Leopold III van België

Leopold III, koning der Belgen van 1934 tot 1951
Leopold III, koning der Belgen van 1934 tot 1951

Leopold III van België was de vierde Koning der Belgen, in functie van mei 1934 tot juli 1951. Hij was de zoon van Albert I van België en Elisabeth in Beieren. Leopold III werd geboren in het paleis van de Marquis d’Assche in de Leopoldwijk in Brussel. Na de dood van Leopold II in 1909 werd hij hertog van Brabant. Op 5 april 1915 werd hij als gewoon soldaat ingelijfd in het 2de Linieregiment en van september 1915 tot september 1919 volgde hij cursussen aan Eton College in Engeland. Hij bezocht met zijn ouders de Verenigde Staten in 1920 en legde op 10 januari 1923 de eed af op de grondwet en de wetten van het Belgische volk. In 1923 bezocht hij Egypte met koningin Elisabeth van België en in 1925 maakte hij zijn eerste reis naar Belgisch-Congo. Hij ontmoette prinses Astrid van Zweden in Stockholm en huwde haar op 4 november 1926. Samen kregen zij drie kinderen, onder wie Baudouin en Albert II. Leopold III werd in juni 1940 tot juni 1950 als niet in staat te regeren verklaard. Na een auto-ongeval in Küssnacht, Zwitserland, op 29 augustus 1935, waarbij koningin Astrid om het leven kwam en Leopold III gewond raakte, bleef zijn regeringsperiode bijzonder omstreden. Hij deed in 1951 afstand van de troon. Hij is de grootvader van koning Filip.

Koningschap en troonsafstand

Leopold III van België was de vierde Koning der Belgen, een functie die hij bekleedde van mei 1934 tot juli 1951. Hij was de zoon van Albert I van België en Elisabeth in Beieren. Van juni 1940 tot juni 1950 werd hij ongeschikt verklaard om te regeren. In 1951 deed hij afstand van de troon. Leopold III had de zonen Boudewijn en Albert II. Hij was ook de grootvader van koning Filip.

Jeugd, opleiding en huwelijk

Leopold III werd geboren in het paleis van de Marquis d'Assche in de Leopoldwijk in Brussel. Na de dood van Leopold II in 1909 werd hij hertog van Brabant. Op 5 april 1915 werd hij als gewoon soldaat ingelijfd bij het 2de Linieregiment. Van september 1915 tot september 1919 volgde hij lessen aan Eton College in Engeland.

In de daaropvolgende jaren ondernam Leopold III verschillende officiële reizen. Tussen 23 mei en 7 juni 1920 bezocht hij samen met zijn ouders de Verenigde Staten. Op 10 januari 1923 legde hij de eed af op de Grondwet en de wetten van het Belgische volk. In hetzelfde jaar bezocht hij Egypte met koningin Elisabeth van België. In 1925 maakte hij zijn eerste reis naar Belgisch Congo. Leopold III ontmoette prinses Astrid van Zweden in Stockholm en zij trouwden op 4 november 1926. Samen kregen zij drie kinderen.

Troonsbestijging en gezin

Leopold III van Belgie kwam op de troon door de eed op de Grondwet af te leggen, na de dood van zijn vader bij een bergbeklimmersongeval. Hij legde die eed af onder de naam Koning der Belgen. Op 29 augustus 1935 kwam koningin Astrid om het leven bij een auto-ongeluk in Kussnacht, Zwitserland, waarbij Leopold III zelf gewond raakte. Later trad hij in zijn tweede huwelijk met Lilian Baels, met wie hij drie kinderen kreeg. Deze kinderen dragen de titel van prins en prinses van Belgie, maar maken geen deel uit van de troonopvolging. Er wordt ook vermoed dat Leopold III mogelijk de vader was van Ingeborg Verdun, geboren in 1940, en wellicht van nog een zoon.

