Paul-Henri Charles Spaak (1899-1972) was een Belgisch socialist, diplomaat en staatsman uit de familie Spaak. Hij diende kort in de Eerste Wereldoorlog en werd daarna bekend als tennisser en advocaat. In 1929 verdedigde hij een Italiaanse student die werd beschuldigd van een aanslag op de kroonprins van Italië. Spaak trad in 1932 toe tot de politiek voor de Belgische Werkliedenpartij en kreeg in 1935 zijn eerste ministerportefeuille in de regering van Paul Van Zeeland. Hij was premier van België van 1938 tot 1939 en keerde later nog tweemaal terug als regeringsleider, in maart 1946 en tussen 1947 en 1949. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij minister van Buitenlandse Zaken in de in Londen gevestigde Belgische regering in ballingschap. Hij onderhandelde mee over de oprichting van de Benelux Douane-unie met Nederland en Luxemburg. Spaak was tussen 1939 en 1966 achttien jaar lang Belgisch minister van Buitenlandse Zaken. Hij werd ook de tweede secretaris-generaal van de NAVO en speelde een leidende rol in de ontwikkeling van instellingen die later uitgroeiden tot de Europese Unie. Door zijn inzet voor multilateralisme en internationale samenwerking, ook met de Sovjet-Unie en haar satellietstaten, kreeg hij de bijnaam ‘Mr. Europe’.
- Hoe groeide Paul-Henri Spaak uit tot een invloedrijke Belgische politicus en diplomaat?
- Welke politieke functies en Europese opdrachten vervulde Paul-Henri Spaak vanaf 1932 tot 1966?
- Welke familieachtergrond en relaties had Paul-Henri Spaak?
- Hoe verliepen de jonge jaren, opleiding en eerste loopbaan van Paul-Henri Spaak?
- Hoe ontwikkelde de politieke loopbaan van Paul-Henri Spaak zich in de periode na de Eerste Wereldoorlog?
- Hoe veranderde de Belgische politiek voor Paul-Henri Spaak tussen de neutraliteit van 1936-1940 en de uittocht naar Londen in 1940?
- Welke binnenlandse hervormingen en sociale maatregelen voerde Paul-Henri Spaak na de Tweede Wereldoorlog door?
- Hoe droeg Paul-Henri Spaak bij aan de internationale samenwerking en de Europese integratie?
- Hoe trad Paul-Henri Spaak op tegenover Charles de Gaulle en welke rol speelde hij in de Europese en Atlantische samenwerking?
- Hoe verliepen de laatste jaren van Paul-Henri Spaak?
- Hoe werd Paul-Henri Spaak later herdacht en gewaardeerd?
Opkomst als politicus en jurist
Paul-Henri Charles Spaak werd geboren op 25 januari 1899 en stierf op 31 juli 1972. Hij was een Belgische socialistische politicus, diplomaat en staatsman, en een lid van de familie Spaak. Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij kort, maar hij werd gevangen genomen. Na de oorlog verwierf hij bekendheid als tennisser en als advocaat. In 1929 verdedigde hij een Italiaanse student die ervan werd beschuldigd een aanslag te hebben willen plegen op de kroonprins van Italië.
Spaak bekleedde later een centrale rol in de Belgische en Europese politiek. Hij was drie keer eerste minister van België en diende ook als tweede secretaris-generaal van de NAVO. Door zijn inzet bij de vorming van de instellingen die zouden uitgroeien tot de Europese Unie, kreeg hij de bijnaam Mr. Europe.
Politieke loopbaan en Europese rol
Paul-Henri Spaak begon in 1932 in de politiek voor de Belgische Werkliedenpartij. In 1935 kreeg hij zijn eerste ministerportefeuille in de regering van Paul Van Zeeland. Tussen 1938 en 1939 was hij eerste minister van België. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vervulde hij de functie van minister van Buitenlandse Zaken in de Belgische regering in ballingschap, die in Londen gevestigd was.
Spaak speelde daarna een belangrijke rol in de internationale en Europese samenwerking. Hij onderhandelde mee over de oprichting van de Benelux-Douane-unie met de regeringen van Nederland en Luxemburg. In 1944 was hij een vroege voorstander van de douane-unie en werkte hij mee aan het Benelux-akkoord. In 1945 zat hij de eerste zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties voor. Hij steunde multilateralisme en internationale samenwerking, ook met de Sovjet-Unie en haar satellietstaten.
