Michiel de Ghelderode, geboren als Adémar Adolphe Louis Martens op 3 april 1898 in Brussel, was een Vlaams-Belgische avant-gardistisch dramaturg die in het Frans schreef. Hij publiceerde toneelstukken en korte verhalen en verwierf eveneens bekendheid als briefschrijver. In zijn werk keren vaak thema’s terug als dood, ontbinding en religieuze exaltatie.
Hij was de zoon van Henri-Louis Martens, een koninklijk archivaris, en Jeanne-Marie Rans, die vroeger postulante was voor de geestelijke staat. Hij was het jongste van vier kinderen. Rond zijn zestiende werd hij ernstig ziek door tyfus terwijl hij studeerde aan het Sint-Lodewijksinstituut in Brussel; tijdens die ziekte behield hij een visioen van een Dame aan zijn bed. Van 1919 tot 1921 diende hij in het leger. In 1924 trouwde hij met Jeanne-Françoise Gérard. Vanaf 1930 trok hij zich steeds meer terug uit het openbare leven. In zijn late dertiger jaren leed hij chronisch aan astma. Hij stierf op 1 april 1962, twee dagen voor zijn vierenzestigste verjaardag.
- Wie was Michel de Ghelderode en waarover schreef hij?
- Hoe verliepen de jeugd, het gezinsleven en de latere jaren van Michel de Ghelderode?
- Welke kunstenaars en tradities beïnvloedden Michel de Ghelderode?
- Hoe ontwikkelde Michel de Ghelderodes loopbaan als toneelschrijver en medewerker aan culturele tijdschriften?
- Hoe worden de thematiek en de stijl van Michel de Ghelderode gekenmerkt?
- Welke toneelstukken schreef Michel de Ghelderode in de jaren twintig, en wanneer werden sommige ervan opgevoerd?
- Welke toneelstukken schreef en liet Michel de Ghelderode in die periode opvoeren?
- Welke toneelstukken schreef Michel de Ghelderode in de jaren dertig?
- Welke stukken schreef Michel de Ghelderode voor marionetten in de jaren 1920 en 1930?
- Welke belangrijke werken schreef Michel de Ghelderode?
- Welke bronnen en vertalingen worden in verband gebracht met Michel de Ghelderode?
Leven en werk van Michel de Ghelderode
Michel de Ghelderode, geboren als Adémar Adolphe Louis Martens op 3 april 1898 en gestorven op 1 april 1962, was een Vlaamse avant-gardistische toneelschrijver. Hij sprak en schreef in het Frans. Zijn werk omvatte toneelstukken en korte verhalen, en hij stond ook bekend als een verdienstelijk briefschrijver. In zijn teksten kwamen vaak thema’s aan bod zoals de dood, ontluistering en religieuze verhevenheid. Daarmee behoort hij tot de opvallende figuren van de Vlaamse avant-garde, met een oeuvre dat sterk werd gekenmerkt door contrasten tussen verval en spirituele intensiteit.
Persoonlijk leven
Michel de Ghelderode werd in 1898 geboren in Brussel, België. Hij was de jongste van vier kinderen van Henri-Louis Martens, een koninklijk archivaris, en Jeanne-Marie Rans, die voorheen postulant was voor de heilige wijdingen. Rond zijn zestiende werd hij, terwijl hij studeerde aan het Sint-Lievenscollege in Brussel, ernstig ziek door tyfus. Tijdens die ziekte hield hij de herinnering aan een Dame aan zijn bed levend. Van 1919 tot 1921 diende hij in het leger. In 1924 trouwde hij met Jeanne-Françoise Gérard. Vanaf 1930 trok hij zich steeds meer terug uit het openbare leven. In zijn late dertiger jaren leed hij chronisch aan astma. Hij overleed in 1962, twee dagen vóór zijn vierenzestigste verjaardag, en werd begraven op de Begraafplaats van Laken in Brussel.
