Jozef Cardijn

Portret van kardinaal Joseph Cardijn in religieuze kleding
Portret van kardinaal Joseph Cardijn in religieuze kleding

Jozef Cardijn werd geboren als Joseph Leo Cardijn op 13 november 1882 in Schaarbeek, als tweede van vier kinderen van Henri Hieronimus Cardijn en Louise Maria Ester Van Daelen. Hij had de broers en zus Jeanne, Victor en Charles. Tijdens een deel van zijn jeugd woonde hij bij zijn grootouders in Halle, totdat zijn ouders hun werk als huisbewaarders opgaven; zijn vader begon daarna als kolenhandelaar. Na zijn priesterwijding legde Cardijn zich toe op de evangelisatie van de arbeidersklasse en stichtte hij, ondanks tegenstand, een sociale beweging voor arbeiders: de Jonge Christelijke Arbeiders (JOC). Paus Pius XI prees en moedigde deze beweging aan. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij gevangengezet. Cardijn reisde onder meer naar Costa Rica en Australië, ontving verschillende erkenningen voor zijn sociale inzet en leverde een bijdrage aan het Tweede Vaticaans Concilie. Hij werkte nauw samen met paus Johannes XXIII en paus Paulus VI, die hem in 1965 tot kardinaal benoemde. Cardijn overleed op 24 juli 1967 in een ziekenhuis in Leuven. In 2014 werd het zaligverklaringsproces geopend; hij draagt de titel Dienaar Gods.

Werk voor arbeiders en kerkelijke erkenning

Na zijn priesterwijding legde Jozef Cardijn zich toe op de evangelisatie van de arbeidersklasse. In die context stichtte hij, ondanks tegenstand, een sociale beweging die speciaal aan de arbeiders was gewijd: de Jonge Christelijke Arbeiders, bekend als de JOC. Paus Pius XI prees en moedigde deze beweging aan, wat Cardijns inzet een belangrijke kerkelijke steun gaf.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Cardijn gevangengezet. Na de oorlog bleef hij actief binnen de internationale kerk en sociale wereld. Hij reisde onder meer naar Costa Rica en Australië, en kreeg verschillende onderscheidingen voor zijn sociale engagement. Cardijn werkte ook nauw samen met paus Johannes XXIII en paus Paulus VI. In 1965 benoemde paus Paulus VI hem tot kardinaal.

Daarnaast leverde Cardijn een bijdrage aan het Tweede Vaticaans Concilie. Zijn invloed reikte verder dan België, maar bleef steeds verbonden met zijn oorspronkelijke opdracht: de christelijke vorming en waardering van de arbeidersklasse. In 2014 werd het proces voor zijn zaligverklaring opgestart; hij draagt sindsdien de titel Dienaar van God.

Roeping en priesterschap

Jozef Cardijn werd op 13 november 1882 geboren in Schaarbeek als het tweede van vier kinderen van Henri Hieronimus Cardijn en Louise Maria Ester Van Daelen. Hij had de broers en zussen Jeanne, Victor en Charles. Omdat de zwakke gezondheid van zijn moeder haar verhinderde om te zogen, verbleef hij met zijn grootouders in Halle, totdat zijn ouders hun werk als conciërges opgaven. Zijn vader begon daarna een zaak als kolenhandelaar, terwijl zijn moeder een café opende. Zijn vrome ouders hechten belang aan opleiding, maar wilden ook dat hij later een goede betrekking zou hebben om het gezinsinkomen te verbeteren.

In 1895 deed Cardijn zijn eerste communie. In hetzelfde jaar sprak hij met zijn ouders over zijn verlangen om priester te worden. Zijn moeder verzamelde de kinderen om bijbelverhalen en sprookjes voor te lezen. Hij smeekte zijn vader om toestemming voor het priesterschap; die gaf uiteindelijk toe na tranen. Zijn ouders stemden ermee in dat hij zijn studies kon voortzetten om priester te worden. In 1897 begon hij aan een kerkelijke opleiding. Hij studeerde in Halle en trok in september 1903 naar Mechelen voor verdere vorming. Enkele maanden eerder was zijn vader overleden.

Tijdens de vakanties bezocht hij zijn vroegere schoolkameraden die in fabrieken en mijnen werkten. Die oude vrienden namen zijn wens om priester te worden spottend op. Op 22 september 1906 werd hij in de Sint-Romboutskathedraal tot priester gewijd door kardinaal Désiré-Joseph Mercier. Ook raakte hij bevriend met priester Adolf Daens, die een blijvende invloed op zijn leven uitoefende. Cardijn besloot te evangeliseren en het geloof opnieuw tot de arbeidersklasse te brengen.