Na de oorlog werd hij tweemaal opnieuw eerste minister van België, in maart 1946 en opnieuw tussen 1947 en 1949. Daarnaast bleef hij tot 1966 verschillende Belgische ministerportefeuilles bekleden. Van 1939 tot 1966 was hij 18 jaar lang minister van Buitenlandse Zaken van België. Van 1949 tot 1950 was hij de eerste voorzitter van de Raadgevende Vergadering van de Raad van Europa. Daarna werd hij van 1952 tot 1954 de eerste voorzitter van de Gemeenschappelijke Vergadering van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal.
In 1955 werd Spaak benoemd tot lid van het Spaak-comite om een gemeenschappelijke markt in Europa te bestuderen. Hij speelde een invloedrijke rol bij de voorbereiding van het Verdrag van Rome van 1957, waarmee de Europese Economische Gemeenschap werd opgericht. In datzelfde jaar ontving hij de Karelsprijs. Van 1957 tot 1961 was hij ook de tweede secretaris-generaal van de NAVO.
Familie en persoonlijk leven
Paul-Henri Spaak werd op 25 januari 1899 geboren in Schaarbeek, België, in de familie Spaak-Janson. Hij kwam uit een familie met een sterke publieke en culturele aanwezigheid: zijn grootvader langs moederskant, Paul Janson, was lid van de Liberale Partij, terwijl zijn moeder, Marie Janson, de eerste vrouw was die in de Belgische Senaat zetelde. Zijn vader, Paul Spaak, was dichter en dramaturg. Ook andere familieleden waren bekend, zoals zijn oom Paul-Émile Janson, die van 1937 tot 1938 eerste minister van België was, en zijn broer Charles Spaak, die scenarist was. Daarnaast was er zijn nicht Catherine Spaak, die bekend werd als filmster, zangeres en televisiepresentatrice.
Spaak trouwde in 1921 met Marguerite Malevez. Samen kregen zij drie kinderen: Fernand Spaak, Marie Marguerite Spaak en Antoinette Spaak. Fernand Spaak werd diplomaat. Marie Marguerite Spaak huwde met de Britse diplomaat Michael Palliser. Antoinette Spaak werd de eerste Belgische vrouw die de politieke partij Democratisch Front van de Franstaligen leidde. Zijn vrouw Marguerite Malevez werd in 1943 door de Gestapo gearresteerd en bracht enkele weken door in de gevangenis van Sint-Gillis in Brussel.
Na het overlijden van zijn eerste vrouw trouwde Spaak op 23 april 1965 met Simonne Rikkers Hottlet Dear. In de jaren 1940 had hij in New York ook een relatie met Pauline Fairfax Potter. Onder zijn nakomelingen bevinden zich onder meer zijn kleindochter Isabelle Spaak, journaliste en romanschrijfster, en zijn kleinzoon Anthony Palliser, die kunstenaar is. Fernand Spaak was in 1981 kabinetschef voor Gaston Thorn, maar stierf op 18 juli 1981 in een moord-en-zelfmoord waarbij ook zijn vrouw betrokken was.
Jonge jaren en opleiding
In 1914 probeerde Paul-Henri Spaak zich aan te sluiten bij het Belgische leger tijdens de Duitse inval in België. Hij werd gevangengenomen en bracht twee jaar door als krijgsgevangene in Duitsland, tot zijn vrijlating aan het einde van de oorlog. Daarna begon hij aan de Vrije Universiteit Brussel, waar hij rechten studeerde. In 1922 speelde hij tennis voor het Belgische team in de Davis Cup. Na het behalen van zijn diploma rechten werkte hij als advocaat in Brussel. In die hoedanigheid verdedigde hij onder meer communisten die beschuldigd werden van samenzwering tegen de veiligheid van de staat, en ook Fernando de Rosa, een Italiaanse anarchistische student die had geprobeerd kroonprins Umberto van Italië te vermoorden.
Politieke loopbaan in de jaren 1920 en 1930
Na de Eerste Wereldoorlog trad Paul-Henri Spaak in 1920 toe tot de Socialistische Belgische Arbeiderspartij. In 1932 werd hij verkozen tot volksvertegenwoordiger. Daarna volgde een snelle ministeriële loopbaan: in 1935 maakte hij deel uit van het kabinet van Paul Van Zeeland als minister van Verkeer, en in februari 1936 werd hij minister van Buitenlandse Zaken. Hij behield die portefeuille onder zowel Paul Van Zeeland als Paul-Emile Janson.
Van mei 1938 tot februari 1939 was Spaak eerste minister. In die periode liet hij Herman Van Breda toe om in 1938 de nalatenschap van Edmund Husserl uit nazi-Duitsland naar België te smokkelen. Ook tijdens zijn ambtstermijn werden verschillende sociale en arbeidsmaatregelen genomen. Zo werd in juni 1938 de Nationale Maatschappij voor Goedkope Woningen en Woonvertrekken versterkt en kreeg zij de bevoegdheid om onder staatswaarborg een lening van 350 miljoen frank aan te gaan. In juli 1938 legde een koninklijk besluit de regels vast voor de toepassing van de wet op betaald verlof in landbouw-, tuinbouw- en bosbouwondernemingen.
