Anton Pannekoek

Portret van Anton Pannekoek, Nederlandse astronoom en marxistisch theoreticus
Portret van Anton Pannekoek, Nederlandse astronoom en marxistisch theoreticus

Anton Pannekoek werd geboren in Vaassen, in Nederland, en overleed in Wageningue. Hij was een Nederlandse astronoom, astrofysicus en marxistisch theoreticus. Pannekoek nam deel aan de ontwikkeling van de communistische beweging in Nederland en Duitsland en was vanaf 1914, ondanks zijn Nederlandse afkomst, een van de betrokkenen bij de linkse stroming die aansloot bij de posities van Rosa Luxemburg. Deze denkrichting werd ook de Duits-Nederlandse linkerzijde genoemd.

Hij verzette zich tegen de Eerste Wereldoorlog, sloot zich in 1919 aan bij de Derde Internationale en werd in 1921 daaruit uitgesloten wegens zijn linkskommunistische standpunten en zijn verzet tegen Lenins autoritarisme. In de jaren 1920 werd hij een figuur van het radencommunisme. Als radencommunist verwierp hij het stalinisme vanaf het moment van zijn ontstaan en beschouwde hij het regime van de USSR als staatskapitalisme, niet als socialisme. Hij stelde dat communisme alleen kan voortkomen uit een revolutionair proces dat de democratie vergroot en de productiemiddelen collectiviseert, en pleitte voor een uitbreiding van vrijheden en individuele verantwoordelijkheid om autoritaire afwijkingen van de voorhoede te voorkomen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog schreef hij zijn belangrijkste werk, Les Conseils ouvriers, dat in 1946 in twee delen werd gepubliceerd onder het pseudoniem P. Aartsz. Het grootste deel van zijn archief ging in 1944 verloren bij de Slag om Arnhem.

Politieke rol en ideeën

Anton Pannekoek was een Nederlandse astronoom, astrofysicus en marxistisch theoreticus. Hij werd geboren in Vaassen en overleed in Wageningue. In de ontwikkeling van de communistische beweging in Nederland en Duitsland speelde hij een actieve rol. In de jaren 1920 groeide hij uit tot een belangrijk figuur binnen het radencommunisme. Daarbij verzette hij zich tegen leninistische opvattingen, wat hem een eigen plaats gaf in de politieke discussies van zijn tijd.

Politieke strijd en raadskommunisme

Anton Pannekoek was een militante figuur van de linkerzijde, nauw verbonden met de standpunten van Rosa Luxemburg. Zijn denkrichting werd bekend als de Duits-Nederlandse Linkerzijde. Ondanks zijn Nederlandse afkomst was hij vanaf 1914 een van de betrokkenen in deze stroming. Hij verzette zich tegen de Eerste Wereldoorlog en trad in 1919 toe tot de Derde Internationale.

Die breuk hield echter niet lang stand. In 1921 werd hij uit de Derde Internationale uitgesloten wegens zijn linkscommunistische standpunten en zijn verzet tegen het autoritaire optreden van Lenin. Als raadskommunist verwierp hij later ook het stalinisme van bij het ontstaan ervan. Voor hem was het regime van de Sovjet-Unie geen socialisme, maar staatskapitalisme.

Pannekoek koppelde zijn opvatting van communisme aan een revolutionair proces dat de democratie vergroot en de productiemiddelen collectiviseert. Tegelijk benadrukte hij dat vrijheden en individuele verantwoordelijkheid moesten worden uitgebreid om een autoritaire ontsporing van de voorhoede te voorkomen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte hij aan zijn belangrijkste werk, Les Conseils ouvriers, dat in 1946 in twee delen verscheen onder het pseudoniem P. Aartsz. Het grootste deel van zijn archieven ging in 1944 verloren in de Slag om Arnhem. Later hield hij ook briefwisseling met Cornelius Castoriadis. Zijn autobiografie, Souvenirs, verscheen 22 jaar na de Tweede Wereldoorlog in Nederland.

