Henri Michaux

Portret van Henri Michaux, Belgische-Franse kunstenaar
Portret van Henri Michaux, Belgische-Franse kunstenaar

Henri Michaux werd geboren in Namen en woonde er slechts één jaar. Zijn jeugd bracht hij door in een welgestelde familie in Brussel, aan de Defacqzstraat 69. Daarna verbleef hij in een internaat in de streek van Mechelen en volgde hij lessen aan het Sint-Michielscollege in Brussel. Onder zijn klasgenoten bevonden zich Norge, Herman Closson en Camille Goemans. Tijdens zijn studies bij de jezuïeten las hij uitgebreid en werden zijn eerste literaire ervaringen beïnvloed door het werk van Tolstoj en Dostojewski. Hij begon aanvankelijk met geneeskunde, maar gaf die opleiding op om als zeeman te werken. Hij voer in 1920 en 1921 en stapte van boord nadat het schip uit dienst werd genomen. Daarna ontdekte hij Lautréamont. In 1922 schreef hij Cas de folie circulaire, in 1923 Les Rêves et la Jambe en in 1927 Qui je fus. Vanaf 1922 werkte hij samen met het avant-gardistische tijdschrift Le Disque vert, opgericht door zijn vriend Franz Hellens, en publiceerde er veel vroege teksten. In 1923 trad hij toe tot de redactiecommissie van het blad.

Jeugd en opleiding

Henri Michaux werd geboren in Namen, maar verbleef er slechts een jaar. Daarna bracht hij zijn kindertijd door in een welgestelde familie in Brussel, op 69 rue Defacqz. Hij verbleef ook in een kostschool in de streek van Mechelen. Later studeerde hij aan het Sint-Michielcollege in Brussel. Onder zijn klasgenoten waren Norge, Herman Closson en Camille Goemans.

Van medische studies naar literaire ontwikkeling

Henri Michaux las al vroeg veel, onder meer tijdens zijn studies bij de jezuieten. Zijn eerste literaire ervaringen werden beïnvloed door het werk van Tolstoj en Dostojevski. Aanvankelijk koos hij voor een medische opleiding, maar hij brak die af om als zeeman te gaan werken. In 1920 en 1921 voer hij mee, tot hij van boord ging nadat het schip buiten dienst werd gesteld. In die periode ontdekte hij Lautreamont, een kennismaking die zijn literaire traject verder mee bepaalde.

Vanaf 1922 begon Michaux te publiceren in het avant-gardetijdschrift Le Disque vert, dat was opgericht door zijn vriend Franz Hellens. Veel van zijn vroege teksten verschenen daar. Een jaar later, in 1923, trad hij toe tot de redactie van het blad en hij leidde er ook een speciaal nummer over Sigmund Freud. In dezelfde jaren groeide zijn eigen oeuvre snel: in 1922 schreef hij Cas de folie circulaire, in 1923 Les Rêves et la Jambe en in 1927 Qui je fus.

Michaux verhuisde later naar Parijs en verbrak na die verhuis alle banden met Belgie. Toch bleef hij zich levenslang verwant voelen met Frankrijk en Parijs. Hij reisde vaak de wereld rond en bouwde in Parijs een hechte vriendschap op met de dichter Jules Supervielle. Die vriendschap bleef bestaan tot aan Supervielle's dood. In 1936 reisde Michaux samen met hem naar Uruguay en Buenos Aires, waar hij ook deelnam aan het Internationaal Pen Club Congres. Tijdens die reis maakte hij kennis met de Uruguayaanse schrijfster Susana Soca. Zij bleef later nauw met hem verbonden als correspondentiepartner, en Michaux stelde haar zelfs aan als literair adviseur.

Mescaline, tekeningen en wetenschappelijke aanpak

Vanaf omstreeks 1954 combineerde Henri Michaux schrijven en tekenen tijdens zijn experimenten met mescaline. Tot dan had hij, naast ether, geen andere drugs gebruikt. Zijn belangstelling voor hallucinogene middelen bleek al uit zijn briefwisseling met Jean Paulhan rond 1954. Paulhan en Édith Boissonnas kwamen ook bij Michaux thuis samen om mescaline te proberen. Die experimenten liepen door tot ongeveer 1966, met de publicatie van Grandes Epreuves de l'esprit.

Michaux benaderde deze stoffen en de artistieke resultaten ervan op een wetenschappelijke manier. Zijn proeven gebeurden soms onder medische supervisie, met precieze dosering, medische observatieprotocollen en tekenen. Hij volgde ook patiëntpresentaties in asielen in verschillende landen, vanuit zijn belangstelling voor psychiatrie en geneeskunde. Naast mescaline experimenteerde hij ook met LSD en psilocybine.

In 1963 werkte hij samen met Éric Duvivier aan de film Images du monde visionnaire, die werd geproduceerd door de filmafdeling van het Zwitserse farmaceutische bedrijf Sandoz. De film toonde de hallucinogene effecten van mescaline en hasj.