Op 20 augustus 1938 werd de wet op betaald verlof gewijzigd en uitgebreid tot alle ondernemingen en thuiswerkers, terwijl de eis om een jaar bij dezelfde werkgever te hebben gewerkt om jaarlijks verlof te verdienen werd afgeschaft. Op 8 juli 1938 werd ook de regeling voor ouderdoms-, invaliditeits- en overlevingsverzekering voor mijnwerkers aangepast, met hogere uitkeringen voor invaliden, ouderen en weduwen, en ruimere voorwaarden voor het toekennen van invaliditeitspensioenen. Daarnaast werden nog verschillende arbeidsmaatregelen vastgesteld, waaronder een verbod op het gebruik van motorbrandstof voor smeren en reinigen, de vastlegging van een normale werkweek van 42 uur in de scheepsherstellingsindustrie in Antwerpen, en de uitbreiding van de achturige wet tot technisch personeel in bioscopen.
Van neutraliteit naar ballingschap
Van 1936 tot 1940 hield de Belgische politiek vast aan politieke onafhankelijkheid en neutraliteit, zonder formele militaire samenwerking met Frankrijk of het Verenigd Koninkrijk. Er was in die periode ook geen openlijke vijandigheid tegenover Duitsland. Dat veranderde na de Duitse inval in België, Luxemburg, Nederland en Frankrijk op 10 mei 1940. Het Belgische leger gaf zich op 18 mei 1940 over op bevel van koning Leopold III, wat leidde tot een constitutioneel conflict tussen de koning en een deel van de regering, dat de militaire operaties samen met Frankrijk wilde voortzetten.
Na de overgave groepeerde de Belgische regering zich opnieuw in Limoges en Bordeaux en bleef zij dicht bij de Fransen. Binnen de regering ontstond echter ook een conflict tussen wie in Frankrijk wilde blijven en wie naar Londen wilde trekken. Marcel-Henri Jaspar vertrok op 24 juni 1940 naar Londen om een nieuwe regering te vormen en Britse erkenning te zoeken, waarna hij meteen uit de regering werd gezet. Spaak reisde nadien naar Groot-Brittannië, nadat de Fransen zijn diplomatieke status hadden ingetrokken. Samen met Pierlot bereikte hij Londen in oktober 1940 via Spanje en Portugal, onder moeilijke omstandigheden.
Na de oorlog: hervormingen en sociale maatregelen
Na de Tweede Wereldoorlog bekleedde Paul-Henri Spaak opnieuw belangrijke regeringsfuncties. Hij was minister van Buitenlandse Zaken onder Achille Van Acker en Camille Huysmans. Daarnaast werd hij benoemd tot eerste minister van 13 tot 31 maart 1946 en opnieuw van maart 1947 tot augustus 1949.
In die periode werden verschillende sociale en institutionele hervormingen doorgevoerd. In 1947 werd via een wet van 16 juni de vakantieduur voor werknemers jonger dan 18 jaar verdrievoudigd en voor wie tussen 18 en 21 jaar was verdubbeld. Op 10 augustus 1947 werd ook het vakantiegeld voor de eerste week verdubbeld. Vanaf juni 1947 kregen jonge werknemers onder de 18 jaar recht op drie weken jaarlijkse betaalde vakantie, terwijl werknemers tussen 18 en 21 jaar recht kregen op minstens twee weken betaalde vakantie.
De sociale wetgeving werd verder uitgebouwd met de automatische indexering van 95 procent van de lonen vanaf 1948. In 1948 werd ook het stemrecht voor vrouwen ingevoerd en kregen vrouwen toegang tot de magistratuur. In september 1948 werd een wet uitgevaardigd voor de oprichting van ondernemingsraden, terwijl grote bedrijven via werkraden moesten worden geraadpleegd over economische kwesties met sociale impact. Bovendien werden bedrijfstak- en ondernemingsgebonden paritaire comites ingesteld.
Ook het onderwijs kreeg aandacht. In 1948 werd een schoolbouwfonds opgericht om te voorzien in de materiele noden van het secundair onderwijs, en werd het multibeleursschoolstelsel ingevoerd. In augustus 1948 kwam er bovendien wetgeving die niet-confessionele morele vorming in het secundair onderwijs invoerde.
