gebruikte die naam vervolgens als hun professionele naam. Een andere oom was Charles Baugniet, een portretschilder, geboren in 1814 en overleden in 1886.
Begin van haar artistieke loopbaan
Désirée Artôt volgde zangopleiding bij Pauline Viardot en Francesco Lamperti. Op 19 juni 1857 gaf zij concerten in België, Nederland en Engeland. Vervolgens werd zij door Giacomo Meyerbeer uitgenodigd om te zingen aan de Parijse Opera, waar zij op 5 februari 1858 debuteerde als Fidès in Meyerbeers opera De profeet. In die periode vertolkte zij ook de hoofdrol in Charles Gounods eerste opera Sappho. Haar stem en zangstijl werden geprezen door onder meer componist Hector Berlioz en andere critici.
In 1859 liet zij het Franse repertoire achter zich en zette zij haar loopbaan voort in Italië en Duitsland. In Duitsland opende zij met Lorini's Italiaanse gezelschap het Victoria-Theater in Berlijn. Daar boekte zij groot succes met de opera's De barbier van Sevilla, La Cenerentola en Il trovatore. Tussen 1859 en 1860 zong zij in Londen, en in 1863 keerde zij terug naar Her Majesty's Theatre. Zij trad er op in onder meer De dochter van het regiment, La traviata en Norma, waarin zij Adalgisa zong naast Thérèse Tietjens in de titelrol. In 1864 keerde zij opnieuw terug naar Londen om in Covent Garden te zingen, en in 1866 keerde zij terug naar Engeland voor Faust van Gounod en andere rollen. In 1861 had zij een korte relatie met de harpist John Thomas.
Reis naar Rusland en ontmoeting met Tsjaikovski
In 1868 toerde Désirée Artôt door Rusland met een Italiaanse compagnie, waartoe ook de tenor Roberto Stagno behoorde. De optredens waren bijzonder succesvol in Moskou. Op een receptie in haar paleis knielde Maria Begitsjeva voor Artôt en kuste haar hand; Begitsjeva was de vrouw van de directeur van het repertoire van de staatsmtheaters in Moskou. Haar zoon uit een eerder huwelijk, Vladimir Shilovski, werd later leerling van Tsjaikovski en mogelijk ook zijn geliefde.
Relatie met Tsjaikovski
Désirée Artôt ontmoette Pjotr Tsjaikovski in het voorjaar op een feest dat door de familie Begitsjev was georganiseerd. Later kwamen zij opnieuw met elkaar in contact na een benefietvoorstelling van Daniel Aubers opera *De Zwarte Domino*, waarvoor Tsjaikovski extra recitatieven schreef. Ook op een muzikaal samenzijn zagen zij elkaar weer. Artôt toonde haar verwondering dat zij Tsjaikovski in de herfst niet had gezien, terwijl hij had beloofd haar vaak te bezoeken, een belofte die hij niet nakwam. Op aandringen van Anton Rubinstein ging Tsjaikovski naar voorstellingen van Artôt in de opera. Daarna begon Artôt hem dagelijks uitnodigingen te sturen, en Tsjaikovski ging haar vervolgens elke namiddag bezoeken. In die periode liet hij de compositie van zijn symfonisch gedicht *Fatum* verwaarlozen om zijn aandacht aan Artôt te besteden.
Huwelijksplannen met Pjotr Tsjaikovski
Désirée Artôt kwam in verband met haar relatie met Pjotr Tsjaikovski in een reeks huwelijksbesprekingen terecht, maar die liepen uiteindelijk op niets uit. Tsjaikovski’s moeder verzette zich tegen het huwelijk om drie redenen, terwijl zijn vader het plan wel goedkeurde. Ook circuleerden er geruchten over Tsjaikovski’s seksuele voorkeuren, en een Armeense vrijer had volgens de overlevering onjuiste economische informatie over Tsjaikovski aan zijn moeder verstrekt. Tsjaikovski was bovendien vijf jaar jonger dan Artôt. Zelf wilde Artôt haar artistieke loopbaan niet opgeven om de echtgenote te worden van een beginnend componist. Tsjaikovski schreef dat hij zich het leven zonder haar niet kon voorstellen, maar hij wilde evenmin de echtgenoot worden van een prima donna. Nikolaj Rubinstein waarschuwde hem ook tegen een huwelijk met een buitenlandse zangster. Er werd nooit publiek bekendgemaakt dat ze verloofd waren. In de zomer van 1869 zouden Artôt en Tsjaikovski elkaar opnieuw ontmoeten in de buurt van Parijs om over het huwelijk te beslissen, maar Artôt vertrok met haar operagezelschap uit Rusland om de tournee in Warschau voort te zetten. Tsjaikovski begon begin 1869 al te twijfelen aan het huwelijk en schreef aan zijn broer Anatoli dat hij meende dat het huwelijk met Artôt niet zou doorgaan.
Huwelijk met Mariano Padilla
Op 15 september 1869 trouwde Désirée Artôt met de Spaanse bariton Mariano Padilla y Ramos, zonder dat zij daarover vooraf contact had gehad met Pjotr Iljitsj Tsjaikovski. Het huwelijk zou hebben plaatsgevonden in Sèvres of in Warschau. Volgens latere interpretaties liet Tsjaikovski zijn reactie op dit huwelijk op een gecodeerde manier doorklinken in verschillende werken. Zo begint het tweede thema van de eerste beweging van een compositie met de noten re-bemol en la, die worden gelezen als initialen van Désirée Artôt. Die werkwijze wordt in verband gebracht met muzikale allusies zoals bij Robert Schumanns Carnaval. Ook is erop gewezen dat het thema van de eerste beweging in re-bemolmajeur staat en slechts tweemaal voorkomt. Een dalende hoornfiguur zou mogelijk verwijzen naar Artôts vader of naar de reeks mi-do-si-la als componistensignatuur. Daarnaast bevat het symfonisch gedicht Fatum gecodeerde toespelingen op Artôt en Tsjaikovski; de partituur werd later door Tsjaikovski vernietigd, maar vervolgens gereconstrueerd en postuum uitgegeven als opus 77. Bij het schrijven van de Fantasie-ouverture Romeo en Julia hield Tsjaikovski Artôt eveneens in gedachten. Hij had in mei 1869 van Balakirev de suggestie gekregen om een stuk over Romeo en Julia te componeren en voltooide de eerste versie op 29 november 1869. Toen Artôt in december 1870 in Moskou optrad als Marguerite in Gounods Faust, zag Tsjaikovski haar wel optreden, maar hij ontmoette haar toen niet opnieuw.