Van sociaaldemocratie naar massactie

Anton Pannekoek sloot zich in 1901 aan bij de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij en ging al snel behoren tot de linkerzijde van de partij, samen met Herman Gorter en Henriette Roland-Holst. De grote stakingen in Nederland in 1903 verscherpten volgens hem de tegenstelling tussen de linker- en rechtervleugel. In 1907 zag hij hoe de linkerzijde De Tribune oprichtte, en in 1909 merkte hij de splitsing van de partij op, waaruit de Sociaal-Democratische partij ontstond met vierhonderd leden. Die nieuwe partij pleitte voor agitatiecampagnes onder arbeiders en voor confrontatie in het parlement.

In 1906 vertrok Pannekoek naar Duitsland en liet hij zijn universitaire loopbaan achter zich om les te geven aan de partijschool in Berlijn. Daar kreeg hij te maken met tegenstand van de Pruisische politie. Hij werd er propagandist, journalist en spreker, betaald door de partij, en zijn reputatie als theoreticus groeide verder. In zijn werk beklemtoonde hij dat klassenbewustzijn noodzakelijk was in de revolutionaire strijd. Tegelijk bekritiseerde hij de officiële praktijk en theorie van de sociaaldemocratische partij wegens de invloed van de middenklasse. Hij werkte ook een theorie uit over de arbeidersaristocratie en wees erop dat een opkomende burgerij in de oostelijke regio’s het socialisme aan haar eigen belangen aanpaste.

Pannekoek verdedigde massactie als een factor die de noodzakelijke krachten kon samenbrengen. In 1910 nam hij in Bremen deel aan de Bremer Burger Zeitung samen met Karl Radek en Johann Knief. In 1912 publiceerde hij in Neue Zeit het artikel Action de masse et Révolution. Ook werkte hij mee aan de polemiek tegen Karl Kautsky naast Rosa Luxemburg. Daarbij stelde hij dat de tactiek van de sociaaldemocratie bestond uit een door afgevaardigden geleide strijd met slechts selectieve oproepen tot massactie. Zijn naam werd ook vermeld door Lenin in L'Etat et la Révolution, al werd hij door Lenin en de bolsjewieken bekritiseerd omdat hij de noodzaak om de oude staatsmacht te vervangen zou negeren. Pannekoek antwoordde dat rechtvaardigingen verschillen naargelang de fase en dat de klassenstrijd de maatschappelijke organisatie bepaalt. Hij pleitte bovendien voor een snelle vernietiging van de staat.

Radicale activiteit na 1914

Na de Duitse oorlogsverklaring in 1914 keerde Anton Pannekoek terug naar Nederland en nam hij deel aan activiteiten van verschillende radicale groepen. Hij was vooral betrokken bij de tribunisten. Samen met Henriette Roland-Holst nam hij de leiding van het Duitstalige tijdschrift Vorbote op zich, waarin hij samenwerkte met verschillende radicalen, onder wie Lenin. In dat blad pleitte hij voor massale acties als weg naar een nieuw socialisme. Hij nam ook deel aan discussies die werden gepubliceerd in het legale orgaan van de Internationale Communisten van Duitsland.

De Russische revolutie werd door Pannekoek enthousiast onthaald. Hij verdedigde de acties van de bolsjewieken tegen milde kritiek van rechts binnen de kleine partij en stelde dat de toekomst van de Russische revolutie afhing van de ontwikkeling van de revolutie in West-Europa. Toen in 1918 de Duitse revolutie uitbrak en zich snel verspreidde, beschreef hij hoe arbeiders- en soldatenraden ontstonden, maar volgens hem stonden die onder controle van de SPD en waren ze geen ware organen van klassenstrijd. Hij merkte op dat de meerderheid van de klasse zich tijdens de revolutie achter de traditionele leiders schaarde en dat de raden eerder fungeerden als een gecontroleerde brandgang onder toezicht van socialistische en syndicalistische autoriteiten. De radicalen bepleitten daartegenover zelfvorming van de massa via actie.