Geheime militaire contacten met Frankrijk

De Belgische neutraliteit had in 1936 geleid tot het stopzetten van officiële militaire contacten tussen de Franse en Belgische staven. Toch begonnen de Franse attaché generaal Laurent in Brussel en generaal van Overstraeten, de militaire raadgever van Leopold III, op een niet nader vermelde datum geheime contacten. Laurent bezorgde daarbij waardevolle Belgische militaire plannen aan de inlichtingendienst van het Franse ministerie van Defensie. Na de oorlogsverklaring van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk aan Duitsland kwamen Leopold III en de Franse opperbevelhebber Maurice Gamelin overeen om nauwer te overleggen. Leopold III wilde Duitsland niet provoceren, omdat België nog niet volledig militair voorbereid was en omdat de Frans-Britse inactie hem zorgen baarde. De uitwisseling van informatie tussen België en Frankrijk werd beschermd door het kortste verbindingskanaal, onderhouden door luitenant-kolonel Hautcœur, de Franse militaire attaché in Brussel, die rechtstreeks met de Franse opperbevelhebber communiceerde. Leopold III sprak soms rechtstreeks met Gamelin of via van Overstraeten. Van Overstraeten had ook regelmatig contact met Hautcœur en kende hem van de Koninklijke Militaire School in Brussel. De Belgische regering, met inbegrip van eerste minister Hubert Pierlot en minister van Buitenlandse Zaken Paul-Henri Spaak, keurde het voortzetten van de uitwisseling van militaire informatie goed tot aan de Duitse aanval.

De Duitse aanval en de Belgische verdediging

Op 3 en 7 mei waarschuwde Leopold III generaal Gamelin voor het Duitse aanvalsplan via de Ardennen. Op 10 mei stond het Belgische leger opgesteld in een boog van 140 kilometer, van de Schelde tot de Ardennen. In 1940 commandeerde Leopold III bijna 600.000 troepen in gevecht, terwijl bijkomende dienstplichtigen en reserves werden voorbereid. Het mobilisatieplan voorzag in ongeveer 750.000 manschappen, de grootste strijdmacht die ooit in België was samengebracht.

Het Belgische leger bood weerstand aan de Duitse troepen aan het Albertkanaal, maar Fort Eben-Emael viel al binnen 24 uur. Na de snelle nederlaag van het Nederlandse leger binnen drie dagen kwam de noordelijke flank van de Belgische stellingen onder druk te staan. De Chasseurs Ardennais vertraagden vanaf 12 mei de Duitse doorbraak richting Sedan bij Bodange, Martelange en Chabrehez. Belgische troepen dreven ook Duitse eenheden terug die met Fieseler Fi 156-toestellen waren ingezet bij Witry, Nimy en Léglise.

Leopolds waarschuwing bleek juist toen de Wehrmacht op 12 mei doorbrak bij Sedan. De Franse bondgenoten bij Sedan bestonden uit slecht uitgeruste B-seriereservisten, die op 13 mei terugtrokken. Leopold III stelde het Belgische leger onder bevel van de Franse opperbevelhebber Gamelin en coördineerde de bewegingen van het Belgische leger met de terugtrekkende Franse troepen zuidwaarts tijdens de doorbraak over de Maas. In Breendonck ontving hij de Franse verbindingsofficier generaal Champon en aanvaardde hij voor zichzelf een geallieerde commando-delegatie. Hij probeerde het Frans-Belgo-Engelse front te verenigen, maar dat mislukte door onverenigbaarheid van de geallieerde strategie. Na twee weken strijd trok het Belgische leger samen met de Frans-Engelse bondgenoten terug, tot het op de Leie werd ingesloten.

De beslissing van mei 1940

Leopold III kreeg pessimistische berichten van politieke vrienden die banden hadden met de Franse en Engelse aristocratie. Op 25 mei 1940 had hij op het kasteel van Wynendaele een beslissend onderhoud met de voornaamste ministers. Tijdens dat gesprek weigerde hij om met de ministers het nationale grondgebied te verlaten. Volgens de grondwet verklaart de koning oorlog en sluit hij vrede met de medeondertekening van ten minste een minister, en ook premier Pierlot en minister van Buitenlandse Zaken Spaak wilden betrokken zijn bij elke koninklijke beslissing om de vijandelijkheden te stoppen. Leopold III beschouwde de overgave echter als een zuiver militaire daad, behorend tot de opperbevelhebber onder de krijgswet. Hij besliste alleen over een beperkte militaire overgave, die de forten in het Oosten niet omvatte, en ondertekende de algemene capitulatie van alle strijdkrachten niet. Hij verklaarde later dat ministers zijn beslissing over de legerovergave onder de krijgswet niet hoefden goed te keuren en dat een wapenstilstand, als politieke daad, wel minstens de handtekening van een minister vereiste.

