François-Jozef Fétis werd geboren in Mons, Henegouwen, als oudste zoon van Antonius-Jozef Fétis en Elisabeth Desprets. Hij groeide op in een gezin met negen kinderen. Zijn vader was titulair organist van het adellijke kapittel van Sint-Waltrudis, en zijn grootvader was orgelbouwer. Fétis kreeg zijn muzikale opleiding van zijn vader en speelde al op jonge leeftijd op het koororgel van Sint-Waltrudis.
Hij trouwde in oktober 1806 met Adelaïde Robert, dochter van de Franse politicus Pieter-Franciscus-Jozef Robert en Louise-Félicité de Kéralio. Samen kregen zij twee zonen. De oudste hielp Fétis bij de uitgaven van de Revue Musicale en werd lid van de Koninklijke Academie. De jongste werd componist en hoogleraar.
Fétis was actief als musicoloog, muziekcriticus, muziekleraar en componist. Vooral zijn Biographie universelle des musiciens bleef een belangrijke informatiebron en maakte hem invloedrijk in continentaal Europa.
- Hoe werd François-Joseph Fétis een invloedrijke figuur in de muziekwetenschap?
- Hoe zag het gezinsleven van François-Joseph Fétis eruit?
- Hoe ontwikkelde François-Joseph Fétis zich tot een invloedrijke muziekkenner en schrijver?
- Hoe verliepen de laatste jaren van François-Jozef Fetis, en welke nalatenschap liet hij na?
- Hoe verliep de polemiek tussen François-Joseph Fétis en Hector Berlioz over hun opvattingen over muziek?
- Hoe droeg François-Joseph Fétis bij aan de studie van de harmonieleer?
- Hoe werkte François-Joseph Fétis het begrip tonaliteit uit in zijn theoretische werk?
- Hoe beschreef Fé tis de ontwikkeling van tonaliteit en ritme in de muziek?
- Hoe kwam het dat «Se i miei sospiri» later vooral met «Pietà, Signore» werd verbonden?
Biografie van de musici en Europese invloed
François-Joseph Fétis was een Belgische muziekwetenschapper, muziekcriticus, muziekleraar en componist. Hij werd op 25 maart 1784 geboren en overleed op 26 maart 1871. Een van zijn belangrijkste verwezenlijkingen was het samenstellen van de Biographie universelle des musiciens, een werk dat nog altijd een belangrijke informatiebron is. Door dit monumentale naslagwerk en zijn brede activiteit in de muziekwereld was Fétis invloedrijk in het vasteland van Europa.
Familie en gezin
François-Joseph Fétis werd geboren in Bergen in Henegouwen als oudste zoon van Antoine-Joseph Fétis en Élisabeth Desprets. Het gezin telde negen kinderen. Zijn vader was titulair organist van het adellijke kapittel van Sint-Waltrudis, en zijn grootvader was orgelbouwer. Fétis kreeg zijn muzikale opleiding van zijn vader en speelde al op jonge leeftijd op het koororgel van Sint-Waltrudis.
In oktober 1806 huwde hij Adélaïde Robert, dochter van de Franse politicus Pierre-François-Joseph Robert en Louise-Félicité de Kéralio. Uit dit huwelijk werden twee zonen geboren. De oudste hielp Fétis bij de uitgaven van de Revue Musicale en werd lid van de Koninklijke Academie. De jongste werd componist en hoogleraar. Na de dood van zijn echtgenote in 1866 trok Fétis zich terug uit de Brusselse samenleving en van het hof. Van zijn vader erfde hij bovendien de volledige bibliotheek en de verzameling muziekinstrumenten.
