Paul Hankar

Portret van Paul Hankar rond 1890
Portret van Paul Hankar rond 1890

Paul Hankar werd geboren in Frameries, in de Belgische provincie Henegouwen, in een gezin van steenhouwers. Hij groeide op in een ambachtelijke omgeving en verhuisde op veertienjarige leeftijd naar Brussel om zijn beeldhouwopleiding te vervolmaken. Tussen 1873 en 1884 studeerde hij aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Brussel. Om in zijn onderhoud te voorzien werkte hij als ontwerper van ornamenten en funerair monumenten in het atelier van Georges Houtstont. Tijdens zijn studies leerde hij Victor Horta kennen; zij werden vrienden en later ook concurrenten. Hankar bestudeerde er ook smeedijzertechnieken, die hij later in veel van zijn projecten toepaste. Van 1879 tot 1894 werkte hij in het atelier van Henri Beyaert, waar hij in aanraking kwam met de rationalistische constructieve architectuur. In 1888 begon hij in Brussel te werken als architect en meubelontwerper. Hij werkte samen met Adolphe Crespin, interieurdecorateur en sgraffitospecialist, en werd in 1893 zelfstandig met een eigen bureau in Brussel. Hij was ook hoofdontwerper van het Palacio de Chávarri in Bilbao in 1889. De bouw van Maison Hankar aan de Defacqzstraat 71 in de gemeente Sint-Gillis wordt beschouwd als het eerste art-nouveaugebouw in Brussel.

Samenwerking met Henri Beyaert

Paul Hankar was een Belgisch architect en ontwerper. Hij behoorde samen met Victor Horta en Hendrik Van de Velde tot de belangrijkste vertegenwoordigers van de art-nouveau in België. Tot aan de dood van Henri Beyaert in 1894 werkte Hankar als medewerker met hem samen. Deze samenwerking vormde een belangrijk deel van zijn vroege loopbaan.

Opleiding en eerste projecten in Brussel

Paul Hankar werd geboren in Frameries, in de provincie Henegouwen, als zoon van een metselaar. Hij kwam uit een familie van ambachtslieden die zich al drie generaties toelegden op steenwerk. Op veertienjarige leeftijd verhuisde hij naar Brussel om zijn beeldhouwersopleiding te vervolmaken. Tussen 1873 en 1884 studeerde hij aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Brussel. Om in zijn onderhoud te voorzien, werkte hij in het atelier van Georges Houtstont als ontwerper van ornamenten en grafmonumenten. Tijdens zijn studies leerde hij Victor Horta kennen; beiden werden eerst vrienden en later concurrenten. Hankar bestudeerde ook technieken van smeedijzer, die hij later in de meeste van zijn projecten zou toepassen.

Van 1879 tot 1894 werkte hij bovendien in het atelier van Henri Beyaert. Onder diens leiding kwam hij in aanraking met een rationele, constructieve architectuur. In Brussel begon hij in 1888 te werken als architect en meubelontwerper. In die periode werkte hij samen met Adolphe Crespin, een binnenhuisdecorateur en specialist in sgraffito. In 1889 werd hij hoofdontwerper van het Palacio de Chávarri in Bilbao, in Spanje. In 1893 opende hij zijn eigen kantoor in Brussel.

Kort daarna begon hij met de bouw van Maison Hankar aan de Defacqzstraat 71 in Sint-Gillis. Dit gebouw wordt beschouwd als het eerste art-nouveaupand in Brussel en werd tegelijk opgetrokken met Victor Horta’s Hôtel Tassel. Maison Hankar werd later beschermd als cultureel erfgoed in Brussel. Een affiche uit 1894, ontworpen door Crespin, maakte het huis bekend. In Maison Hankar gaf Hankar duidelijk de voorkeur aan polychromie, gevarieerde materialen en smeedijzer. De gevel laat de gebouwstructuur zien met een half verdiep versprongen ingang- en trappenpartij. Een erker van drie verdiepingen, gedragen door stenen kraagstenen, brengt licht in de bovenste slaapkamers. De gevel bevat ook muurschilderingen van Crespin onder de vensters en in een fries van een arcade. Het geheel combineert zware neorenaissance-elementen met lichte art-nouveaudetails en betekent een duidelijke breuk met het historiserende architecturale vocabularium.

Westende en de Brusselse erkenning

In 1896 stelde Paul Hankar een project voor voor een Cité des Artistes in de badplaats Westende. Dat initiatief was opgevat als een coöperatie van kunstenaars met woningen en ateliers, en het zou later inspiratie bieden voor de kunstenaarskolonie van Darmstadt en voor de kunstenaars van de Weense Secessie. In hetzelfde jaar kreeg Hankar officiële erkenning via een tentoonstelling van de Cercle Artistique, die hij deelde met Duyck en Crespin. Die presentatie werd geprezen door Khnopff, al kreeg ze van sommige critici ook gemengde reacties.

In 1897 werd Hankar samen met Henri Van de Velde, Gustave Serrurier-Bovy en Georges Hobé belast met het ontwerp van de Koloniale Tentoonstelling van Tervuren. Daar coördineerde hij het werk van ambachtslieden en meubelmakers die een art-nouveaustijl uitdrukten. Daarnaast droeg hij bij aan het ontwerp van de Congosectie op de Universele Tentoonstelling van Brussel in 1897. Datzelfde jaar gaf hij ook een lezing over de stedelijke vernieuwingsvisie van het ‘Nieuwe Brussel’.