Invloeden op zijn toneel
Michel de Ghelderode sloot met zijn toneelopvatting aan bij het manifest *Het theater en zijn dubbel* van Antonin Artaud, dat op 1 februari 1938 verscheen. Net als Artaud ging hij ervan uit dat het theater het menselijke onbewuste kon uitdrukken via droomachtige, hallucinatoire beelden en krachtige driften. Hij vond inspiratie in de fantastische beeldwereld van Vlaamse schilders als Jeroen Bosch en Pieter Bruegel. Over Bruegel sprak hij als zijn ‘voedende vader’, en hij schreef stukken die nauw op Bruegels schilderijen waren gebaseerd. Zo is *De Blinden* afgeleid van *De parabel van de blinden* en *De Ekster op de galg* van *De vrolijke tocht naar de galg*; *De Zonderlinge Ruiter* is eveneens door Bruegel geïnspireerd. Over *Dulle Griet* zei hij dat het een wonderbaarlijk schilderij was dat een visie op de wereld en een filosofie bood. Als geboren Vlaming had hij ook waardering voor Vlaamse volkstradities en cultuur, wat in zijn stukken en verhalen doorklinkt. Verder keren maskers, middeleeuws straattheater en legenden vaak terug in zijn werk. Tot zijn andere invloeden behoorden het poppentheater, de Italiaanse commedia dell’arte, de middeleeuwse wereld van Vlaanderen, Jacob Jordaens, de Teniers, de Belgische kunstenaar James Ensor en de schrijvers Georges Eekhoud en Jean Ray.
Toneelwerk en latere carrière
Michel de Ghelderode begon in 1916 toneelstukken in het Frans te schrijven. In 1918 volgde de opvoering van *La mort regarde à la fenêtre* en in 1919 *Le repas des fauves*. Hij schreef later meer dan zestig toneelstukken, een honderdverhalen, verscheidene artikels over kunst en folklore en meer dan 20.000 brieven.
In 1921 en 1922 was hij hoogleraar aan het Instituut Dupuich, maar hij nam ontslag wegens een slechte gezondheid. In 1923 werkte hij als boekverkoper en behaalde hij de functie van archiefredacteur bij de Gemeentelijke Archieven van Schaarbeek, waar hij tot 1945 in uiteenlopende functies actief bleef. Vanaf 1924 leverde hij bijdragen aan *La Flandre littéraire* en *La Renaissance d'Occident* en schreef hij ook stukken voor het poppentheater *Les Marionnettes de la Renaissance d'Occident*.
In 1925 begon hij opnieuw toneelstukken op te voeren in samenwerking met de Nederlandse producent Johan de Meester, met wie hij tot 1930 samenwerkte. In 1927 schreef hij *Escurial* en in 1929 *Pantagleize* voor de Vlaamse komiek Renaat Verheyen. In 1939 gaf hij het schrijven van toneelstukken volledig op. Tussen 1946 en 1953 schreef hij voor *Le Journal de Bruges*. In 1949 veroorzaakten opvoeringen van zijn stukken, vooral *Fastes d'enfer*, opschudding in Parijs.
Thematiek en stijl
Het oeuvre van Michel de Ghelderode schept een fantastische en ontregelende wereld, bevolkt door mannequins, poppen, duivels, maskers, skeletten, religieuze attributen en mysterieuze oude vrouwen. Zijn stukken wekken vaak een unheimische en onrustige sfeer op, ook al bevatten ze zelden iets dat expliciet angstaanjagend is. In veel werken loopt een uitgesproken antiklerikale ondertoon, die wel wordt getemperd door een spiritualiteit die nooit uitmondt in werkelijk geloof. Zijn theaterwereld eert de religie vaker dan dat ze die volgt.
Seksualiteit is een overheersend motief in bijna al zijn stukken, vaak in weinig aantrekkelijke vormen. Ook vraatzucht en zwaar drinken keren geregeld terug, net als lust, die vaak wordt belichaamd door heksachtige vrouwelijke figuren met suggestieve namen. Volgens Oscar G. Brockett vertonen zijn werken verwantschap met die van Alfred Jarry, de surrealisten en de expressionisten, terwijl zijn ideeën ook aansluiten bij die van Antonin Artaud. Ghelderode ziet de mens als een wezen waarin het vlees bijna altijd de geest overheerst.
In zijn werk blijven verder verderf, dood en wreedheid voortdurend onder de oppervlakte aanwezig, met een impliciete kritiek op ontluistering en materialisme en een oproep tot boetedoening. Als een van de eerste dramaturgen maakte hij bovendien gebruik van het idee van het totale theater, dat oog, oor en gevoel aanspreekt om het intellect in beweging te zetten. Als pionier van dit totale theater oefende hij een krachtige invloed uit op de geschiedenis van het Franse toneel. Zijn stukken werden later ook in het Engels vertaald, maar worden in Engelstalige landen zelden opgevoerd.