Laatste jaren en nalatenschap

Aan het einde van zijn leven werd Henri Michaux beschouwd als een kunstenaar die lezers en journalisten vermeed. Toch reisde hij veel, op zoek naar mensen en culturen overal ter wereld, en hij had ook talrijke vrienden in de kunstwereld. In de tentoonstelling L'envolée lyrique, Paris 1945-1956 in het Musée du Luxembourg maakte hij deel uit van de groep schilders die er exposeerden. Daar toonde hij onder meer Sans titre (1948), Six dessins pour 'Mouvements' (1949), Sans titre (1951) en Dessin mescalinien (1955). Michaux stierf op 19 juni 1984 in Parijs, op 85-jarige leeftijd. Zijn begrafenis vond in besloten kring plaats in het crematorium van Père-Lachaise, waar hij werd gecremeerd.

Les Rêves et la Jambe

De eerste tekst met de titel Les Rêves et la Jambe werd gepubliceerd door Style. De oplage werd beperkt tot vierhonderd exemplaren. Les Rêves et la Jambe maakt deel uit van het corpus dat bekendstaat als « des premières oeuvres », geschreven in 1922 en 1928.

Afstand tot zichtbaarheid en literaire kringen

Henri Michaux nam een uitgesproken afwijzende houding aan tegenover publieke zichtbaarheid en de verspreiding van zijn werk. Hij weigerde zijn werk en zichzelf via interviews, televisie, radio of foto's in de media te brengen, en verzette zich ook tegen deelname aan conferenties, literaire prijzen, kritische edities, pocketuitgaven en Pléiade-uitgaven. De redenen voor het verlaten van « des premières oeuvres » worden niet gegeven door Style. Die radicale weigering blijkt ook uit zijn briefwisseling: in 2016 publiceerde Jean-Luc Outers honderd brieven onder de titel Donc c'est non.

Zijn terughoudendheid tegenover foto's werd al vroeg duidelijk. In 1934 weigerde hij een foto naar een vriend te sturen en stelde hij als alternatief een radioscopie van zijn longen en een vergroting van zijn navel voor. Toch circuleerden later enkele foto's van hem in kranten, en in het nummer van L’Herne uit 1966 dat aan hem was gewijd, stemde hij in met de publicatie van vier foto's. Onder meer Claude Cahun, Henri Cartier-Bresson en Gisèle Freund maakten zeldzame portretten van hem. Een van zijn zeer zeldzame en laatste publieke optredens was zijn aanwezigheid bij een conferentie van Jorge Luis Borges aan het Collège de France.

Ook literair bleef hij op afstand. In een bespreking in Le Disque vert met de titel 'Surréalisme' bekritiseerde hij André Breton. Volgens Bernard Noël, in het voorwoord bij Qui je fus, nam hij afstand van het literaire milieu. Michaux verwierp bovendien de surrealistische esthetiek en plaatste zichzelf niet onder een verklaarde literaire groep of beweging.

Taalexperiment en genrevermenging

Henri Michaux zocht in zijn poëtische werk naar een onmiddellijke, eenvoudige mimische taal die alle middelen van expressie doorkruiste. In *Rencontre dans la forêt* komt dat tot uiting in drie verzen over een verkrachting, opgebouwd uit neologismen die doen denken aan onomatopeeën. Die nieuwe, bijna mondelinge woorden moesten handelingen nabootsen en een sterkere sensatie oproepen dan bestaande termen. Zo bedacht hij onder meer woorden als *déjupe* en *troulache* om gewelddadige en laffe daden te suggereren en te imiteren. Het resultaat is een gewelddadig en suggestief geheel dat tegelijk handelt en meer biedt dan beschrijving alleen. Zijn smaak voor vrije vorm hangt nauw samen met die voorkeur voor neologisme: het gedicht kan zich niet beperken tot een enkele uitdrukkingswijze, omdat het wordt opgevat als een stem die boven literaire vormen uitstijgt.

Michaux verzette zich ook tegen de vaste vorm, die volgens hem in diskrediet was geraakt na de poëzie van Mallarmé en de vers-libristes. Die contestatie blijkt onder meer uit zijn gebruik van insprongen en witregels tussen delen van het vers. Daarbij hechtte hij meer belang aan de visuele vorm van het gedicht dan aan de metrische ordening, in de lijn van een poëtische praktijk die sinds het einde van de negentiende eeuw steeds belangrijker was geworden. De plaatsing van woorden op de bladzijde woog voor hem zwaarder dan hun metrische positie.

