Hergé

Hergé, Belgische striptekenaar en illustrator
Hergé, Belgische striptekenaar en illustrator

Hergé, geboren als Georges Prosper Remi in Etterbeek op 22 mei 1907, was een Belgische striptekenaar. Hij was de zoon van Alexis Remi en Elizabeth Dufour en had een jongere broer, Paul, met wie hij weinig contact had. Hij volgde lager onderwijs aan de gemeenteschool van Elsene en ging daarna naar Sint-Bonifatius, een katholieke middelbare school, waar hij vaak eerste van de klas was. Hergé tekende al vroeg en maakte illustraties die geïnspireerd waren door de Eerste Wereldoorlog. Hij kreeg geen formele tekenopleiding, behalve enkele lessen aan École Saint Luc.

Tijdens zijn jeugd was hij actief in de scouts en zijn lidmaatschap en reizen, waaronder een reis naar Spanje, beïnvloedden zijn interesses en latere verhalen. In 1922 signeerde hij zijn eerste strip en vanaf 1924 gebruikte hij de artiestennaam Hergé, afgeleid van de Franse uitspraak van zijn omgekeerde initialen R.G. In 1929 creëerde hij De avonturen van Kuifje. Hergé overleed in Woluwe-Saint-Lambert op 3 maart 1983.

Leven en werk van Hergé

Hergé was een Belgisch striptekenaar, geboren als Georges Prosper Remi in Etterbeek op 22 mei 1907. Hij gebruikte de kunstenaarsnaam Hergé, afgeleid van de Franse uitspraak van de omgekeerde initialen R.G. In 1929 creëerde hij The Adventures of Tintin. Hergé overleed in Woluwe-Saint-Lambert op 3 maart 1983.

Jeugd, scouting en eerste stappen als tekenaar

Hergé werd in 1907 geboren als Georges Prosper Remi, als zoon van Alexis Remi en Elizabeth Dufour. Hij had een jongere broer, Paul, met wie hij weinig contact had. Tussen 1914 en 1918 volgde hij lager onderwijs aan de gemeenteschool van Elsene. Al vroeg bleek zijn tekentalent, onder meer in illustraties die geïnspireerd waren door de Eerste Wereldoorlog.

Na de openbare, seculiere school stapte hij over naar Saint Boniface, een religieuze middelbare school. Daar was hij een uitstekende leerling en stond hij vaak op de eerste plaats van zijn klas. Formele tekenlessen kreeg hij nooit, op enkele lessen aan de École Saint Luc na. Toch bleef tekenen voor hem centraal staan.

Ook in de scouts speelde zijn ontwikkeling een belangrijke rol. Hij verliet de seculiere Boy Scouts of Belgium om zich aan te sluiten bij de Federation of Catholic Boy Scouts. De ethiek van die scoutbeweging zou later sterk doorwerken in de verhaallijnen van zijn strips. Zijn vroege reizen, waaronder een reis naar Spanje, voedden zijn scoutinteresses. In die periode groeide ook zijn belangstelling voor indianen en zijn fascinatie voor Amerika.

Tijdens zijn adolescentie publiceerde hij strips in Le Boy-Scout. Hij tekende er artikelen en af en toe een cover voor. Zijn eerste strip signeerde hij in 1922. Vanaf 1924 gebruikte hij de pseudoniem Hergé, gevormd uit zijn initialen, uitgesproken in het Frans. In juli 1926 creëerde hij zijn eerste officiële stripreeks, Totor, C.P. de los abejorros, waarvan de hoofdpersoon tot 1930 maandelijks verscheen.

Na het secundair onderwijs ging Hergé in 1925 aan de slag bij de krant Le XXème Siècle. Terwijl hij Totor tekende, werkte hij er in de abonnementsdienst. In 1926 deed hij ook militaire dienst bij het Eerste Regiment Voetjagers. Daar klom hij op van soldaat tot korporaal en vervolgens sergeant, terwijl hij het grootste deel van zijn vrije tijd aan tekenen besteedde.