In die dagen schreef Leopold III ook aan de koning van Engeland dat de overgave militair en niet politiek zou zijn. Aan Franse generaal Blanchard, bevelhebber van het Noordleger, bracht hij zijn beslissing persoonlijk over. Hij omschreef de toestand van het Belgische leger als bijna ingestort, en op 28 mei 1940 stortte het leger effectief in, mede door morele redenen en munitiegebrek. Generaal Derousseau, als plaatsvervangend stafchef, was verantwoordelijk voor de onderhandelingen over de capitulatie met de Duitsers op het slagveld. De Duitsers vroegen bovendien een aparte radio-order tot overgave voor de resterende forten van het Oosten. De laatste oostelijke versterking, Tancrémont, gaf zich na negentien dagen weerstand over op 29 mei.

Leopold III zag de overgave als een strikt militaire beslissing die alleen het bevel ter plaatse aanbelangde. De oorlogstoestand tussen België en Duitsland veranderde daardoor niet, en ook de Belgische troepen in Congo maakten geen deel uit van die militaire overgave. Die troepen bleven onder de Force Publique verder vechten en bleven verbonden met de Belgische regering in ballingschap. In 1941 vocht de Force Publique samen met de Britten in Oost-Afrika, waardoor de regering in ballingschap de geallieerde strijd kon blijven steunen. Tegelijk werden in Groot-Brittannië opnieuw Belgische land- en luchtstrijdkrachten gevormd.

Leopold III verklaarde dat hij als bevelhebber en onder de krijgswet handelde. Hij bleef gedurende achttien dagen strijd in uniform aanwezig bij de legerstaf als luitenant-generaal, en hij wilde samen met de soldaten als legerleider aanwezig blijven. Hij wilde in het land blijven om Duitse acties tegen de nationale integriteit tegen te werken en dacht dat zijn koninklijke positie Hitler ertoe kon brengen België te ontzien. Hij ging ook in conflict met de ministers Hubert Pierlot en Paul-Henri Spaak over de vraag of hij gevangenneming door de vijand moest vermijden. Ondanks zijn grondwettelijk recht om ministers af te zetten, deed hij dat niet, en volgens enkele getuigen vertoonde hij tekenen van psychische instorting. Pierlot beschreef hem als onverzorgd, met een vaste en verdwaasde blik.

Leopold III besloot niet tot een wapenstilstand met Duitsland over te gaan. Hij vond dat hij, door zijn soldaten niet te verlaten, zichzelf militair gezien als krijgsgevangene moest beschouwen. Hij wilde de Belgische legitimiteit tegenover Duitsland blijven vertegenwoordigen zonder samenwerking met de bezetter. Hij weigerde zich te schikken naar buitenlandse, geallieerde of vijandelijke beslissingen op basis van zijn strikte opvatting van vorstelijke plicht, en hij zwoer de integriteit van België te verdedigen. In zijn legerproclamatie stelde hij dat België zich nooit zou overgeven. Toch leidde zijn beslissing na de oorlog tot de Koningskwestie en uiteindelijk tot zijn abdicatie.

De regering in ballingschap

Ministers Pierlot, Spaak en Gutt verlieten België om de nationale legitimiteit in het buitenland te vertegenwoordigen, in de verwachting dat Frankrijk de oorlog zou voortzetten. Veel Belgen hadden hun toevlucht gezocht in Frankrijk, maar keerden terug na de Franse nederlaag. Eerste minister Pierlot en minister van Buitenlandse Zaken Spaak bleven tot die nederlaag in Frankrijk, terwijl de meeste andere regeringsleden naar Engeland vluchtten. Pierlot en Spaak voelden zich verraden toen de regering van maarschalk Pétain hen diplomatieke bescherming tegen Duitsland ontnam. Zij probeerden contact te leggen met Brussel, maar door de Duitse stilzwijgendheid werd dat onmogelijk. Daarna vluchtten zij via het Francoistische Spanje, verborgen in een vrachtwagen met dubbele bodem, naar Portugal. Van daaruit werden zij door de Britse regering geëvacueerd naar Londen.