Daarnaast vermengde Michaux andere literaire en niet-literaire genres met poëzie. Hij annexeerde onder meer de aforismevorm en het wetenschappelijke verslag in *Les Rêves et la Jambe*, het verhalende genre in *Les Fables des origines*, en het aforisme in *Principes d’enfant*. In *Qui je fus* mengde hij proza en vers, in *Ecuador* paste hij het dagboekaesthetische toe, en in *Passages* gebruikte hij de essayvorm. *La nuit remue* uit 1935 bundelt prozagedichten, vrije gedichten en dagboekfragmenten met beschrijvingen van nachtmerries en etherexperimenten. In dat boek staat ook een afdeling *Mes propriétés* met teksten die dicht bij onbegrijpelijkheid liggen, terwijl de postface opmerkelijke teksten van de auteur bevat. Zijn poëtica blijft daarbij voortdurend in ontwikkeling. Volgens Alice Yao Adjoua N’Guessan heeft zijn poëzie het karakter van een caleidoscoop en omvat ze een verscheidenheid aan literaire genres die dicht bij een mimische taal komen. Binnen dat geheel geldt het reisjournaal als zijn invloedrijkste genre; *Ecuador* oscilleert dan weer tussen poëzie en reisverhaal, onder meer door de combinatie van gedateerde journaalaantekeningen en een poëtische aanspreking van de Oceaan.

Aforismen en directe taal

In zijn stijl gebruikt Henri Michaux aforismen als een syntactische en semantische eenheid. Daarmee benadrukt hij de cognitieve functie van poëzie: gedachten worden samengeperst tot korte, ritmisch sterke formuleringen die gemakkelijker te onthouden zijn. Die werkwijze sluit aan bij Chinese en Indische culturen, waar aforismen worden ingezet voor filosofische bespiegeling. Bij Michaux krijgen ze ook een didactisch en mnemotechnisch doel, omdat ze reflectie moeten opwekken met eenvoudige, bondige uitspraken.

Zijn taal is eenvoudig en probeert ideeën direct te zeggen, zonder representatie of indruk. De aforismen passen in een stijl die heldere, korte statements gebruikt om gedachten doeltreffend uit te drukken. In werken zoals Cas de Folie circulaire en Les Rêves et la Jambe wordt zijn schrijven soms als wetenschappelijk omschreven. Daarin komen ook verwijzingen voor naar de psychiatrische geneeskunde, onder meer naar Mourly Vold en Sigmund Freud.

Zijn prosodie lijkt op wetenschappelijke notities: met regelafbrekingen, korte zinnen, vereenvoudigde syntaxis, beknoptheid en precieze inhoud. Het betoog is logisch opgebouwd, met uitleg, voorbeelden en herhaling van voegwoorden. In Un barbare en Asie zegt Michaux ook dat muziek de mens gemakkelijk omhult en haar met voluptuositeit verbindt, maar tegelijk ziet hij muziek als een vulgariteit die massa's aantrekt en als taal ongeschikt is. Toch noemt hij haar ook toegankelijk voor iedereen en een middel om de moeilijkheden van het dagelijks leven uit te wissen.

Het ongewone in het werk van Michaux

In het werk van Henri Michaux staat het ongewone centraal. Zijn teksten mengen verhaal en fabel, het fantastische en het wonderlijke, al blijkt dat wonderlijke in feite zelf fantastisch te zijn. Michaux vermengt werkelijkheid en fictie via verwijzingen naar bekende dieren zoals beer, cobra en neushoorn, en ook Mexico duikt in zijn werk op. Zo ontstaat een imaginaire ruimte tussen het wonderlijke en het fantastische, die het ongewone in zijn schrijfstijl typeert.

Opvallend is ook het gebruik van de uitdrukking een soort van. Daarmee wordt de constitutieve onzekerheid van de verbeelding zichtbaar. Wanneer de dichter het over een monster als Obioborant à cornac heeft, kan hij immers niet precies weten tot welke soort het behoort. De formulering dient dus om misverstand te vermijden. Deze representatieve taal wordt tegenover Michauxs mimische taal geplaatst, die maximale precisie of oprechtheid in het verslag vraagt.

Volgens Bernard Noël verdeelt Michaux de werkelijkheid in twee aparte werkelijkheden: het panorama rond het hoofd en het panorama in het hoofd. De buitenwereld lijkt voor Michaux te onderzocht en te conventioneel, waardoor hij zich richt op het panorama in het hoofd. Daar bevinden zich het wonderlijke, het fantastische en de verhaalelementen van zijn verbeelding. Michaux waarschuwt de lezer zelfs voor het wonderlijke en fantastische karakter van zijn werk, om juist de meest oppervlakkige laag ervan bloot te leggen. In die zoektocht probeert hij zijn verbeelding te verklaren in een mimische taal. Zo wordt zijn werk een verkenning van de innerlijkheid van de auteur en tegelijk een zoektocht naar het zelf, waarbij Michaux de mens omschrijft als een ziel die een ongeluk heeft meegemaakt.

Publicatie van zijn werk

Tenzij anders vermeld, werden de werken van Œuvre uitgegeven door Éditions Gallimard. Opvallend is ook dat Œuvre de enige auteur was die weigerde dat werken postuum zouden worden opgenomen in de Bibliothèque de la Pléiade. Daarmee bleef hij ook na zijn dood vasthouden aan een duidelijke keuze over de manier waarop zijn oeuvre werd gepubliceerd.

Scroll naar boven