Félicien Rops werd geboren in Namen, in de ouderlijke woning op de Marché au beurre, en de dag na zijn geboorte gedoopt in de kerk Saint-Loup. Hij was de enige zoon van industrieel Nicolas-Joseph Rops en Sophie Maubille. Zijn vader produceerde en verkocht bedrukte stoffen en koesterde een passie voor muziek en horticultuur. Ook Rops erfde een voorliefde voor horticultuur, waaraan hij zich later wijdde op het domein in Essonnes.
In 1837 verliet zijn familie de wijk Vieux Namur en vestigde zich in een herenhuis dat zijn vader liet bouwen in de rue Neuve. Vanaf 1838 volgde Rops onderwijs aan het jezuïetencollege Notre-Dame de la Paix, waar hij ook privélessen thuis kreeg. Daar ontmoette hij de latere schrijver Octave Pirmez, met wie hij een langdurige briefwisseling onderhield. Hij was een goede leerling en behaalde in 1844 de eerste prijs van uitmuntendheid. In 1849 verliet hij Notre-Dame de la Paix en zette zijn studies voort aan het Athénée royal de Namur, waarna hij schilderlessen volgde aan de Académie des Beaux-Arts de Namur bij Ferdinand Marinus.
- Wie was Félicien Rops en waar werd hij geboren en overleden?
- Hoe verliepen Félicien Rops' jeugd en opleiding in Namen?
- Hoe ontwikkelde Félicien Rops zich van literair netwerk en opleiding tot illustrator en medewerker aan belangrijke uitgaven?
- Met wie trouwde Félicien Rops en waar woonde hij met haar?
- Hoe kwam Félicien Rops in contact met het Parijse leven en welke rol speelden zijn opdrachten en journalistieke projecten daarin?
- Welke reizen maakte Félicien Rops, en wat gebeurde er na zijn overlijden met zijn stoffelijk overschot?
- Welke werken en technieken gebruikte Félicien Rops in zijn oeuvre?
- Waarom wordt de correspondentie van Félicien Rops zo bijzonder geacht?
- Hoe ontstond en evolueerde het museum gewijd aan Félicien Rops in Namen?
- Welke monumenten, plaquettes en andere eerbetonen werden aan Félicien Rops gewijd?
Leven en afkomst
Félicien Rops was een Belgische schilder, tekenaar, illustrator en graveur. Hij werd geboren in Namen en overleed in Essonnes. Daarmee wordt hij beschreven als een veelzijdige Belgische kunstenaar met verschillende artistieke specialisaties.
Jeugd en vorming in Namen
Félicien Rops werd geboren in het ouderlijk huis in Namen, aan de Marché au beurre. Hij werd de dag na zijn geboorte gedoopt in de kerk Saint-Loup. Hij was de enige zoon van industrieel Nicolas-Joseph Rops, die bedrukte stoffen produceerde en verhandelde, en van Sophie Maubille. Van zijn vader erfde hij ook een passie voor muziek en tuinbouw, een interesse waaraan hij zich later toelegde op het domein van Essonnes.
In 1837 verliet het gezin de Vieux Namur-wijk en vestigde zich in een herenhuis dat zijn vader had laten bouwen in de rue Neuve. Vanaf 1838 volgde Rops les aan het jezuïetencollege Notre-Dame de la Paix, terwijl hij ook privéonderwijs thuis kreeg. Daar ontmoette hij de latere schrijver Octave Pirmez, met wie hij een lange briefwisseling zou onderhouden. Als leerling deed hij het goed en in 1844 behaalde hij de eerste prijs van uitmuntendheid.
In 1849 verliet hij Notre-Dame de la Paix en zette hij zijn studies voort aan het Athénée royal de Namur. Hij volgde ook schilderlessen aan de Académie des Beaux-Arts de Namur bij Ferdinand Marinus. Toen hij vijftien was, werd hij onder de voogdij geplaatst van zijn oom Alphonse Rops, schepen van Namen. In brieven omschreef hij Alphonse Rops als onbuigzaam en prekerig. Rops voelde zich beklemd in Namen en vond de stad doordrongen van burgerlijke denkbeelden. In 1851 verliet hij Namen en schreef hij zich in aan de Université libre de Bruxelles voor voorbereidende filosofiestudies in de rechten.