De doorbraak van Le Petit Vingtième

In oktober 1927 keerde Hergé terug naar de krant als leerling-fotograaf en illustrator van speciale pagina's. Onder leiding van abt Norbert Wallez, die hem aanmoedigde om te lezen en te leren terwijl hij meer verantwoordelijkheden kreeg, werd beslist om een bijlage voor jongeren te maken met Hergé aan het hoofd. De eerste editie van Le Petit Vingtième verscheen op 1 november 1928 onder zijn leiding.

Aanvankelijk publiceerde Hergé Flup, Nénesse, Poussette et Cochonnet, en later nam hij Totor weer op, maar dan met wijzigingen. Hij veranderde de naam van Totor, maakte van hem een reporter en voegde een foxterrier toe met de naam Milu. Op 10 januari 1929 verscheen Tintin voor het eerst in Le Petit Vingtième. In zijn eerste avontuur trok Tintin naar de Sovjet-Unie, waar hij de bolsjevieken tegemoet trad.

De wekelijkse publicatie van Tintin eindigde in mei 1930 met een publiek evenement dat de aankomst van Tintin aan het station van Brussel nabootste. Het succes van de publicatie moedigde Hergé aan om verder te gaan met de avonturen van Tintin. In 1930 creëerde hij ook de personages Quique en Flupi voor de bijlage, en dat bleef zo tot in de late jaren 1930.

Terwijl de avonturen van Tintin ook verschenen in de Franse katholieke weekblad Coeurs Vaillants, begon Hergé aan het tweede avontuur, Tintin in de Congo. In 1932 werd Tintin in America gepubliceerd en nam Hergé contact op met uitgever Casterman. In datzelfde jaar trouwde hij met Germaine Kieckiens, na hun verloving het jaar ervoor; uit dat huwelijk kwamen geen kinderen.

Werk tijdens de oorlog en samenwerking

Hergé voelde zich niet op zijn gemak bij de reeks Las aventuras de Jo, Zette y Jocko en liet die na vier strips varen. De vijfde strip werd vooral uitgewerkt door zijn medewerkers. Naast zijn werk als striptekenaar trad Hergé ook op als illustrator, met tekeningen op boek- en tijdschriftcovers, en maakte hij onder de naam Atelier Hergé verschillende reclames. Tijdens de Duitse bezetting van België bleef hij publiceren, terwijl veel persmedewerkers ophielden met werken. In 1939 stopte hij bij Le XXème Siécle, waardoor Tintín en el país del oro negro onafgewerkt bleef, en daarna sloot hij zich aan bij de openlijk pro-Nazi krant Le Soir, geleid door Raymond de Becker. In de oorlog maakte hij zes stripverhalen, te beginnen met El cangrejo de las pinzas de oro. Tintín verscheen in die periode als een dagelijkse strook van drie of vier kaders, met aan het einde van elke strook vaker grappen en een sneller actietempo. Hergé vermeed actuele controverses door escapistische verhalen te maken, zoals La estrella misteriosa over een expeditie naar een meteoriet, El secreto del Unicornio en El tesoro de Rackham el Rojo over schattenjachten, en Las siete bolas de cristal en El templo del Sol over het doorbreken van een oude Inca-vloek. In deze verhalen legde hij meer nadruk op personages dan op de plot. Tijdens de oorlog voegde hij ook Kapitein Haddock en professor Tornasol toe, met Haddock voor het eerst in El cangrejo de las pinzas de oro en Tornasol in El tesoro de Rackham el Rojo. De oplagecijfers weerspiegelden de impact van deze veranderingen niet, maar de herziene verhalen behoren later wel tot de populairste edities. In 1943 ontmoette Hergé Edgar Pierre Jacobs en nam hem in dienst om de vroege Tintin-albums te herwerken. Jacobs hertekende onder meer kostuums en achtergronden in de herziene editie van El cetro de Ottokar en werkte met Hergé mee aan een nieuw avontuur, Las siete bolas de cristal.