Waarschuwingen en evacuatie in 1940

Leopold III waarschuwde de koning van Engeland per brief voor de ineenstorting van het Belgische leger. Die brief werd persoonlijk overhandigd aan generaal Dill, in aanwezigheid van militair attaché Keyes. Daarnaast stuurde Leopold III radioberichten naar generaal Blanchard, waarin hij meldde dat overgave binnen twee dagen noodzakelijk was. In de chaos van de militaire toestand organiseerde hij ook het vervoer van de Franse 1e Pantserdivisie naar Duinkerke met Belgische vrachtwagens. Zo maakte hij gebruik van de wanorde om Franse troepen te helpen evacueren.

Het Belgische leger ontwapende zich en trok zich passief terug, waardoor Duitse troepen konden oprukken zonder burgerlijke massaslachtingen. Toch leden burgers tijdens de Belgische veldslag van 1940 onder slachtingen door Duitse troepen, als herhaling van de gruweldaden van 1914. Na de slag hielden de Duitse legerchefs rekening met vluchtelingenburgers om beschuldigingen van gewelddadig optreden te vermijden. Tegelijk ging door de ontreddering van het terrein 24 uur verloren voor het Duitse leger, wat de Frans-Britse strijdkrachten in Duinkerke hielp hun verdediging te organiseren.

Gevangenschap en politieke gevolgen

Na zijn gevangenneming door het Duitse leger werd Leopold III onder huisarrest geplaatst in het Château de Laeken in Brussel. Hij werd door Hitler beschouwd als krijgsgevangene en mocht geen politieke activiteiten uitoefenen. De Belgische regering verklaarde in juni dat hij, wegens de onderwerping door de vijand, volgens de Grondwet niet kon regeren. Toch had Leopold III volgens zijn positie als vorst nog een beperkte constitutionele betekenis: zijn enige wettelijke manier om macht uit te oefenen, was zijn constitutionele bevoegdheid te bewaren.

Tijdens de capitulatie koos hij ervoor geen ministers te ontslaan, hoewel hij daar juridisch het recht toe had. Voor zo'n ontslag was een ministeriele handtekening nodig, die beschikbaar was van de minister van Defensie, maar Leopold III zag ervan af om België niet zonder regering te laten. Hij kon ook geen nieuwe regering benoemen, omdat België bezet was en de parlementaire bevoegdheden waren opgeschort. Door de wettelijke regering te laten voortbestaan, wilde hij een politiek vacuüm vermijden en de nationale soevereiniteit bewaren. Daardoor kon de regering van Hubert Pierlot legaal de soevereiniteit over Belgisch grondgebied blijven uitoefenen, inclusief Belgisch Congo.

Leopold III sprak met Adolf Hitler over de toekomst van een door Duitsland gedomineerd Europa. Hij probeerde daarbij ook de burgerbevolking en de vrijlating van gevangen soldaten ter sprake te brengen, maar er kwam geen akkoord. In tegenstelling tot Frankrijk ondertekende hij geen wapenstilstand met Duitsland. Zijn overgave beperkte hij tot een zuiver militaire handeling, ondertekend door een onderchef van de staf, waardoor hij geen politieke overeenkomst met nazi-Duitsland sloot. Dat leidde ertoe dat Duitsland België behandelde als een bezet land zonder regering.

Zijn keuzes werden door sommige Belgen gezien als patriottisch en strategisch, terwijl anderen hem als mogelijke leider van een autoritair regime beschouwden. Voorstanders zagen in zijn houding een dubbele strategie tegenover Duitsland: Duitsland kon België intern beheren, terwijl er in het buitenland een vrije regering bleef bestaan. Die bewaarde Belgische soevereiniteit omvatte ook het Congo, de strategische delfstoffen, de koopvaardij en enkele troepen in Frankrijk en Engeland. Volgens die lezing verhinderde zijn houding ook dat Groot-Brittannië aanspraak kon maken op de Belgische koloniale gebieden in Afrika.