Op het vlak van huisvesting en sociale bescherming volgden eveneens maatregelen. De De Taeye-wet van 1948 regelde fiscale tegemoetkomingen, kredietfaciliteiten en premies voor sociale woningen. De Brunfaut-wet van 1949 richtte een centrale begrotingsorganisatie op voor het overheidsbeleid inzake sociale huisvesting, schoof de financiele last van infrastructuurwerken naar de staat en regelde de financiering van de twee Nationale Huisvestingsmaatschappijen. In december 1948 werd de Nationale Maatschappij voor Oorlogswezen vervangen door de Nationale Maatschappij voor wezen, weduwen en ascendenten van oorlogsslachtoffers.
Van de Verenigde Naties tot de Europese eenmaking
Na 1944 werd Paul-Henri Spaak een voorstander van regionale samenwerking en collectieve veiligheid. Nog tijdens zijn ballingschap in Londen pleitte hij voor de oprichting van een douane-unie die België, Nederland en Luxemburg zou verbinden. In 1945 werd hij verkozen tot voorzitter van de eerste zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Tijdens de derde zitting in Parijs in 1948 richtte hij zich tot de Sovjetdelegatie met de woorden "peur de vous".
In 1948 hielp hij ook een congres in Den Haag organiseren dat aandrong op de oprichting van de Raad van Europa. In augustus 1949 werd hij daar verkozen tot voorzitter van de Consultatieve Vergadering. In die functie hielp hij een netwerk van intergouvernementele contacten uitbouwen. Toen de Vergadering in december 1951 een voorstel voor een Europese politieke autoriteit verwierp, nam hij ontslag.
Daarna bleef Spaak Europese integratie verdedigen als voorzitter van de Europese Beweging. Van 1952 tot 1953 zat hij de Gemeenschappelijke Vergadering van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal voor. Hij verbond de kolen- en staalindustrie van Frankrijk en Duitsland en wilde dat concept uitbreiden tot een ruimer economisch lichaam en een politieke unie. In 1955 kreeg hij van de Conferentie van Messina de leiding over het Spaak-Comité. Dat comité werkte een rapport uit over de oprichting van een gemeenschappelijke Europese markt, en dat rapport werd de hoeksteen van de Intergouvernementele Conferentie van Val Duchesse in 1956. Dit proces leidde tot de ondertekening van de Verdragen van Rome op 25 maart 1957, waarvan Spaak het Belgische verdrag ondertekende samen met Jean Charles Snoy et d'Oppuers. Hij leverde zo een bijdrage aan de totstandkoming van de EEG en geldt als een van de stichtende vaders van de Europese Unie.
Botsingen met de Gaulle en Europese inzet
Paul-Henri Spaak raakte in conflict met de Franse president Charles de Gaulle over het buitenlands beleid. Hij viel de Gaulle publiekelijk aan omdat die de vooruitgang van de NAVO blokkeerde en stelde dat deze houding ook de Europese en Atlantische integratie vertraagde. Spaak verzette zich tegen de nadruk op nationale soevereiniteit, het wantrouwen tegenover de Verenigde Staten en de Franse insistente ambitie om over nucleaire capaciteiten te beschikken. Met diplomatieke middelen probeerde hij invloed uit te oefenen op belangrijke spelers binnen de NAVO, maar met slechts beperkt succes. Samen met Joseph Luns weerde hij in 1962 de pogingen van de Gaulle af om Britse toetreding te verhinderen. Spaak verdedigde bovendien de onafhankelijkheid van de Europese Commissie en stelde dat Europa een supranationale entiteit moest zijn. Zijn inzet werd later erkend doordat het eerste gebouw van het Europees Parlement in Brussel naar hem werd genoemd. Na de Franse terugtrekking uit de NAVO in 1966 speelde hij ook een belangrijke rol bij de keuze van Brussel als NAVO-hoofdkwartier.
Latere jaren en overlijden
Spaak trok zich in 1966 terug uit de politiek. Hij was ook lid van de Koninklijke Belgische Academie voor Franse Taal- en Letterkunde. In 1969 publiceerde hij zijn memoires in twee delen onder de titel Combats inachevés. Paul-Henri Spaak overleed op 31 juli 1972 in Braine-l'Alleud, nabij Brussel, op 73-jarige leeftijd, aan nierfalen. Hij werd begraven in Braine-l'Alleud.
Herdenking en erkenning
In 2002 was zijn nalatenschap het belangrijkste motief voor de Belgische herdenkingsmunt over de drie pioniers van de Europese eenmaking. Op de voorzijde van die munt stonden een portret en de namen van Robert Schuman, Paul-Henri Spaak en Konrad Adenauer. Ook in de verkiezing De Grootste Belg kreeg hij een plaats: in de Vlaamse versie eindigde hij op de 40e plaats, in de Waalse versie op de 11e plaats. Daarnaast is in de Maastrichtse wijk Randwyck een straat naar hem genoemd.