Françoise Mallet-Joris, geboren als Françoise Julienne Eugénie Lilar in Antwerpen, was een Belgische en Franse letterkundige. Zij was de dochter van de Belgische minister Albert Lilar en van letterkundige Suzanne Lilar. Op haar 16de publiceerde zij haar eerste werk, Poème du dimanche. Voor haar roman Le Rempart des Béguines, over een lesbische liefdesgeschiedenis, nam zij het pseudoniem Mallet aan; in 1950 voegde zij daar Joris aan toe om een Belgische klank te behouden. Die roman maakte haar bekend en werd in 1972 verfilmd door Guy Casaril, met wie zij aan het scenario werkte. Ook haar vervolgroman La Chambre rouge werd verfilmd. Zij schreef verder het libretto van de niet-gepubliceerde opera Caryl Chessman, op muziek van José Berghmans. Mallet-Joris was lid van de Prix Femina-commissie, zat van 1971 tot 2011 in de Académie Goncourt en was vanaf 1993 lid van de Académie royale de langue et de littérature françaises de Belgique, waar zij de zetel van Suzanne Lilar bezette. Zij was drie keer gehuwd en had vier kinderen.
- Wie was Françoise Mallet-Joris en welke literaire erkenning kreeg zij?
- Hoe werd Françoise Mallet-Joris bekend en welke werken markeerden haar vroege loopbaan?
- Welke literaire functies bekleedde Françoise Mallet-Joris en hoe zag haar persoonlijke leven eruit?
- Welke werken publiceerde Françoise Mallet-Joris in deze periode, en hoe werden ze later heruitgegeven?
- Welke werken publiceerde Françoise Mallet-Joris in deze periode, en welke erkenning kreeg ze daarvoor?
- Welke belangrijke publicatie en bekroning kreeg Françoise Mallet-Joris in verband met Marie Mancini?
- Welke werken publiceerde en herpubliceerde Françoise Mallet-Joris tussen 1966 en 1985?
- Welke werken publiceerde Françoise Mallet-Joris eind jaren tachtig en begin jaren negentig, en hoe werden ze later opnieuw uitgegeven?
- Welke werken van Françoise Mallet-Joris verschenen tussen 1997 en 2007 opnieuw of voor het eerst in boekvorm?
Afkomst en literaire erkenning
Françoise Mallet-Joris was een Belgische en Franse letterkundige, geboren in Antwerpen in België. Haar loopbaan kreeg ook een belangrijke institutionele erkenning: van 1971 tot 2011 was zij lid van de Académie Goncourt. Zij overleed in Bry-sur-Marne, in het departement Val-de-Marne.
Vroeg werk en doorbraak
Françoise Mallet-Joris werd geboren als Françoise Julienne Eugénie Lilar in Antwerpen, België. Zij was de dochter van de Belgische minister Albert Lilar en de letterkundige Suzanne Lilar. Al op 16-jarige leeftijd publiceerde zij haar eerste werk, Poème du dimanche.
Voor de publicatie van de roman Le Rempart des Béguines koos zij het pseudoniem Mallet. In 1950 voegde zij daar Joris aan toe om een Belgische klank te behouden. Met Le Rempart des Béguines, een roman over een lesbische liefdesgeschiedenis, werd zij bekend. Dit boek werd in 1972 verfilmd door Guy Casaril, met wie zij ook samenwerkte aan het scenario.
Ook het vervolg op die roman, La Chambre rouge, werd verfilmd, door Jean-Pierre Berckmans. Daarnaast schreef zij het libretto van de niet-uitgevoerde opera Caryl Chessman, op muziek van José Berghmans.
Literaire erkenning en persoonlijke relaties
Françoise Mallet-Joris maakte van 1969 tot 1971 deel uit van het comité van de Prix Femina. Daarna werd zij unaniem gekozen in de Académie Goncourt. Vanaf 1993 tot aan haar dood was zij lid van de Académie royale de langue et de littérature françaises de Belgique, waar zij de zetel van Suzanne Lilar innam. Haar naam kwam ook in een minder rustige context naar voren toen Jean-Edern Hallier beweerde in 1975 een aanval op haar te hebben laten organiseren.
In haar persoonlijke leven was zij drie keer gehuwd: met Robert Amadou, Alain Joxe en Jacques Delfau. Uit die huwelijken had zij vier kinderen: een zoon uit het eerste huwelijk en een zoon en twee dochters uit het derde. Van 1970 tot 1981 was zij bovendien de partner en tekstschrijver van de zangeres Marie-Paule Belle.