Leopold III deed tijdens de oorlog geen politieke stappen en sprak zich niet publiek uit tegen de verplichte arbeidsdienst. Zijn gevangenschap versterkte tegelijk de Duitse controle over België onder gouverneur Alexander von Falkenhausen, een adellijke Wehrmacht-generaal. Omdat hij bleef vastzitten, kon Hitler hem niet vervangen door een Duitse burgerlijke administratie of een SS-bestuur. Zijn aanwezigheid stelde de Duitsers dus ook een tijdlang bloot aan beperkingen in hun plannen voor België.

Belgische strijdkrachten in de oorlog

Tijdens de oorlog werden de Belgische middelen en eenheden onder Leopold III op verschillende fronten ingezet ten dienste van de geallieerden. In de Slag om Engeland namen 28 Belgische piloten deel, terwijl Belgische eskaders vochten binnen de Royal Air Force en de South African Air Force. Ook de volledige Belgische koopvaardijvloot werd ter beschikking gesteld van de geallieerden.

Daarnaast werden Belgische eenheden die waren geïntegreerd in Amerikaanse en Britse strijdkrachten ingezet in de Italiaanse veldtocht van 1943-1944. De heropgerichte landmachteenheid, de Pironbrigade, nam deel aan de bevrijdingsgevechten aan de noordelijke Franse kust en in België. Een regiment nam deel aan de verovering van het eiland Walcheren om de toegang tot de haven van Antwerpen te openen.

De regering in ballingschap bereidde ook een nieuwe militaire macht voor met infanterie, lichte pantserafdelingen en genie-eenheden. Door de geallieerden bewapende schietbataljons dienden samen met Amerikaanse troepen tijdens het Ardennenoffensief, vochten mee bij de brug van Remagen op de Rijn en veroverden Pilsen in Tsjechoslowakije. Belgische troepen bevrijdden bovendien de concentratiekampen Dora en Nordhausen op het Westelijk front.

Ook buiten Europa waren Belgische formaties actief. Belgische commando's vochten in geallieerde commandoformaties in Joegoslavië. Koloniale troepen onder bevel van generaal-majoor Gilliaert trokken Oost-Afrika binnen en behaalden overwinningen in Abessinië bij Gambela, Bortaï, Saïo en Asosa. Zij sneden de terugtocht af van de troepen van generaal Gazzera, die zich samen met 7.000 soldaten en belangrijk materieel overgaven.

Het geheime huwelijk met Lilian Baels

In september 1941 hertrouwde Leopold III in het geheim met Lilian Baels. Het huwelijk vond eerst plaats in een religieuze plechtigheid en daarna in een burgerlijke plechtigheid. Leopold III weigerde Lilian Baels de titel van koningin te geven en verhief haar tot prinses van Réthy. Die koninklijke huwelijksband kreeg geen goedkeuring van de regering, hoewel de Belgische wet die goedkeuring wel vereiste. Leopold III en zijn katholieke raadgevers sloten de kinderen uit dit huwelijk uit van de troonopvolging, zonder parlementaire goedkeuring. Voor veel Belgen wekte dit ongenoegen, zeker omdat men zich nog herinnerde aan koningin Astrid, die in 1935 was gestorven. Bovendien werd Lilian Baels door Belgen gezien als iemand met pro-Duitse sympathieën, nadat Duitse autoriteiten hadden gemeld dat Adolf Hitler bloemen en gelukwensen voor het huwelijk had gestuurd. Voorstanders van de koning verdedigden zijn gedrag door te verwijzen naar het verdwijnen van het parlement als overmacht en naar de verwachting dat een toekomstig parlement het huwelijk na een verhoopte overwinning zou bekrachtigen. Het hertrouwen leek ook te tonen dat Leopold III minder gevangen was dan men had gedacht.

Zware oorlogsomstandigheden in België

Sinds 1940 bleven Belgische soldaten krijgsgevangenen, afgesneden van hun families. Voor de Belgische bevolking werden de omstandigheden steeds zwaarder door tekorten aan voedsel en verwarming, en door strengere maatregelen van de Duitse staatsveiligheid, de Gestapo. Veel Belgische patriotten sloten zich aan bij het actieve verzet en de clandestiene pers, maar velen van hen werden gearresteerd, gedeporteerd, gefolterd en geëxecuteerd. Daarbovenop verslechterden de leefomstandigheden nog verder door de zwarte markt.