Muzikale loopbaan en geschriften
François-Joseph Fétis toonde al op zevenjarige leeftijd talent voor compositie. Op negenjarige leeftijd was hij organist aan de Sint-Waltrudiskerk in Bergen. Daarna ging hij naar Parijs, waar hij in 1800 zijn studies aan het Conservatorium afrondde. Daar studeerde hij onder leiding van Boïeldieu, Jean-Baptiste Rey en Louis-Barthélémy Pradher. In 1806 ondernam hij de herziening van de Romeinse liturgische gezangen en begon hij aan de Biographie universelle des musiciens. Datzelfde jaar startte hij ook een gratis reeks lezingen over de geschiedenis en filosofie van de muziek. Hij was tot aan zijn dood stichter en dirigent van de concerten die verbonden waren aan het Conservatorium van Brussel. In zijn loopbaan was hij tijdgenoot van Niccolò Paganini, Robert Schumann en Hector Berlioz, en hij werkte samen met de vioolbouwer Jean-Baptiste Vuillaume. Fétis onderzocht zowel renaissancemuziek als Europese volksmuziek en niet-Europese muziektradities, waardoor hij mee de grondslag legde voor de vergelijkende musicologie. Zijn geschriften, waaronder Curiosités historiques de la musique (Parijs, 1850), Histoire générale de la musique (Parijs, 1869-1876) en Méthode des méthodes de piano (Parijs, 1840, met Moscheles), blijven een belangrijke bron voor onderzoekers, handelaars en musici die de muziek van de negentiende eeuw bestuderen.
Laatste jaren, nalatenschap en leerlingen
François-Jozef Fetis overleed in Brussel. Zijn bibliotheek werd door de Belgische regering aangekocht en aan de Koninklijke Bibliotheek geschonken. Hoewel zijn historische werken volgens latere beoordeling onnauwkeurigheden bevatten, blijven zij voor historici waardevol. Ook als leraar had hij een brede invloed: onder zijn leerlingen bevonden zich onder meer Luigi Agnesi, Jean-Delphin Alard, Juan Crisóstomo Arriaga, Friedrich Berr, Louise Bertin, William Cusins, Julius Eichberg, Ferdinand Hérold, Frantz Jehin-Prume, Jacques-Nicolas Lemmens, Adolf Samuel, Charles-Marie Widor, Hippolyte André Jean Baptiste Chélard, Émile Bienaimé, Théodore Labarre, Louis van Waefelghem en Federico Consolo.
Twisten met Hector Berlioz
François-Joseph Fétis mengde zich samen met Hector Berlioz in publieke uitspraken waarin zij hedendaagse componisten bekritiseerden. Zij verklaarden dat wat «Monsieur Berlioz composeert» geen deel uitmaakte van de muziek en toonden zich overtuigd dat Berlioz zelfs de elementaire muzikale bekwaamheid miste. Op 1 februari 1835 schreven Fétis en Berlioz ook over de Symphonie Fantastique in de Revue musicale. In die context beschreven zij het woord «fantatique» als muziek met instrumentale effecten, zonder melodische lijn en met onjuiste harmonie. De polemiek kreeg een persoonlijke lading doordat Berlioz in Lélio, ou le Retour à la vie, het vervolg uit 1832 op de Symphonie Fantastique, Fétis bekritiseerde. Tegelijk hadden beide mannen weet van elkaars werk aan de uitgaven van de eerste acht symfonieën van Beethoven: Berlioz corrigeerde de uitgaven van Fétis voor uitgever Troupenas, terwijl Troupenas de redactionele markeringen van Fétis uit die uitgaven verwijderde. Ondanks die ingreep bleef Berlioz ontevreden over de uitgaven. In 1845 publiceerden Fétis en Berlioz samen ook de verhandeling La musique mise à la porte de tout le monde.
Theoretisch werk over de harmonieleer
In 1841 stelde François-Joseph Fétis met de "Esquisse de l'histoire de l'harmonie" de eerste geschiedenis van de harmonieleer samen. Dit werk, dat was opgebouwd uit artikelen die rond 1840 verschenen in de "Revue et Gazette musicale de Paris", biedt een algemeen overzicht van de harmonieleer. Fétis wilde er de feiten, fouten en waarheden van vroegere theorieën mee tonen. De "Esquisse de l'histoire de l'harmonie" liep daarmee ongeveer vijftig jaar vooruit op de "Geschichte der Musiktheorie" van Hugo Riemann. In 1844 publiceerde hij ook de "Traité complet de la théorie et de la pratique de l'harmonie", een theoretisch werk dat later invloed uitoefende op Paul Hindemith, Ernst Kurth en Frans Liszt.