Van literaire kringen tot illustraties
Félicien Rops sloot zich aan bij de literaire kring Les Joyeux, die in 1847 was opgericht door ongeveer twintig vrienden, onder wie Charles De Coster. Hij werkte ook mee aan de oprichting van het weekblad Uylenspiegel, met als ondertitel Journal des ébats artistiques et littéraires, dat tot 1863 verscheen. Rops behaalde geen diploma, maar volgde een opleiding in de schilderkunst door deel te nemen aan het Atelier Saint-Luc onder leiding van Ernest Slingeneyer, waar avant-gardekunstenaars samenkwamen. Zijn eerste werken, vooral karikaturen, publiceerde hij in het tijdschrift Le Crocodile. In 1858 maakte hij La Médaille de Waterloo en begon hij aan een carrière als illustrator.
Daarna leverde Rops bijdragen aan de uitgave van werken van Charles De Coster, waaronder La Légende et les aventures d'Ulenspiegel et de Lamme Goedzak au pays de Flandre et ailleurs in 1867. Ook werkte hij in Parijs mee aan edities van Jules Barbey d'Aurevilly, Josphin Peladan, Félicien Champsaur en Stéphane Mallarmé. Bovendien maakte hij frontispices voor Bas-fonds de la société van Henry Monnier in 1864, Le Diable au corps van Andrea de Nerciat in 1865, Les Épaves van Charles Baudelaire in 1866, Jeunes France van Théophile Gautier in 1866, Gamiani van Alfred de Musset in 1866 en Point de lendemain van Vivant Denon in 1867.
Zijn internationale artistieke samenleving slaagde niet, omdat er te weinig kunstenaars uit andere landen dan Frankrijk, Nederland en België bij betrokken waren. Die samenleving eindigde na het vertrek van Rops en drukker François Nys. Later sloot hij zich aan bij Groupe des XX als vervanger van Frans Simons en Théodore Verstraete. Hij trad daar eerst op als gastkunstenaar op de eerste jaarlijkse salon van Groupe des XX, waar hij Tentation de saint Antoine toonde, het werk van het voorafgaande jaar.
Huwelijk en woonplaatsen
Félicien Rops trouwde met Charlotte Polet de Faveaux, de dochter van een rechter bij het Tribunal de Namur. Samen woonden zij op 13, rue Neuve in Namen. Later bouwden zij een huis aan de rotonde van de avenue Louise in Brussel. Ook woonden zij in het château de Thozée bij Mettet, dat Charlotte Polet de Faveaux erfde na de dood van een van haar ooms.
Parijse contacten en journalistieke activiteit
Via zijn ontmoeting met journalist Alfred Delvau kwam Félicien Rops in contact met het Parijse leven. Delvau gaf hem opdrachten voor frontispices van meerdere werken, waaronder Histoire anecdotique des Cafés et Cabarets de Paris in 1862, en later ook voor Les Cythères parisiennes en Dictionnaire érotique moderne in 1864. Voor zijn onderzoek trok Rops zelfs samen met Delvau door het Parijse onderwereldmilieu. In 1863 stelde Delvau hem ook voor aan uitgever Auguste Poulet-Malassis in Parijs, wat de start markeerde van een langdurige samenwerking. Vooral na zijn verbanning naar Brussel kreeg Rops van Poulet-Malassis veel opdrachten. Tussen 1864 en 1870 illustreerde hij vooral lichtzinnige werken, goed voor vierendertig titels, en die illustraties bezorgden hem een omstreden reputatie die zijn publieke erkenning beïnvloedde.