Protesten en gevangenschap tijdens de bezetting

Bij de capitulatie richtte Leopold III zich tot de Belgische bevolking met de verklaring dat hij het lot van zijn volk deelde. In 1940 besloot hij in België te blijven, uit vrees voor een Duits verdeelbeleid zoals dat van 1914-1918. Hij meende dat zijn aanwezigheid de Duitse plannen tot opsplitsing van het land kon tegenwerken en de territoriale integriteit van België kon verdedigen. Volgens zijn constitutionele eed voelde hij zich verplicht die integriteit te beschermen en wilde hij vermijden als verrader te worden beschouwd. Zelf dacht hij dat hij, ondanks de bezetting, een barriere kon vormen tegen de opsplitsing van het land.

Tijdens de bezetting had Leopold III echter slechts een schijnmacht. Het Belgische leger hield op te bestaan en de regering werkte vanuit het buitenland verder om de belangen van het vrije, in oorlog zijnde België te behartigen. Leopold III werd na de capitulatie onder huisarrest geplaatst in Brussel. Vanuit die positie stuurde hij twee protestbrieven naar Adolf Hitler tegen de deportaties en de tekorten aan steenkool. Hij vroeg ook om de vrijlating van gevangengenomen militairen. Als antwoord op die protesten werd hij met deportatie bedreigd, en uiteindelijk werd hij zelf gedeporteerd.

Ook de Duitse machtsverhoudingen speelden mee in zijn situatie. De keuze van Leopold III leek aanvankelijk de ergste Duitse plannen te kunnen afremmen, mede door de stilzwijgende medewerking van von Falkenhausen. Die militaire gouverneur steunde om strategische redenen de separatistische bedoelingen van Duitse collaborateurs in België niet. Goebbels klaagde later dat Leopold III hem en von Falkenhausen wilde verwijderen. Goebbels en Hitler wilden Leopold III in 1940 uitschakelen om de politieke fictie van het voortbestaan van België via zijn koning te beëindigen. In diezelfde periode hadden de nazi's in Nederland en Noorwegen na het vertrek van de monarchen de volledige controle, terwijl in Denemarken, waar bijna geen leger meer was, een officiële samenwerking tot stand kwam.

In Brussel bracht Karl Gebhardt, een Duitse SS-arts, Leopold III ongevraagd een bezoek en probeerde hij een ontmoeting tussen Leopold III en Hitler te regelen. Tijdens hun ontmoeting vroeg Leopold III om de vrijlating van alle Belgische gevangenen en om respect voor de onafhankelijkheid, maar Hitler deed geen enkele toezegging. In 1943 bood Gebhardt aan Leopold III en de prinses van Rethy ook flesjes gif aan, maar zij weigerden die. In juni 1944 beval Hitler de deportatie van Leopold III en zijn familie. Goebbels had dat al sinds 1940 gewild. Heinrich Himmler liet de familie vasthouden in de vesting Hirschstein in Saksen tot het einde van de winter van 1944-1945, waarna zij naar Strobl bij Salzburg werd overgebracht. Tijdens Leopolds detentie verdeelden de nazi's België in twee Gaue.

De naziverdeling van Belgie

Tijdens de naziverdeling van Belgie werden Vlaanderen en Brussel gescheiden van Wallonie. Volgens de plannen van de nazi's moest Wallonie worden aangewezen voor germanisering. Vlaanderen was bedoeld om samen met Nederland bij Duitsland te worden geannexeerd. Deze opdeling maakte deel uit van de bredere nazi-aanpak voor Belgie.

Terugkeer uit ballingschap en het regentschap

De deportatie van Leopold III en zijn familie maakte volgens de feiten precies waar wat men vreesde: de nationale verdeeldheid in België. Zijn aanwezigheid in het land was nochtans bedoeld om die verdeeldheid te voorkomen. Tijdens zijn deportatie naar Duitsland vertrouwde Leopold III zijn Politieke Testament toe aan vertrouwenspersonen. Hij wilde dat dit document gepubliceerd zou worden als hij afwezig bleef tijdens de bevrijding van België. In dat testament vroeg hij onder meer openbare verontschuldigingen van de ministers die hem in 1940 zouden hebben belasterd, en hij vroeg ook om herziening van de verdragen die de regering in ballingschap had gesloten, omdat hij die ongunstig voor de Belgische belangen vond. Er ontstond later ook controverse over economische verdragen met de Verenigde Staten over de levering van mineralen en Congolese uranium.