De theorie van de tonaliteit
Volgens Hugo Riemann in de *Musik-Lexicon* van 1882 droeg het theoretische werk van François-Joseph Fétis bij tot het moderne begrip tonaliteit en werkte het dit uit tot zijn hedendaagse vorm. In dat werk stelde Fétis dat tonalité de primaire ordenende kracht is achter alle melodische en harmonische opeenvolgingen. Pogingen om de fundamentele muziekprincipes te vinden in de akoestiek, de wiskunde, intervalgroeperingen of akkoordclassificaties noemde hij vruchteloos. Het grootste deel van de *Traité complet* wijdde hij aan de verklaring van hoe tonalité de muziek organiseert. Daarbij wees hij de toonladder aan als de voornaamste factor die de tonaliteit bepaalt en erkende hij majeur en mineur als de enige twee tonale modi. Toonladders beschreef hij als culturele uitingen die voortkomen uit gedeelde ervaring en opvoeding. Volgens hem levert de natuur wel elementen van tonalité, maar bepalen het menselijk begrip en de wil de harmonische systemen; hij noemde dit een metafysisch principe. In boek 3 van de *Traité complet* werkte hij ook een metafysische theorie van harmonische modulatie uit. Daarnaast stelde hij een nieuwe methode voor om menselijke rassen te classificeren volgens hun muzikale systemen, in aansluiting bij het sociaal darwinisme. Verder betoogde hij dat de tonaliteit zich ontwikkelde in vier onderscheiden fasen, de ordres. De unitonische fase omschreef hij als voortkomend uit de tonaliteit van het gregoriaans, met hoofdzakelijk consonante drieklanken en zonder mogelijkheid tot modulatie; hij noemde die fase ook tonalité ancienne.
Tonale fasen en ritmische orden
In zijn theoretische werk beschreef François-Joseph Fétis de ontwikkeling van de tonaliteit als een opeenvolging van fasen. De transitonale fase liet hij beginnen met de invoering van de dominantseptiemakkoord tussen Zarlino en Monteverdi, en hij verbond die fase met de codificatie van cadentiële systemen en periodische frasebouw. De pluritonale orde koppelde hij aan modulaties via enharmonische relaties; volgens hem was Mozart de eerste die die techniek gebruikte. Binnen die orde benadrukte hij het belang van verminderde septiemakkoorden en overmatige sextakkoorden voor modulatie. Als laatste tonaliteitsfase beschreef hij de omnitonale fase, belichaamd door Wagner, met een extreme complexiteit van intervalverandering. Die fase achtte hij minder wenselijk dan de gematigd chromatische muziek van Meyerbeer.
Fétis paste het systeem van orden ook toe op het ritme, dat hij het minst gevorderde deel van de muziek noemde. Over de ritmische orden publiceerde hij theorieën in verschillende artikelen voor de Revue musicale en in voordrachten. Hij stelde daarbij dat de muziek op dat moment nog niet verder was gekomen dan de eerste fase, de unirhythmie. Ook opperde hij dat componisten binnen dezelfde melodische frase van de ene maatsoort naar de andere konden overgaan. Zijn lezingen over de ritmische orden beïnvloedden Liszt, en zijn ideeën werkten ook door in de muziek van Brahms via hemiolen en de vermenging van maatsoorten.
Se i miei sospiri
«Se i miei sospiri» klonk in 1833 in een concert in Parijs dat door Fétis was georganiseerd. In 1838 publiceerde Fétis het werk voor stem en strijkers, en in 1843 gaf hij het opnieuw uit voor stem en piano, nu met de alternatieve tekst «Pietà, Signore». Tegenwoordig wordt het stuk doorgaans met die alternatieve woorden geassocieerd.
Fétis schreef het toe aan Alessandro Stradella en beweerde dat hij een oorspronkelijk handschrift bezat. Dat handschrift heeft hij echter nooit ter inzage voorgelegd. Al in 1866 begonnen musicologen vragen te stellen bij de authenticiteit van het werk. Toen de bibliotheek van Fétis later door de Koninklijke Bibliotheek van Brussel werd verworven, werd daar evenmin een origineel handschrift van «Se i miei sospiri» aangetroffen.
De toeschrijving wordt nu doorgaans aan Fétis zelf gegeven, omdat de stijl niet overeenstemt met Stradella’s tijd. Bovendien werd de oorspronkelijke Italiaanse tekst ook teruggevonden op muziek van Alessandro Scarlatti in zijn oratorium uit 1693, «De marteldood van de heilige Theodosia».