Gabrielle Petit

Portret van Gabrielle Petit rond 1910
Portret van Gabrielle Petit rond 1910

Gabrielle Petit werd geboren in Doornik als dochter van Jules Petit en Aline-Irma Ségard. Haar grootmoeder van vaderskant was de dochter van baron Doncquers, en de familie Petit stond in verband met de familie van minister van Justitie Jules Bara. Gabrielle had een oudere zus, Hélène, en een jongere zus, Louise, die jong stierf, evenals een jongere broer, Jules, die twee jaar jonger was dan zij. Het gezin kampte met zware financiële problemen en verhuisde naar Aat.

Haar moeder schreef zich in voor een wedstrijd om pianolerares te worden, maar de opofferingen die zij daarvoor deed, schaadden haar gezondheid. Na een ziekenhuisopname overleed zij na een operatie in een beter uitgerust ziekenhuis in Brussel. Gabrielle was erg aan haar moeder gehecht. Op negenjarige leeftijd werd ze ondergebracht in een internaat van de Zusters van het Heilig Hart in Bergen, en later verbleef ze zeven jaar in een weeshuis in Brugelette. Haar zus Hélène bleef bij de grootouders van moederskant, terwijl haar broer Jules aan een familie in Tielt werd toevertrouwd. Na het hertrouwen van haar vader nam haar stiefmoeder eerst de jongen op en probeerde later, nadat zij van de twee meisjes had gehoord, de familie weer samen te brengen. Gabrielle verliet het weeshuis in augustus 1908, keerde terug naar haar familie en verhuisde enkele maanden later naar Brussel om in een kledingzaak te werken.

Jeugd en familieomstandigheden

Gabrielle Petit werd geboren in Doornik als dochter van Jules Petit en Aline-Irma Ségard. Haar grootmoeder langs vaderskant was een dochter van baron Doncquers, en de familie Petit stond ook in verband met de familie van justitieminister Jules Bara. Gabrielle had een oudere zus, Hélène, en een jongere zus, Louise, die op jonge leeftijd stierf. Daarnaast had zij een jongere broer, Jules, die twee jaar jonger was dan zij en naar hun vader werd genoemd.

Het gezin kende ernstige financiële problemen en verhuisde naar Aat. Haar moeder schreef zich in voor een wedstrijd om pianolerares te worden, maar de opofferingen die zij moest maken schaadden haar gezondheid, zodat zij werd opgenomen in een ziekenhuis. Zij stierf na een operatie in een beter uitgerust ziekenhuis in Brussel. Gabrielle was zeer gehecht aan haar moeder.

Op negenjarige leeftijd werd Gabrielle geplaatst in een kostschool van de zusters van het Heilig Hart in Bergen. Later verbleef zij zeven jaar in een weeshuis in Brugelette. Hélène bleef bij de grootouders langs moederskant, terwijl Jules werd toevertrouwd aan een familie in Tielt. Na het hertrouwen van haar vader nam de stiefmoeder eerst de jongen in huis en probeerde zij later, nadat zij van de twee meisjes had gehoord, het gezin weer samen te brengen. Gabrielle verliet het weeshuis in augustus 1908 om naar haar familie terug te keren, maar haar verhouding met haar vader bleef moeilijk.

Enkele maanden later verhuisde zij naar Brussel om te werken in een kledingwinkel. Daarna wisselde zij meermaals van baan.

De Duitse inval in België

In 1914 werd België binnengevallen. Deze gebeurtenis markeerde een ingrijpende wending in de Belgische geschiedenis en vormde de context voor de verdere ontwikkelingen in het land tijdens die periode.

Verloving met Maurice Gobert

Gabrielle Petit was verloofd met Maurice Gobert. Tijdens de eerste gevechten raakte Gobert gewond. Zijn familie verzette zich tegen de relatie. Later moest Gobert zich verbergen om te voorkomen dat hij door de Duitsers zou worden gearresteerd.

Werk bij het Belgische Rode Kruis en vertrek naar Engeland

Tijdens haar scheiding hield Gabrielle Petit slechts sporadisch contact met Maurice. In die periode begon zij te werken voor het Belgische Rode Kruis. Later trokken Gabrielle Petit en Maurice samen over de grens naar Nederland. Daarna verhuisden zij naar Engeland.

Spionagewerk voor België

In juli volgde Gabrielle Petit in Engeland een opleiding in spionage door de Geallieerden. Na vijftien dagen training werd zij samen met drie andere Belgen teruggestuurd naar België. In augustus 1915 begon zij opnieuw informatie door te geven over Duitse bewegingen in Henegouwen en Noord-Frankrijk. Die gegevens stuurde zij naar Nederland of rechtstreeks naar Londen.

Aanvankelijk maakte Petit gebruik van koeriers, van wie velen in dienst waren van het Rode Kruis. De Britten beschouwden haar als een van hun meest betrouwbare agenten in België. Zij schreef berichten op dunne vellen papier die zij in wenskaarten plaatste, waarna die kaarten werden dichtgeplakt en verzonden. Binnen haar werk gebruikte zij de codenaam Legrand.

Petit gaf ook boodschappen door aan gevangen soldaten, organiseerde de oversteek van de grens voor Nederlandse soldaten die achter de vijandelijke linies vastzaten en verspreidde clandestiene kranten. Zij werd eerst in Hasselt gearresteerd, maar wist te ontsnappen. Op 20 januari 1916 werd zij opnieuw gearresteerd in Brussel en overgebracht naar de Kommandantur aan de Wetstraat 6. Daar werd zij ondervraagd en werd haar woning doorzocht, maar daarbij werd geen bewijs van spionage gevonden. Een amnestie in ruil voor de namen van haar medestanders weigerde zij.

Veroordeling en executie

Op 2 februari werd Gabriëlle Petit overgebracht naar de gevangenis van Sint-Gillis. Op 3 maart werd zij ter dood veroordeeld door aanklager Eduard Stöber. Haar executie vond plaats op 1 april op de Nationale Schietbaan in Schaarbeek. Tijdens de terechtstelling weigerde zij het aanbod van een soldaat om haar ogen te laten verbinden en riep: "Leve België. Leve de Koning." Zij werd op 23-jarige leeftijd door een vuurpeloton gedood.

Haar doodstraf bleef bewust geheim om protesten te vermijden. Pas in mei 1919 kwamen de Belgen haar verhaal te weten. Op 27 mei werd haar lichaam opgegraven en kreeg zij een staatsceremonie in aanwezigheid van koningin Elisabeth. Twee dagen later werd zij begraven op het kerkhof van Schaarbeek.

Scroll naar boven