Na de bevrijding werd Leopold III met zijn familie door het Amerikaanse leger bevrijd in Strobl, in Oostenrijk. Daarna vestigden zij zich in Zwitserland in afwachting van een oplossing. Leopold III kon niet meteen naar België terugkeren door politieke tegenstand. Die tegenstand draaide onder meer rond de vraag of hij België in 1940 wel of niet had moeten verlaten om verder te vechten. Hij weigerde terug te keren onder de voorwaarden van de regering, die van hem een openbare verklaring eiste waarin hij de Geallieerden en het verzet zou prijzen en de Duitse bezetting veroordelen. Leopold III weigerde ook te erkennen dat zijn vertrek uit het nationale grondgebied in 1940 noodzakelijk was geweest.

Intussen begon de wederopbouw van België onder zijn broer, regent Charles, die door het parlement was aangesteld en dezelfde bevoegdheden had als Leopold III. Er werd zelfs gesuggereerd dat Charles koning zou worden onder de naam Charles van België. Charles dacht er zelf over na, maar steunde dat voorstel niet publiek. Hij werd gezien als eenvoudiger en huiselijker dan Leopold III, en hij zou later zeggen: 'Ik heb het huis gered', als rechtvaardiging voor zijn regentschap en het behoud van de troon. Toch bleven er onder zijn regentschap spanningen bestaan, vooral tussen Walen en Vlamingen. De Walen waren meestal minder gunstig gezind tegenover Leopold III en vroegen verontschuldigingen voor defaitisme, terwijl de Vlamingen meestal meer geneigd waren tot zijn terugkeer. De Belgische publieke opinie was in 1945 dan ook niet duidelijk over zijn terugkeer. Ook zijn regering in ballingschap slaagde er na haar terugkeer niet in de geschillen op te lossen.

Bijdragen van Vrij België in oorlogstijd

Tijdens het conflict nam het Belgische vrije leger militair deel in Afrika en Europa, en leverde het ook economische bijdragen. Die Belgische inbreng was belangrijk voor de betaling van de geallieerde schulden en hielp zo mee aan een snelle naoorlogse welvaart. België viel daarbij op tussen de verslagen landen van 1940, vooral door het beleid van de regering in ballingschap. In vergelijking met Vrij België brachten Nederland, Denemarken en Noorwegen geen gelijkaardige menselijke en economische middelen op in de strijd tegen de As-mogendheden. Ongeveer dertigduizend Belgen werkten en vochten in Engeland en Afrika, onder wie hulpkrachten, zeelieden, vliegers en landstrijdkrachten. Het Politiek Testament van Leopold III erkende echter niet de daden van de Belgen in ballingschap en van de Belgische ministers in Londen. Die ministers en hun families werden buiten België bovendien blootgesteld aan nazi-vervolging. Zo moesten de vrouw en kinderen van Paul-Henri Spaak onderduiken, werd een schoonzus geëxecuteerd, kwam de schoonbroer van premier Pierlot om het leven tijdens een geheime missie in België, en verloor minister Camille Gutt twee zonen die aan geallieerde zijde dienden.

Terugkeer, controverse en abdicatie

Leopold III bleef na de oorlog het middelpunt van felle discussies. Zijn Political Testament richtte zich vooral op de interne Belgische problemen en vermeldde het Verzet niet. Hij gaf generaal Tilkens ook toestemming om gewapende steun te verlenen aan de Royalist National Movement. In 1946 bekritiseerde Leopold III de blijvende aanwezigheid van de geallieerden in bevrijd België als een "bezetting". Winston Churchill wees daarbij op het verschil tussen de reële situatie in België en Leopold III's wereldbeeld in dit testament. In datzelfde jaar sprak een officiële onderzoekscommissie hem vrij van alle beschuldigingen van hoogverraad in 1940. Leopold III had ook een wapenstilstand geweigerd, wat de weg had kunnen openen voor de vorming van een collaborerende regering.