Op 4 augustus 1906 stuurde Mercier hem naar de Katholieke Universiteit Leuven voor een opleiding in sociologische en politieke wetenschappen. In 1907 riep Mercier hem terug voor een onderwijsopdracht in wiskunde en literatuur. Cardijn noemde die benoeming een "voorzienig ongeluk". In 1907 werd hij leraar in Waver. Tijdens vakanties reisde hij naar Frankrijk en Engeland en bezocht hij onder meer Manchester en Londen. In augustus 1911 ontmoette hij tijdens een reis in het buitenland Baden Powell en Ben Tillett. Na een ziekte werd hij in 1912 benoemd in de parochie van Laken, nabij Brussel. Daar begon hij arbeidersorganisaties op te richten en te verbeteren.

Oorlogsjaren en overgang naar sociaal werk

In augustus 1914 verzamelde Jozef Cardijn voedsel en geneesmiddelen voor soldaten en oorlogsslachtoffers. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd hij twee keer opgesloten wegens zogenoemde patriottische activiteiten. In november 1916 werd hij gearresteerd en op 6 december 1916 veroordeeld tot dertien maanden gevangenisstraf. Vanuit de gevangenis smokkelde hij zijn geschriften naar buiten, terwijl hij via de ondergrondse boeken en ander materiaal ontving.

In 1918 werd hij opnieuw gearresteerd, ditmaal op beschuldiging van spionage. Hij kreeg toen een straf van tien jaar dwangarbeid, maar werd na de wapenstilstand van november 1918, die een einde maakte aan de oorlog, weer vrijgelaten. Door de gevolgen van zijn gevangenschap leed hij in 1919 aan tuberculose. Voor enkele maanden van herstel werd hij datzelfde jaar naar Cannes in Frankrijk gestuurd.

Na zijn vertrek uit Laken in 1919 wijdde Cardijn zich vanaf dan volledig aan sociaal werk.

Jeunesse Ouvrière Chrétienne en kerkelijke erkenning

In 1919 richtte Jozef Cardijn de groep van de Jonge Vakbondsmensen op, een initiatief dat aanvankelijk op weerstand binnen de Kerk stuitte. In 1924 veranderde zijn organisatie haar naam in Jeunesse Ouvrière Chrétienne, afgekort JOC. De beweging breidde zich daarna snel uit en werd vaak aangeduid als jocisme, terwijl de leden bekendstonden als jocisten. Cardijn kreeg in 1924 van kardinaal Mercier toelating om de paus te ontmoeten. In maart 1925 ontving hij van paus Pius XI een zegen, samen met een aanmoediging voor zijn werk. De acceptatie van de beweging door de Kerk werd later door de theoloog Yves Congar vergeleken met de bevestiging van de Orde van de Minderbroeders door paus Innocentius III. Cardijn ontmoette de paus opnieuw in 1927. In een eigenhandig ondertekende brief van 1935 sprak pauselijke steun de jocisten uit als een authentiek model. De groei van de organisatie was aanzienlijk: in 1938 telde zij 500.000 leden in heel Europa, en in 1967 had zij twee miljoen leden in 69 landen.

Rangen en rol in de Kerk

Op 30 april 1950 benoemde paus Pius XII Jozef Cardijn tot lekenkamerheer van Zijne Heiligheid. Later, op 25 september 1962, verhief paus Johannes XXIII hem tot apostolisch protonotarius. Paus Paulus VI kondigde vervolgens in 1965 aan dat hij Cardijn tot kardinaal zou creëren. Voorafgaand aan die kardinaalsbenoeming ontving Cardijn de bisschopswijding. Een week na die wijding maakte Paulus VI hem kardinaal-diaken van Sint-Michaël Aartsengel te Pietralata. De bisschopswijding werd toegediend door Leo Jozef kardinaal Suenens, die Cardijn wijdde tot titulair aartsbisschop van Tusuros in de kapel van het Pauselijk Urbanum College voor de Voortplanting van het Geloof.

Cardijn had Paul VI al leren kennen toen deze nog pater Montini was in de Staatssecretarie, en zij begonnen toen ook briefwisseling te voeren. Na Montini’s benoeming tot aartsbisschop van Milaan vreesde Cardijn een steunpilaar en vriend in de Staatssecretarie te verliezen. Bij de verkiezing van Johannes XXIII voelde hij zich eerst onzeker door het onbekende, maar al snel werden zij goede vrienden. Cardijn was ook verheugd toen Johannes XXIII Montini iets meer dan een maand na diens verkiezing tot kardinaal benoemde. Toen Montini in 1963 paus werd en de naam Paulus VI aannam, schreef hij Cardijn op 4 november 1963 een brief waarin hij diens werk prees.