Na de bezetting en de herneming van Tintin

Na het einde van de bezetting van Brussel op 3 september 1944 werd Hergé vier keer gearresteerd door verschillende groepen. Hij werd door de Staatsveiligheid, de gerechtelijke politie, de Belgische Nationale Beweging en het Onafhankelijkheidsfront beschuldigd van sympathie voor het nazisme en het rexisme. Die aantijgingen hielden verband met zijn voortdurende professionele activiteit onder de nazi-bezetting en met zijn rol in de verspreiding van Le Soir. Tegelijk werd erop gewezen dat zijn werk geen duidelijke politieke verbintenis vertoonde en dat het voor de oorlog zelfs kritiek bevatte op fascistische territoriale expansie. Zijn eerste album, Tintin in het land van de Sovjets, was overigens in opdracht van Norbert Wallez gemaakt om Belgische jongeren te waarschuwen tegen het communisme en de Sovjet-Unie.

Ook later bleef Hergés oeuvre onderwerp van discussie. Er waren vermoedens van racisme, onder meer in Tintin in Congo en in De stervende ster. In dat laatste album kwam een schurk voor met de naam Blumenstein, een Joods New Yorks personage, naast stereotiepe Joodse figuren. In latere edities verdwenen een vignette over het einde van de wereld en werd een scène met een Amerikaanse vlag aangepast. Hergé veranderde de naam van de schurk van Blumenstein in Bohlwinkel en verplaatste het verhaal naar het fictieve land São Rico. Pas daarna ontdekte hij dat Bohlwinkel ook een Joodse familienaam was.

Door zijn vroegere tewerkstelling bij door de nazi's gecontroleerde media werd Hergé uit de perswerking geïsoleerd. De heruitgave van zijn werk kwam opnieuw op gang toen hij samen met Jacobs en assistente Alice Devos de vroege Tintin-avonturen in kleur bewerkte. Raymond Leblanc gaf daarbij financiële steun en anti-nazistische geloofwaardigheid om het tijdschrift Tintin met Hergé te lanceren. Dat blad begon met twee pagina's Tintin-avonturen, te starten met het resterende deel van De zeven kristallen bollen, en haalde een wekelijkse oplage van meer dan 100000 exemplaren. Tintin heeft Hergé sindsdien altijd als auteur vermeld, zonder Edgar Pierre Jacobs of andere assistenten te noemen. Toen Jacobs steeds meer erkenning eiste voor zijn bijdragen, verzette Hergé zich tegen het delen van de credits en kwam er een einde aan hun samenwerking. Jacobs maakte daarna zijn eigen strips, waaronder Blake en Mortimer. De ballingschap van Tintin eindigde op 6 september 1946.

Ziekte, hulp en een nieuwe fase

In 1949 kreeg Hergé tijdens het werk aan een nieuwe versie van Tintin en het land van het zwarte goud een zenuwinzinking. Hij nam daarop vier maanden pauze. Begin 1950 volgde opnieuw een zenuwinzinking, dit keer terwijl hij aan Doelwit: de Maan werkte. Tijdens zijn afwezigheden publiceerde het tijdschrift Tintin stroken van De avonturen van Kuifje en Flupke. Om zijn werklast te verlichten, werden op 6 april 1950 de Studios Hergé opgericht. Bob De Moor werkte daar als assistent mee aan de Tintin-avonturen. Dankzij de hulp van de Studios Hergé maakte Hergé later onder meer het dossier Tornasol in 1954 en Stock de coque in 1956.