In 1950 maakte een volksraadpleging zijn terugkeer naar België mogelijk met 57 procent steun. Daaruit bleek dat Walen en sommige industriële of stedelijke Vlamingen tegen die terugkeer stemden, terwijl landelijke Walen en een sterke meerderheid van de Vlamingen ze steunden. Tegenstanders noemden Leopold III daarom de "koning van de Vlamingen". Kort na zijn terugkeer op 22 juli 1950 brak geweld uit in vooral Waalse provincies. Een algemene staking legde een groot deel van België lam, met actieve antimonarchistische acties van de Communistische Partij in de Antwerpse havenarbeiders. In Wallonië vonden verschillende tientallen explosiesabotages plaats, en bij de schietpartij in Grâce-Berleur kwamen vier betogers om door toedoen van de gendarmerie. Leopold III ontmoette op 1 augustus 1950 voormalige politieke gedeporteerden en vertrouwde daarna het algemeen luitenantschap toe aan prins Boudewijn. Op 16 augustus 1950 deed hij afstand van de troon omdat de nationale situatie niet verbeterde.

Laatste jaren en overlijden

Leopold III oefende nog invloed uit op het bewind van zijn zoon Boudewijn tot aan Boudewijns huwelijk. In 1959 vroeg de regering hem om niet langer onder hetzelfde dak te wonen als zijn zoon, en hij werd verzocht het Kasteel van Laken te verlaten. Daarna trok hij zich terug in het Château d’Argenteuil, nabij Brussel, in het Zoniënwoud. Vanaf dat moment had hij geen politieke rol meer.

Leopold III overleed in de Universiteitskliniek Saint-Luc in Sint-Lambrechts-Woluwe, Brussel, na een coronaire operatie. Hij werd begraven in de Koninklijke Crypte van Onze-Lieve-Vrouw van Laken in Brussel, samen met zijn twee echtgenotes.

Van bergbeklimmer tot natuurbeschermer

Leopold III werd in het alpinisme ingewijd door zijn vader Albert, een groot Belgisch bergbeklimmer. In 1924 maakte hij op 23-jarige leeftijd zijn eerste beklimming, de Campanile Toro in de Dolomieten, samen met zijn vader. In augustus 1925 beklom hij de Finsteraarhorn in het Berner Oberland. Albert vertrouwde hem daarbij de rol van hoofdkletteraar toe. In 1926 aanvaardde Leopold III het erevoorzitterschap van de Belgische Alpenclub.

In de jaren daarna beklom hij vooral Belgische rotsen en opende hij nieuwe routes terwijl hij zijn officiële taken vervulde. Zo opende hij een route op de Chamia-klif bij Waulsort en een andere op de Waulsort-rug van de Al'Rue-rots. Leopold III en zijn vader Albert worden beschouwd als pioniers van het klimmen in België. Hij herhaalde in 1932 een route op de Torre di Diavolo met de Italiaanse klimmer Emilio Comici en bereikte in september 1933 samen met Attilio Tissi en anderen een onbetrouwde top in het Civetta-massief, die de naam Campanile di Brabante kreeg.

Hij klom ook met bekende interbellumklimmers zoals Tita Piaz, Giusto Gervasutti, Aldo Bonacossa, Hans Steger en Paula Wiesinger. Na de dood van Albert in 1934 bracht hij bijna elke vakantie klimmend door in de Dolomieten en Tirol. Met Hans Steger en Paula Wiesinger beklom hij de oost- en westwand van de Fleischbank in het Kaisergebirge-massief. Na de Tweede Wereldoorlog bleef hij af en toe klimmen tussen 1950 en 1966. Met gids Camille Tournier beklom hij de Dent du Geant in het Mont-Blanc-massief, en zijn laatste beklimming was in 1963, op de zuidgraat van de Aiguille Purtscheller.

Naast het klimmen richtte hij in 1956 de Internationale Wetenschappelijke Stichting ASBL op. Deze vereniging bracht in 1958 de film Les Seigneurs de la forêt en een boek over Congo uit. In 1969 kwam hij persoonlijk tussen om het natuurmilieu van het Freÿr-plateau te beschermen tegen de aanleg van een caravanpark. Hij was ook een van de eerste Belgen die lid werden van de Societe des explorateurs Francais.

Scroll naar boven