In 1964 vroeg Paulus VI aan Cardijn om gedachten over oecumene en dialoog voor de encycliek Ecclesiam Suam. Cardijn bezorgde daarop een reflectie van tien pagina’s en nog veertig pagina’s met citaten. Hij nam ook deel aan het Tweede Vaticaans Concilie. Kardinaal Basil Hume merkte op 13 november 1982 op dat dit concilie Cardijns monument was. Binnen de voorbereidende werkzaamheden benoemde Johannes XXIII hem tot lid van de Voorbereidende Commissie voor het Leekapostolaat. Cardijn stelde meer dan vijfentwintig formele en gedetailleerde nota’s op voor die commissie. Zijn ideeën werden verwerkt in Apostolicam Actuositatem en Lumen Gentium. Ook zorgde hij ervoor dat Apostolicam Actuositatem de titel ‘Decreet over het lekenapostolaat’ kreeg in plaats van ‘Decreet over de leken’. Tijdens het concilie hield Cardijn drie tussenkomsten, waaronder een tussenkomst over godsdienstvrijheid op 20 september 1965.

Reizen en internationale erkenning

Joseph Cardijn reisde tijdens zijn leven vaak de wereld rond. Zijn eerste reis naar de Amerika's maakte hij in juni 1946, toen hij Costa Rica bezocht. In 1948 bracht hij een bezoek aan Noord-Afrika. In 1950 ontving hij het Légion d'honneur.

De eerste reis naar Azië volgde in 1953. Cardijn verliet België op 20 november 1952 en keerde terug op 4 maart 1953. Onderweg reisde hij naar Beiroet en Bagdad, vóór hij verder trok naar Karachi. Daarna bezocht hij India en Sri Lanka, met onder meer New Delhi en Colombo. Later in datzelfde jaar ging hij ook naar Japan en Honolulu, en vervolgens naar Chicago, New York en Washington, D.C.

In 1958 maakte hij zijn eerste reis naar Australië. In Melbourne en Adelaide sprak hij op openbare bijeenkomsten. Hij keerde in 1966 nog eens terug naar Australië om andere bijeenkomsten bij te wonen. Zijn laatste internationale reis begon op 24 februari 1967, toen hij naar Hongkong en Japan vertrok.

Laatste ziekte en overlijden

Op 19 juni 1967 werd Jozef Cardijn getroffen door een zware ziekte die veel pijn veroorzaakte. In juni kreeg hij hoge koorts en viel hij verschillende keren van de trap. Aanvankelijk was de diagnose onduidelijk omdat de temperatuur verder opliep, maar nadat hij naar het ziekenhuis was gebracht, bleek hij een ernstige nierinfectie te hebben. Hij had al in 1952 een operatie ondergaan in verband met de latere aandoening. Op 25 juni 1967 dateerde hij zijn laatste brief aan paus Paulus VI.

Eind juni volgde opnieuw een operatie, waarna er een lichte verbetering optrad. Daarna kon hij nog wat bier of koffie drinken. Kardinaal Suenens diende hem in het ziekenhuis het sacrament der zieken toe. Op 14 juli 1967 raakte hij in coma en kreeg hij ook hartzwakte. Koning Boudewijn bezocht hem aan het ziekbed, maar Cardijn herkende hem niet meer. Op 15 juli kwam hij in delirium terecht en viel hij uiteen in fragmenten van een preek over Populorum Progressio.

Op 24 juli 1967 overleed hij aan niercomplicaties. Een verpleegster stelde zijn overlijden vast. Zijn stoffelijk overschot werd bijgezet in de parochiekerk van Onze-Lieve-Vrouw te Laken.

Nalatenschap en erkenningen

De methode van Joseph Cardijn had een ruime invloed op latere katholieke en sociale bewegingen. Ze vormde mee de inspiratie voor de Jong Christelijke Arbeiders, de Jong Christelijke Studenten, de Christelijke Gezinsbeweging, de Katholieke Studentenactie, de Paulusvereniging en Palms Australië. In Noord-Amerika werd zijn aanpak toegepast binnen bewegingen van de Katholieke Actie. In Zuid-Amerika werd ze gezien als verenigbaar met de bevrijdingstheologie. Ook in Durban, Zuid-Afrika, werd zijn model in de jaren 1970 gebruikt om de ontwikkeling van de eerste zwarte vakbonden te ondersteunen. Naar zijn naam werd Cardijn College in Noarlunga Downs, Australië, genoemd, en het motto van die school werd overgenomen uit zijn model. Tijdens zijn loopbaan ontving Cardijn ook verschillende doctoraten en erkenningen. Hij kreeg in 1947 een onderscheiding van de Universiteit van Ottawa, in 1950 de Légion d'honneur, in 1956 een onderscheiding van de Université Laval en in 1959 een onderscheiding van de Université de Sherbrooke.

Zaligverklaringsproces

In december 2013 kondigde aartsbisschop André-Jozef Léonard van Mechelen-Brussel de opening van het zaligverklaringsproces van Jozef Cardijn aan. Het officiële verzoek tot zaligverklaring werd op 16 december 2013 bij de aartsbisschop ingediend. Vervolgens startte hij op 16 januari 2014 het diocesane onderzoek. De zaak loopt sindsdien verder op diocesaan niveau. Als postulator voor de zaak trad de heer Guy Tordeur op, met pater Felix Van Meerbergen als vice-postulator.

Scroll naar boven