Ook in zijn persoonlijke leven volgden ingrijpende veranderingen. Zijn huwelijk met Germaine liep na vijfentwintig jaar ten einde. Hergé werd verliefd op Fanny Vlaminck, een jonge artieste bij de Studios Hergé. Voor terugkerende nachtmerries consulteerde hij een Zwitserse psychoanalyticus, die hem adviseerde om te stoppen met werken aan Tintin. Hergé koos daar niet voor en maakte in plaats daarvan Tintin in Tibet. Dat verhaal verscheen in het tijdschrift Tintin van september 1958 tot november 1959 en speelt zich af in de Himalaya, waar Tintin, kapitein Haddock en de sjerpa Tharkey op zoek gaan naar Tchang Tchong-Yen. Hergé beschouwde Tintin in Tibet als zijn favoriete en meest persoonlijke avontuur. Na het voltooien ervan hielden zijn nachtmerries op.

Laatste avonturen en nalatenschap

Hergé werkte in zijn latere jaren trager aan de laatste drie volledige Tintin-avonturen: Las joyas de la Castafiore in 1961, Vuelo 714 para Sydney in 1966 en Tintín y los Pícaros in 1975. Intussen bleef Tintin ook buiten de albums groeien. Raymond Leblanc gebruikte het personage al vanaf het begin van het Tintin-magazine voor merchandising en reclame. In 1961 ging de eerste Tintinfilm, El misterio del toisón de oro, in première met de Belgische Jean-Pierre Talbot als Tintin. Later volgden meerdere geanimeerde films, met El templo del Sol als eerste in 1969. De financiële opbrengsten van Tintin gaven Hergé meer tijd om te reizen. Hij trok uitgebreid door Europa, bezocht de Verenigde Staten voor het eerst in 1971 en ontmoette daar inheemse Amerikanen. In 1973 ging hij naar Taiwan na een uitnodiging van de Kuomintang-regering. In die periode hernieuwde hij ook het contact met zijn oude vriend Zhang Chongren, jaren nadat Tintin de fictieve Tchang Tchong-Yen had gered. Zhang Chongren was tijdens de Culturele Revolutie gedegradeerd tot straatveger, maar werd in de jaren 70 directeur van de Shanghai Academy of Fine Arts. In 1981 keerde hij terug naar Europa om Hergé te ontmoeten en in 1985 verhuisde hij naar Parijs. Hergé stierf op 3 maart 1983, op 75-jarige leeftijd, in de Clinique Universitaire Saint Luc aan complicaties van bloedarmoede. Die werd verergerd doordat hij hiv had opgelopen via een routineuze bloedtransfusie. Hij liet het vierentwintigste Tintin-avontuur, Tintín y el Arte-Alfa, onvoltooid achter. Volgens zijn wensen werd het in 1986 postuum gepubliceerd als schetsen en notities. Daarna sloot Fanny in 1987 Studios Hergé en verving het door de Hergé Foundation. Het Tintin-magazine hield in 1988 op te bestaan. Een geanimeerde versie van Hergé maakte later verschillende cameo's in de televisiereeks The Adventures of Tintin van Ellipse-Nelvana. Sinds 2000 wordt Tintin in verschillende Aziatische landen uitgegeven, met onder meer zwart-witversies in China en Mongolië. Ook werden vervalsers gearresteerd die duizenden illegale kopieën van Tintin-albums verspreidden zonder toestemming.

Erfenis en invloed

Hergé creëerde het personage Tintin, dat deel is gaan uitmaken van de universele cultuur. Zijn werk werd later het onderwerp van tentoonstellingen en groeide uit tot een referentie voor latere auteurs. In 1983 wijdde het Spaanse tijdschrift Cairo, naar aanleiding van zijn overlijden, een monografie aan Hergé. Ook bleef de belangstelling voor zijn werk groot: de oorspronkelijke waterverf van Hergé voor de cover van Tintín en América werd in april 2008 verkocht voor 177.000 euro. In 2011 bewerkte de Amerikaanse producent Steven Spielberg Las aventuras de Tintin tot een film.

Scroll naar boven