In zijn werk doken intussen steeds vaker Parijse cocottes op, zoals Manette Salomon of Parisine in 1867, La Buveuse d'absinthe in 1869 en La Dèche in 1882. Ook Parijse drankgelegenheden keerden terug, onder meer in Le Gandin ivre, Le Bouge à matelots uit 1875 en Le Quatrième Verre de cognac omstreeks 1880. Naast zijn grafische werk hield Rops zich bezig met journalistiek in Parijs en Brussel. In de late jaren 1860 leverde hij bijdragen aan Chronique des arts et de la curiosité, een bijlage van Gazette des beaux-arts. Vanaf 1868 werkte hij bovendien aan plannen voor een tijdschrift in Parijs samen met Armand Gouzien, onder titels als La Vie moderne, Rops-Magazine en Feuilles Volantes. Dat project leek in 1871 bijna te slagen, maar werd tegengehouden door Ernest Courtot de Cissey, minister van Oorlog. Een nieuw project rond La Vie moderne werd in 1873 wel opgericht en gefinancierd, maar moest worden stopgezet door beperkingen van het kabinet van Broglie op het oprichten van tijdschriften in Parijs. Een poging om Feuilles volantes in Brussel te lanceren mislukte dan weer door financiële moeilijkheden na de scheiding van goederen met zijn echtgenote.
Reizen, netwerken en latere bijzettingen
Félicien Rops maakte indruk op tijdgenoten door zijn cultuur en zijn uitzonderlijk geheugen. Hij reisde meermaals voor opdrachten en contacten. Zo trok hij met Maurice Hagemans naar Zweden om er een internationaal congres over de prehistorie bij te wonen. Tijdens die reis schreef hij voor L'Indépendance belge een verslag van de reis en van het congres. In 1879 reisde hij met Armand Gouzien en een officiele delegatie naar Hongarije. Hij meende dat zijn voorouders uit Hongarije afkomstig waren. Van 7 tot 17 september 1879 vergezelde hij ongeveer vijfendertig Parijse kunstenaars en schrijvers naar de Internationale Tentoonstelling van Boedapest. Eerder was hij al in 1874, 1876 en 1877 in Monte-Carlo, waar hij Camille Blanc bezocht. In 1887 ging hij met de zusters Duluc naar New York, in het kader van de uitvoer van modecreaties.
Ondanks een handicap die het gevolg was van een ongeluk, bleef hij actief tot zijn dood in 1898. Zijn begrafenis vond eenvoudig plaats in de Sint-Stefanuskerk in Essonnes, waarna hij eerst werd begraven op het kerkhof van Essonnes. In 1906 liet zijn zoon Paul zijn stoffelijke resten opgraven. Daarna werd hij herbegraven op het kerkhof van Belgrade in Namen. Later werd hij opnieuw bijgezet in Mettet, in het familiegraf van de familie Polet de Faveaux. Na haar overlijden werd ook Charlotte Polet de Faveaux aan hem toegevoegd in dat familiegraf.
Tekenen, illustraties en schilderijen
Félicien Rops was in de eerste plaats een tekenaar. In zijn oeuvre gebruikte hij vooral potlood, pastel, détrempe en technieken met gom. Hij maakte tekeningen als L'Attrapade, Le Bouge à Matelots, La Tentation de saint Antoine en Pornocratès uit 1879. Ook uit zijn grafisch werk blijken sterke banden met literatuur en symboliek. Zo maakte hij in 1884 Le Vice suprême als illustratie voor de gelijknamige roman van Joséphin Peladan, en hij illustreerde in 1885 Son altesse la femme van Octave Uzanne. Voor Initiation sentimentale van Joséphin Peladan maakte hij in 1887 een voorplat in aquarel en Chinese inkt, bewaard in het Musée d'Orsay.
Naast tekeningen en illustraties maakte Rops ook schilderijen, al zijn die kleiner en niet bedoeld voor tentoonstellingen. Tijdens zijn reizen vervaardigde hij minder bekende landschappen en zeegezichten. Zijn schilderijen omvatten ook rotsachtige landschappen van de Ardennen, met dikke impastos die aan Courbet doen denken. Tot deze werken behoren onder meer Manette Salomon of Parisine uit 1867, La Mort qui danse omstreeks 1865, Satan semant des graines omstreeks 1872, Neige à Thozée uit 1870, La Vallée de Coléby uit 1875, Dans les coulisses tussen 1878 en 1880, La Tentation de saint Antoine uit 1878, Parodie humaine omstreeks 1880, Le Sphinx uit 1882, Satan semant uit 1882, À un dîner d'athées uit 1882, La prostitution et la folie dominent le monde, Sainte Thérèse & Transformisme Seconde Darwinique, Sainte Thérèse comme philosophe en La Dame au pantin uit 1885.