Toneelwerken in de jaren twintig
In de jaren twintig schreef Michel de Ghelderode een reeks toneelwerken die zijn productieve periode als dramaturg duidelijk afbakenen. In 1918 ontstonden *De Dood kijkt door het venster* en *De maaltijd van de roofdieren*. Daarna volgden onder meer *Piet Fles* (of *Oude Piet*) in 1920, *De zonderlinge ruiter* in 1920 of 1924, *Houten hoofden* in 1924 en *Het Mirakel in de voorstad* in 1924, dat hij ongeredigeerd liet. In 1925 schreef hij *De klucht van de Dood die bijna stierf* en *De oude mannen*, en in 1926 *De dood van dokter Faust* en *Beelden uit het leven van de heilige Franciscus van Assisi*. In 1927 kwamen daar *Venus*, *Escurial*, *Christoffel Columbus* en *De transfiguratie in het circus* bij. Een jaar later volgden *Verdronken dromen*, *Een avond van medelijden*, *Drie acteurs, een drama…* en *Don Juan*.
Verscheidene van deze stukken werden kort na hun schrijven opgevoerd. *Piet Fles* ging op 2 april 1931 in première in Brussel, in het Koninklijk Theater van de Park. *De klucht van de Dood die bijna stierf* werd op 19 november 1925 opgevoerd in Brussel door het Vlaams Volkstoneel. *De dood van dokter Faust* werd op 27 januari 1928 gespeeld in Parijs, in het Théâtre Art et Action. *Beelden uit het leven van de heilige Franciscus van Assisi* volgde op 2 februari 1927 in Brussel, eveneens door het Vlaams Volkstoneel. *Escurial* werd op 12 januari 1929 in Brussel opgevoerd in het Vlaams Theater. *Christoffel Columbus* kreeg op 25 oktober 1929 een opvoering in Parijs, in het Théâtre Art et Action. Ook *Drie acteurs, een drama…* werd later in Brussel gespeeld, in het Koninklijk Theater van het Park, op 2 april 1931.
Toneelstukken uit het einde van de jaren 1920
In 1928 schreef Michel de Ghelderode *Barabbas*. Het stuk werd op 21 maart 1928 in Brussel opgevoerd door het Vlaams Volkstoneel en later opnieuw op 8 januari 1934 in Brussel, in het Théâtre Résidence. In 1929 volgde *Fastes d'enfer* (*Kronieken van de hel*) en *Pantagleize*. *Fastes d'enfer* werd pas veel later opgevoerd, namelijk op 11 juli 1949 in Parijs in het Théâtre de l'Atelier. *Pantagleize* ging in première in Brussel bij het Vlaams Volkstoneel op 24 april 1930 en werd later opnieuw gespeeld op 25 oktober 1934 in Brussel, in het Théâtre Royal du Parc.
Toneelwerken uit de jaren dertig
In de jaren dertig schreef Michel de Ghelderode een groot aantal toneelwerken, vaak in een korte opeenvolging van jaren. In 1930 ontstonden onder meer Atlantique, Celui qui vendait de la corde de pendu, Godelieve, Le Ménage de Caroline en Le Sommeil de la raison. Godelieve liet hij onbewerkt en dit stuk werd later in 1932 opgevoerd in Oostende. Le Sommeil de la raison werd op 23 december 1934 gespeeld in Oudenaarde, terwijl Le Ménage de Caroline pas op 26 oktober 1935 in Brussel, in het Théâtre de l’Exposition, op de planken kwam.
In 1931 volgden Le Club des menteurs of Le Club des mensonges, La Couronne de fer-blanc, Magie rouge en Le Voleur d’étoiles. Van dat laatste stuk vond de opvoering plaats in Brussel, bij het Vlaamse Volkstoneel, op 7 april 1932. Magie rouge werd later gespeeld in Brussel, in het Estaminet Barcelone, op 30 april 1934.