De monumentale stenen bank

Tussen 1898 en 1899 ontwierp Paul Hankar een monumentale stenen bank, uitgehouwen uit steen uit de groeven van Ecaussines en Soignies. De bank werd tentoongesteld in de sectie Mijnbouw en Metallurgie van de Wereldtentoonstelling van Parijs in 1900. Na die tentoonstelling kocht koning Leopold II van België het werk en schonk het in 1905 aan een park in de Koninginlaanwijk van Oostende. In 1971 werd de bank verwijderd voor de uitbreiding van een parkeerterrein en vervolgens vernield. Op basis van de oorspronkelijke tekeningen werd tussen 2003 en 2004 een replica gemaakt en op dezelfde plaats geplaatst.

Academische loopbaan en overlijden

Van 1891 tot 1897 was Paul Hankar hoogleraar ingenieurswetenschappen aan de School voor Toegepaste Kunsten in Schaarbeek. Vervolgens gaf hij van 1897 tot 1901 architectuurgeschiedenis aan het Instituut voor Hogere Studies van de Vrije Universiteit Brussel. Daarnaast was hij tussen 1894 en 1896 hoofdredacteur van het tijdschrift L'Émulation, dat de art nouveau promootte. Hankar overleed op 41-jarige leeftijd na een ziekte die hij had opgelopen tijdens excursies met de Archeologische Vereniging van Brussel. Zijn graf bevindt zich op de Diewegbegraafplaats in Ukkel, Brussel.

Vroege art-nouveaustijl

In 1893 voltooide Paul Hankar samen met Victor Horta zijn eerste art-nouveauhuizen. Zijn stijl sloot aan bij die van Horta doordat hij brak met traditionele historische stijlen en nieuwe materialen zoals glas en ijzer zichtbaar in zijn ontwerpen gebruikte. In zijn vroege werk gaf hij de voorkeur aan bogen en gebogen lijnen, de zogenoemde membrures. Toch verschilde zijn aanpak van die van Horta, onder meer door het gebruik van metalen constructies.

Hankar streefde naar kleurrijke effecten door materiaalgebruik en werkte samen met Crespin aan verhalende sgraffitodecoraties op gevels. Hij bouwde huizen voor bevriende kunstenaars met bescheiden budgetten, in tegenstelling tot de welgestelde cliënteel van Horta. Daarbij lag de nadruk in zijn huizen vooral op de gevels, terwijl bij Horta eerder het interieur centraal stond. Hankar vond Horta’s werk bovendien te weelderig en beschreef het als Louis XV.

Daarnaast introduceerde Hankar de mode van ronde houten schuiframen, uitgevoerd met fijn vakmanschap. In zijn houtwerk combineerde hij gotische en Japanse complexiteit. Ook gebruikte hij ornamentele motieven uit de natuur, zoals bloemen, insecten en reptielen. Op inhoudelijk vlak liet hij zich vooral inspireren door het werk van Viollet-le-Duc, onder meer Le Dictionnaire en Les Entretiens.

Beroepsmatige realisaties

Binnen zijn beroepsmatige realisaties wordt Paul Hankar in verband gebracht met tien herenhuizen, zestien particuliere woningen, zeven kunstenaarsateliers, vier grote landhuizen, negen herdenkings- of grafmonumenten en vijfentwintig winkels of tentoonstellingsensembles. Deze opsomming toont dat zijn werk een breed scala aan architecturale opdrachten omvatte, gaande van woonhuizen tot commerciële en monumentale projecten.

Belangrijkste werken van Paul Hankar

Het merendeel van de constructies van Paul Hankar bevindt zich in Brussel. Tot zijn vroegste bekende opdrachten behoort het Mausoleum Charles Rogier in Brussel, dat hij in de jaren 1870 ontwierp. In 1888-1889 werkte hij aan het Palacio de Chávarri in Bilbao, gebouwd voor zakenman Víctor Chávarri. Daarna volgden onder meer het Atelier van Alfred Crick in Brussel in 1891, Maison-atelier Gouweloos in 1896, Hôtel Ciamberlani in Elsene in 1897 en Hôtel René Janssens in 1898. Ook ontwierp hij in 1896 de vroegere gevel van de chemiserie Niguet aan de Koningsstraat in Brussel, en in 1898 een deel van het bas-reliëf op de gevel van Maison Aglave in Brussel. In 1899 realiseerde hij in Gent zowel het voetstuk van het monument Jan-Frans Willems op het Sint-Baafsplein als het Monument Willems zelf; het beeldhouwwerk van het voetstuk werd vervaardigd door Isidoor De Rudder. Daarnaast maakte hij in 1898 een tabouret dat zich nu bevindt in het Kunstmuseum van het graafschap Los Angeles, Californië, Verenigde Staten, en ontwierp hij twee kamerschermen voor het Grand Hôtel in Brussel, bewaard door de Koning Boudewijnstichting en het Designmuseum Gent.

Scroll naar boven