De correspondentie van Rops
De correspondentie van Rops bevat een groot aantal geïllustreerde brieven en geldt als een van de meest originele van de 19e eeuw. Door de kwaliteit van het schrijven krijgt ze het statuut van een volwaardig literair werk. In deze brieven wisselde Rops met tal van kunstenaars en intellectuelen, onder wie Théodore Hannon. Een groot deel van deze correspondentie wordt bewaard in de Koninklijke Bibliotheek van België, in het Handschriftenkabinet. Bovendien wordt ze volledig in chronologische volgorde uitgegeven door het provinciaal museum Félicien Rops in Namen.
Het museum in Namen
Nog voor de Tweede Wereldoorlog was Musées betrokken bij de oprichting van een museum gewijd aan Félicien Rops in Namen. Dat project werd in de jaren 1960 concreet gemaakt door Maurice Kunel. Het eerste Félicien-Ropsmuseum werd goedgekeurd door de provincie Namen en ondergebracht in het hôtel de Gaiffier d'Hestroy aan de rue de Fer. De eerste collectie bestond uit schenkingen van comte Visart de Bocarmé en uit werken afkomstig uit de musea van Namen en uit het château des Rops in Thozée. In 1987 verhuisde het museum naar 12, rue Fumal in Vieux Namur, waar het zich vandaag nog bevindt. Het gebouw op die plek was van 1834 tot 1866 eigendom van rechter Théodore Polet en was het ouderlijk huis van Charlotte Polet de Faveaux. Het museum biedt een permanente tentoonstelling, tijdelijke tentoonstellingen en een documentatiecentrum. Musées beheert ook het kasteel in Mettet waar Rops met Charlotte Polet de Faveaux woonde, en dit sluit aan bij het gerestaureerde château in Mettet van de Fondation Félicien-Rops, die in 1994 werd opgericht met publieke financiële steun.
Hommages in monumenten en herdenkingen
Félicien Rops kreeg op verschillende plaatsen een blijvende herdenking in de vorm van monumenten, plaquettes en andere eerbetonen. Op 14 juni 1925 werd op zijn geboortehuis aan de rue du Président 33 in Namen een gedenkplaat aangebracht met de inscriptie: "Ici est né Félicien Rops le 7 juillet 1833". In 1933 werd in het parc Louise-Marie in Namen een monument ingewijd, opgebouwd als een exacte kopie van de dubbele trap die Rops had ontworpen voor de tuin La Demi-Lune op het domein van Corbeil-Essonnes. Ook dit monument bevat een gedenkplaat.
Een jaar later, op 28 maart 1934, werd in Fonds d'Arquet, in het dorp Vedrin, een stele ter herinnering aan Rops ingehuldigd. Die plechtigheid vervulde een wens die een eeuw eerder door een kunstenaar was geformuleerd. Op 13 mei 1961 richtte de gemeente Mettet een monument op voor Hommages, vóór het stadhuis. Bij de inhuldiging waren beeldhouwer Charles Delporte, gouverneur Émile Wauthy van de provincie Namen en Rops, de kleindochter van de kunstenaar, aanwezig.
Naast deze monumenten werd Rops ook op andere manieren geëerd. Op 17 februari 1978 gaf de Post een zegel van 5 frank uit ter ere van Hommages, en in 1998 verschenen twee postzegels met reproducties van zijn schilderijen. Verder kreeg de asteroïde (13520) Félicienrops zijn naam, werd een roeiafdeling van de Royal Club Nautique de Sambre et Meuse op zijn 150e verjaardag naar hem vernoemd, en dragen onder meer een technisch instituut in Namen, een verkoopzaal in Saint-Servais, een laan langs de Maas in Namen, een hernoemde straat in Gentilly en een straat in Corbeil-Essonnes zijn naam.