Het jaar 1932 leverde opnieuw een reeks werken op: Le Chagrin d’Hamlet, Vie publique de Pantagleize, La Grande Tentation de Saint Antoine, Pike anatomique, Le marchand de reliques, Casimir de l’Académie…, Paradis presque perdu en Genéalogie. In 1933 schreef hij onder meer Arc-en-ciel, Les Aveugles, Le Siège d’Ostende, Swane, Plaisir d’amour en Le Soleil se couche. Dat laatste stuk werd later opgevoerd in Brussel, in het Théâtre Royal Flamand, op 23 januari 1951.
Ook in 1934 bleef zijn productie hoog. Toen kwamen onder andere Adrian et Jusemina, Le Perroquet de Charles Quint, Masques ostendais, Petit drame, La Balade du Grand Macabre, Sire Halewyn, Mademoiselle Jaïre en Le Soleil se couche… tot stand. La Balade du Grand Macabre werd later opgevoerd in Parijs, in het Studio des Champs-Élysées, op 30 oktober 1953; Sire Halewyn kreeg een opvoering in Brussel, in het Théâtre Communal, op 21 januari 1938; en Adrian et Jusemina werd gespeeld in Brussel, in het Théâtre Residence, op 19 januari 1952.
In 1935 schreef hij Hop Signor!, Sortie de l’acteur, Le Vieux Soudard en Le singulier trépas de Messire Ulenspigel. Daarna volgden La Farce des Ténébreux in 1936, La Pie sur le gibet in 1937 en het ontwerp Pantagleize est un ange in 1938. Aan het einde van het decennium werkte hij samen met Jean Barleig aan La Petite Fille aux mains de bois, een sprookje in drie bedrijven, dat in 1939 ontstond.
Poppenspelen en marionettentheater
Michel de Ghelderode schreef in de jaren 1920 en 1930 meerdere werken voor marionetten. In 1924 creëerde hij Le Mystère de la Passion de Notre-Seigneur Jésus Christ, gevolgd door Duvelor of de Ouwe Duivel’s Klucht in 1925 en Le Massacre des Innocents in 1926. Later kwamen daar La ronde de nuit, een pseudodrama voor marionetten, en La nuit de mai, een drama voor marionetten, beide uit 1932, bij. In 1933 schreef hij Les Femmes au tombeau, eveneens voor marionetten, en in 1934 D’un diable qui prêcha merveilles, een mysterie voor marionetten in drie bedrijven. Le Mystère de la Passion de Notre-Seigneur Jésus Christ werd op 30 maart 1934 opgevoerd in het Théâtre des Marionnettes de Toone in Brussel.
Belangrijke werken van Michel de Ghelderode
Michel de Ghelderode schreef in de eerste helft van de twintigste eeuw een reeks werken die zijn naam vestigden. In 1921 verscheen "Reis rond mijn Vlaanderen", gevolgd door "De Komische Geschiedenis van Keizer Karel" en "De Katholieke Rust" in 1922. Een jaar later schreef hij "De Man onder het uniform". In 1925 kwam "De Hoorn des Overvloeds" tot stand. Later volgden onder meer "De Man met de gouden snor" in 1931, "Toverij" in 1941 en "Mijn beelden" in 1943. In datzelfde jaar publiceerde hij ook "Dingen en mensen van bij ons" in twee delen. Zijn latere werk omvatte "Vlaanderen is een droom" uit 1953 en "De interviews van Oostende" uit 1956.
Brondocumenten
In de overgeleverde bronnen over Michel de Ghelderode worden verschillende studies en uitgaven vermeld. Zo is er het werk van David B. Parsell, *Michel de Ghelderode*, verschenen in New York bij Twayne Publishers in 1993. Ook wordt *Michel de Ghelderode* genoemd, onder redactie van R. Beyen, uitgegeven door Archives du Futur in Brussel in tien delen tussen 1962 en 1991. Daarnaast zijn er de brieven *Aan regisseurs en acteurs*, gepubliceerd tussen 1948 en 1959. Verder bevat de literatuur het werk van David Willinger, *Ghelderode*, uitgegeven in Austin (Texas) bij Host Publishers in 2000, met Engelse vertalingen van *Het beleg van Oostende*, *Transfiguratie in het circus* en *De acteur maakt zijn uitgang*. Ten slotte vermeldt *Theatrale gebaren van het Belgisch modernisme* van David Willinger, verschenen in New York bij Peter Lang Publishing, Inc. in 2002, Engelse vertalingen van *Venus*, *Dromen die verdrinken* en *Dwaalhoofden*.