Belangrijke publicaties in de jaren 1950
In 1947 verscheen in Brussel bij Éditions des artistes de bundel Poèmes du dimanche, gepubliceerd onder de naam Françoise Lilar. Daarna volgde in 1951 Le Rempart des Béguines bij éditions Julliard. Dit werk werd later heruitgegeven door Le Livre de poche in 1963 en door Pocket in 1982. In 1955 publiceerde zij La Chambre rouge bij éditions Julliard; daarvan verschenen heruitgaven bij J'ai Lu-Flammarion in 1968 en opnieuw bij Pocket in 1982. Een jaar later, in 1956, bracht éditions Julliard Cordélia, nouvelles uit, dat later in 1984 ook door Pocket werd heruitgegeven.
Belangrijke publicaties en erkenning
In 1958 verscheen L'Empire céleste bij éditions Julliard. Voor dit werk kreeg Françoise Mallet-Joris de prix Femina. Later werd L'Empire céleste opnieuw uitgegeven door J'ai Lu-Flammarion in 1968 en door Pocket in 1981. In 1961 publiceerde zij Les Personnages, roman, eveneens bij éditions Julliard. Ook dit werk kende heruitgaven: bij J'ai Lu-Flammarion in 1968 en bij Pocket in 1982. In 1963 volgde Lettre à moi-même, een essay, opnieuw uitgegeven door éditions Julliard.
Marie Mancini en erkenning
In 1965 publiceerde Françoise Mallet-Joris bij éd. Julliard de biografie Marie Mancini, Le premier amour de Louis. Voor dit werk ontving zij de prix Prince-Pierre-de-Monaco. Later werd Marie Mancini, Le premier amour de Louis opnieuw uitgegeven door éd. Pygmalion-Flammarion in 2010.
Latere publicaties in de jaren 1966-1985
In 1966 verscheen bij éditions Grasset Les Signes et les Prodiges. Twee jaar later volgde Trois âges de la nuit : histoires de sorcellerie, eveneens bij Grasset, waarna dit werk in 1974 werd heruitgegeven door Le Livre de poche. In 1970 publiceerde Grasset La Maison de Papier, dat in 1972 opnieuw verscheen bij Le Livre de poche. In 1971 kwam Le Roi qui aimait trop les fleurs uit bij Casterman, een werk voor de jeugd. Daarna publiceerde Grasset Le Jeu du souterrain in 1973, gevolgd door een heruitgave bij Le Livre de poche in 1976.
In 1975 verscheen bij éditions Julliard het essay J'aurais voulu jouer de l'accordéon. Een jaar later publiceerde Grasset Allegra, dat in 1979 door Le Livre de poche werd heruitgegeven. In 1978 werd La bicyclette, L'arbre des villes et l'arbre des champs uitgebracht als 45 tours livre-disque bij Le Petit Ménestrel / Adès. Vervolgens publiceerde Grasset in 1979 Dickie-Roi, met een heruitgave bij Le Livre de poche in 1982. In 1981 volgde Un chagrin d'amour et d'ailleurs bij Grasset, opnieuw uitgegeven door Le Livre de poche in 1983. In 1983 verscheen Le Clin d'œil de l'ange bij éditions Gallimard, met een heruitgave bij Folio-Gallimard in 1985. Ten slotte publiceerde Gallimard in 1985 Le Rire de Laura, dat in 1986 opnieuw verscheen bij Folio-Gallimard.
Latere publicaties bij Flammarion
In de late jaren tachtig en vroege jaren negentig verschenen meerdere werken van Françoise Mallet-Joris bij éditions Flammarion. In 1988 werd La Tristesse du cerf-volant gepubliceerd, gevolgd door een heruitgave bij J'ai Lu-Flammarion in 1989. Daarna verscheen Adriana Sposa in 1990, met een heruitgave in 1991. In 1991 publiceerde Flammarion ook Divine, dat in 1992 opnieuw werd uitgegeven door J'ai Lu-Flammarion. Tenslotte kwam Les Larmes uit in 1993 en werd het in 1995 heruitgegeven. Deze opeenvolging toont dat haar werk in die periode zowel nieuw werd uitgebracht als opnieuw beschikbaar werd gemaakt voor een breder lezerspubliek.
Latere publicaties
In de latere fase van haar oeuvre verschenen verschillende werken in snelle opeenvolging bij diverse uitgevers. La Maison dont le chien est fou werd in 1997 gepubliceerd door éditions Flammarion-Plon en een jaar later heruitgegeven door Pocket. Daarna volgde Sept Démons dans la ville, uitgegeven door éditions Plon in 1999 en opnieuw verschenen bij Pocket in 2000. In 2000 publiceerde éditions Plon ook La Double Confidence, dat in 2003 door Pocket werd heruitgegeven.
Later kwam Portrait d'un enfant non identifié uit bij éditions Grasset in 2005, met een heruitgave door Le Livre de poche in 2006. In 2007 verscheen vervolgens Ni vous sans moi, ni moi sans vous… bij éditions Grasset. Deze publicaties tonen de continue aanwezigheid van haar werk in de laatste jaren van deze periode.