In 1919 verenigden verschillende groepen zich en richtten de Kommunistische Partij van Duitsland op. Deze partij verzette zich tegen deelname aan verkiezingen, ondanks het tegendeel van Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht. In deze periode veranderden revolutionaire ideeën snel en werden publiek en schriftelijk discussies gevoerd over arbeidersraden en hun vooruitzichten. Pannekoek nam vanuit Holland aan die debatten deel. In de context van de oprichting van de Kommunistische Arbeiderspartij van Duitsland schreef hij bovendien de brochure Revolution mondiale et tactique communiste voor het tweede congres van de Derde Internationale. Daarin analyseerde hij de Russische revolutie als vertrekpunt van Aziatische revoluties tegen het westerse kapitaal en leverde hij ook kritiek op radicaal socialisme. Zijn radicale tactiek bleef daarbij verbonden met traditioneel parlementarisme en syndicalisme.

Kritiek op frontpolitiek en het debat over Rusland

In zijn beschouwingen na 1914 wees Anton Pannekoek erop dat pogingen tot volksfronten volgens vroegere historische analogieën moesten mislukken. Volgens hem zouden dergelijke fronten in het beste geval leiden tot machteloosheid en een nederlaag, en in het slechtste geval tot de ontbinding van revolutionaire krachten. Hij verbond die kritiek ook met een bredere analyse van de socialistische beweging. Zo werkte hij belangrijke bezwaren uit tegen de sociaaldemocratie, zowel in haar klassieke als in haar leninistische vorm. Daarbij stond het uitgangspunt centraal dat in uitbuitende samenlevingen altijd iemand moet bevelen. Zijn analyse vertrok van nieuwe organisatorische vormen die zichtbaar werden tijdens de revolutionaire crisis van het begin van de eeuw.

Pannekoek schreef ook over Rusland en stelde dat de toekomst van dat land afhangt van revoluties in West-Europa en Amerika. Omdat Rusland achterlijk bleef, zou de opkomst van een staats- en ondernemingsbureaucratie volgens hem onvermijdelijk zijn. Een samensmelting van die nieuwe bureaucratie met de oude zou nieuwe leiders aan de macht brengen. Die leiders zouden dan gedwongen worden akkoorden te sluiten met het kapitalisme om Rusland overeind te houden. Vanuit die visie eiste hij dat de Internationale bevrijd werd van elke inmenging uit Moskou.

Lenin en de kritiek op het bolsjewisme

In 1938 schreef Anton Pannekoek, onder de naam J. Harper, Lenin Philosophe. In dit werk, dat de Russische revolutie analyseerde, bekritiseerde hij Lenins filosofische werk Materialism and Empiriocriticism en noemde hij Lenins filosofie burgerlijk materialistisch. Tegelijk zette hij er zijn eigen opvattingen over marxisme en kennistheorie tegenover. Hij bekritiseerde ook de partijopvatting van het leninisme.

Pannekoek beschreef de economische orde in Rusland als staatskapitalisme, dat staatsocialisme of communisme werd genoemd. Volgens hem werd de productie er geleid door een staatsbureaucratie onder leiding van de Communistische Partij. Die bureaucratie vormde de nieuwe heersende klasse, die de productie en de meerwaarde controleerde, terwijl de arbeiders enkel lonen ontvingen en dus een uitgebuite klasse vormden. Hij stelde dat de partij beweerde dat in de ontwikkelde kapitalistische landen een gelijkaardige revolutie nodig was, geleid door de arbeidersklasse.

In zijn bespreking van de Russische revolutie merkte hij op dat die slaagde doordat de massa's geleid werden door een verenigde en gedisciplineerde bolsjewistische partij. Lenin en zijn vrienden zouden binnen die partij een onfeilbaar inzicht en een wankele zekerheid hebben verschaft. Voor de wereldrevolutie moesten arbeiders volgens deze logica de Communistische Partij volgen en de leiding aan de partij overlaten. Partijleden moesten hun leiders met strikte discipline gehoorzamen, en alles hing af van bekwame revolutionaire leiders die de massa's altijd als juist moesten vertrouwen.

Pannekoek stelde dat het doel van de Communistische Partij erin bestond een leidersklasse aan de macht te brengen die arbeiders als strijdmacht gebruikte, waarna die leiding via de staatsmacht geplande productie zou invoeren. Dat doel kwam volgens hem in wezen overeen met het einddoel van de sociaaldemocratie. Hij noteerde ook dat de Communistische Partij een verenigd front met socialisten en intellectuelen trachtte te vormen om in de eerste grote kapitalistische crisis de macht over de arbeiders te verwerven. Leninisme en zijn filosofische handboek dienden volgens Pannekoek als marxisme om arbeiders te intimideren en intellectuelen te dwingen, en zo de slavernij en uitbuiting van arbeiders in stand te houden.

De rol van de arbeidersraden

In 1936 publiceerde Anton Pannekoek het artikel Les conseils ouvriers, waarin hij de rol van democratische arbeidersvergaderingen in een socialistisch revolutionair proces uiteenzette. Hij bekritiseerde daarbij het idee van een leninistische revolutie die geleid wordt door een gedisciplineerde voorhoedepartij. Volgens Pannekoek hadden Duitse en Nederlandse radencommunisten, vanaf de jaren 1920, al kritiek geuit op de leninistische en bolsjewistische partij en op de dictatuur van het proletariaat in de Sovjet-Unie.

Pannekoek beschouwde de dictatuur van het proletariaat als belichaamd door de arbeidersraden. De verkozenen in die raden waren voor hem afzetbare gedelegeerden met een dwingend mandaat. Hij stelde dat de raden vanaf het begin van de revolutie zouden bijdragen tot het afsterven van de staat en dat zij de opkomst van het communisme moesten waarborgen tijdens het revolutionaire proces. In zijn visie organiseerden democratische arbeidersraden de revolutie onder de dictatuur van het proletariaat, in tegenstelling tot Lenins controle door een voorhoedepartij.

Pannekoek verwees ook naar Marx en Engels, die volgens deze benadering verklaarden dat de sociale revolutie de dictatuur van het proletariaat moest voortbrengen om noodzakelijke maatschappelijke veranderingen mogelijk te maken. In de klassenstrijd ontstaan vanzelf organen van die dictatuur, namelijk de sovjets of raden. Wanneer de revolutionaire beweging voldoende kracht krijgt, worden de arbeidersraden politieke lichamen. Zij belichamen de arbeidersmacht, moeten de vijand verzwakken en verslaan, en het hele land beschermen tegen pogingen van de kapitalistische klasse om de arbeiders te verslaan.

Daarnaast kregen de arbeidersraden de taak het openbaar bestuur over te nemen, zoals gezondheid, openbare veiligheid en het sociale leven, die voordien door de staat werden beheerd. Zij moesten ook de productie in een revolutionaire situatie in handen nemen. De nieuwe klasse in de proletarische revolutie moest nieuwe organisatorische vormen scheppen om de oude staat te vervangen. Zo werd de arbeidersraad de nieuwe politieke organisatie die het parlementaire kapitalisme uiteindelijk vervangt. Pannekoek zag de raden aanvankelijk als een machtig politiek instrument tegen de overblijfselen van het kapitalisme, maar verwachtte dat hun politieke functies geleidelijk zouden verminderen tot economische functies die de collectieve productie organiseren.

Kritiek op kapitalisme en natuur

Volgens sommige marxistische denkers, onder wie Anton Pannekoek, lag er al vroeg een ecologische kritiek op het kapitalisme. Pannekoek stelde dat communisme en het beëindigen van het kapitalisme ook vereisen dat de schadelijke gevolgen van dit systeem voor het milieu worden aangepakt. In 1909 publiceerde hij La destruction de la nature. Hij schreef dat natuurlijke hulpbronnen worden uitgebuit alsof ze oneindig zijn, terwijl de kapitalistische economie uiteindelijk faalt door de grenzen van die hulpbronnen.

Scroll naar boven